Anselmus – Waarom God mens werd?

Anselmus: waarom_god_mens_werd

Anselmus werd in 1033 geboren te Aosta in Piemont, nabij Turijn, uit een adellijk geslacht. Omdat de verhouding tot zijn vader moeilijk was, verbond hij zich in 1060 aan het klooster van Bec (Normandië), waar hij drie jaar later tot opvolger van de prior werd benoemd. Van heinde en verre kwamen er leerlingen om zich onder zijn leiding te stellen.

In 1078 stierf de abt van Bec en Anselmus volgde hem op. In 1089 echter werd hij tot aartsbisschop van Canterbury benoemd,. Daar was – evenals in de rest van Engeland – de macht der vorsten in kerkelijke aangelegenheden groot was (toen de kerk pogingen deed om zich vrij te maken, ontstond ook hier de investituurstrijd). De koning eiste van Anselmus een belangrijke geldsom, voordat hij hem in zijn ambt zou bevestigen. Hoewel Anselmus hem hierin tegemoet kwam, bleven de moeilijkheden aanhouden en uiteindelijk werd hij zelfs door de koning verbannen. In Beneventum vond Anselmus vriendelijke opname in een klooster, waarvan een vroegere leerling uit Bec abt was. Daar kon hij het geschrift “Cur Deus homo” voltooien, dat hij in Engeland “in grote beroering des harten” had aangevangen. Maar toen in juli 1099 de koning stierf, kwam er voor Anselmus toch een einde aan zijn ballingschap. Toen zijn opvolger de investituur echter als een recht en de leeneed als een plicht van de aartsbisschop bleef beschouwen, besloot Anselmus tot excommunicatie over te gaan. In 1106 gaf de koning uiteindelijk de investituur met ring en staf op en Anselmus legde de leeneed af. Ook de erkenning van het primaat van Canterbury door de verschillende bisschoppen (Londen, York, Worcester) heeft Anselmus hem heel wat moeite gekost. Op 21 april 1109 is hij overleden. Tot zijn belangrijkste werken behoren:

  • Monologion
  • Proslogion
  • De grammatica, de veritate, de libertate arbitrii en de casu diaboli
  • Cur Deus homo
  • De conceptu virginali et de peccato originali
  • De processione Spiritus Sancti
  • De concordia praescientiae et de praedestinationis et gratiae dei cum libero arbitrio

Na een inleiding behandelt Cur Deus homo:

  • De noodzakelijkheid der satisfactie (Bk 1 hfdst. 11-19)
  • De onmogelijkheid der satisfactie door de mens. (Bk 1 hfdst 20-25)
  • Het bewerken der satisfactie door het vrijwillig sterven van de Godmens. (Bk 2 hfdst 1-15)
  • Een besluit. (Bk 2 hfdst 16-22)

Anselmus is de eerste theoloog geweest die zich de vragen welke met de verzoening samenhangen heeft ingedacht, of zo men wil, een theorie der verzoening heeft opgesteld. Zijn gedachten hierover hebben de westerse dogmatiek tot in de twintigste eeuw sterk be‹nvloed. Waar het in hoofdzaak om draait bij Anselmus, is het gegeven dat de schuld die door de zonde is ontstaan, moet worden ingelost, omdat God een rechtvaardig God is. Deze visie op de soteriologie is overbekend en is ook mij met de paplepel ingegoten. Wat echter minder bekend is, maar bij Anselmus toch een belangrijke pijler in zijn betoog vormt, is het feit dat deze betaling daarom noodzakelijk is omdat de mens in ieder geval de plaats van de gevallen engelen in de hemelse stad moet innemen. Een dergelijke gedachtengang is voor ons twintigste eeuwse mensen wat vergezocht, maar met het wegvallen van dit argument dreigt er toch een verzwakking van de verzoeningsleer te ontstaan. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ook in deze tijd de argumenten die Boso aandraagt weer volop actueel zijn.

Wijdingsbrief van Anselmus aan Paus Urbanus II:

“Ik zie, dat tussen het geloof en het aanschouwen het inzicht ligt, dat wij in dit leven verwerven. Daarom meen ik, dat wij, hoe meer wij daarin toenemen, des te meer de aanschouwing nabij komen… Ik wil beproeven mij enigszins tot de aanschouwing van de zin van ons geloof te verheffen.”

Eerste Boek

Een vraag, die ongelovigen ons nogal eens voorleggen, is deze: Wat is de reden of noodzaak dat God mens werd en door zijn dood aan de wereld het leven moest schenken. Had Hij dit niet op een andere manier kunnen doen? Anselmus kiest voor het dialoog-model om deze vraag te beantwoorden en merkt op, dat het allereerst nodig is om te weten, wat men verstaat onder macht, noodzakelijkheid,en willen. Hij onderkent daarin zijn eigen beperktheid en geeft aan er niet op uit te zijn om het antwoord aan te reiken, maar veel meer het antwoord mede te zoeken.

Boso: Ons werpen de ongelovigen voor de voeten, dat wij God onrecht en smaad doen, wanneer wij beweren, dat Hij in de schoot van een vrouw is nedergedaald.

Anselmus: Als zij zagen hoe passend de menselijke herstelling werd bewerkt, zouden zij niet zo doen, want zoals door de ongehoorzaamheid van één mens de dood in het menselijk geslacht intrad, zo werd ook door de gehoorzaamheid van een mens het leven hersteld. Zoals de zonde haar begin had uit een vrouw, zo ook de bewerker van onze gerechtigheid.

Boso: Maar God kon toch een zondeloze mens geschapen hebben om zijn werk te volbrengen?

Anselmus: Wanneer de mens door een mens zou zijn verlost, dan zou hij niet hersteld zijn tot die waardigheid, waartoe hij bestemd was als hij niet gezondigd had. Hij zou dan een dienstknecht van die mens zijn.

Boso: Maar door wiens macht werd u dan vastgehouden, dat God u slechts met zoveel moeite heeft kunnen bevrijden? Is Gods toorn wellicht niets anders dan zijn wil om te straffen? Immers, als Hij de zonden niet zou willen straffen, dan is de mens toch ook vrij van de zonden en van Gods toorn? Daar duivel en mens van God zijn en niemand buiten Gods macht kan bestaan, welke rechtzaak heeft God moeten voeren met het zijne? Gaat het Hem er niet alleen om zijn dienstknecht te straffen voor het feit dat hij zijn mededienstknecht heeft overgehaald om zijn Heer te verlaten? Wanneer men zegt, dat de mens terecht lijdt, betekent dit niet, dat hij lijdt op grond van een recht, dat de duivel op hem heeft, maar dat hij op grond van Gods rechtvaardig oordeel wordt getroffen. De schuldbrief is immers geen eigendom van de duivel. Er kan geen recht van de duivel op de kwelling van de mens vastgesteld worden. God kon tot bevrijding van de mens zonder meer van zijn macht gebruik maken.

Anselmus: Wanneer wij zeggen, dat God iets dat gering of zwak is heeft ondergaan, dan doelen wij hiermee niet op zijn hoge natuur, die niet lijden kan, maar op de zwakke menselijke natuur die Hij bezat. In de menswording ligt voor Hem geen vernedering, integendeel, wij geloven, dat hierin de menselijke natuur is verhoogd.

Boso: Maar als Hij de zondaren niet anders kon bevrijden, dan door de rechtvaardige te veroordelen, waar is dan zijn almacht? Hoe kan het recht zijn, de rechtvaardigste aller mensen over te geven in de dood voor de zondaar? Is niet iedereen schuldig, die een onschuldige veroordeelt om een schuldige te bevrijden?

Anselmus: Hij heeft zelf, volgens zijn eigen wil, de dood gedragen om de mens te bevrijden. Volgens mij zie je niet goed hoe hij hierin de gehoorzaamheid bewaarde, zonder dat de gehoorzaamheid zelf dit vorderde. God heeft Christus, in wie geen zonde was, namelijk niet gedwongen om te sterven. Hij heeft vrijwillig de dood ondergaan. Niet uit gehoorzaamheid liet hij het leven, maar in gehoorzaamheid handhaafde hij de gerechtigheid en hij heeft daarin zo volhard, dat hij uiteindelijk daardoor de dood vond. Het is waar, dat de Vader de dood van de Zoon wilde, omdat Hij de redding der wereld slechts door deze grote daad van een mens wilde. Men kan daarom van God zeggen, dat Hij trekt of aandrijft als Hij een mens de wil hiertoe geeft, maar met die trekking of aandrift wordt echter geen noodzakelijke dwang bedoeld. Waar het hier om gaat is een vrijwillig en gekozen volharden in een ontvangen goede gezindheid. Omdat de wil van de Zoon de Vader behaagde en Hij hem niet verhinderde in zijn willen of in het volbrengen van wat hij wilde, kunnen wij terecht zeggen, dat Hij wilde, dat de Zoon de dood vol liefde onderging, ofschoon zijn pijn Hem niet behaagde.

Boso: Maar hoe kan dan worden aangetoond, dat die dood redelijk en noodzakelijk is. Want het schijnt Gode onwaardig om de mens op deze wijze te willen behouden en het blijkt niet welke betekenis deze dood had voor het behoud van de mens.

Anselmus: Het is noodzakelijk voor de mens, dat hij vergeving der zonden ontvangt om tot zaligheid te komen. Zondigen is niets anders dan God het verschuldigde niet geven. Wie God niet geeft wat hij Hem verschuldigd is, onthoudt Hem wat het zijne is en onteert Hem daarmee. Zolang hij niet teruggeeft wat hij heeft geroofd, blijft hij in schuld. Zonde vergeven zonder verzoening is niets anders dan ze door de vingers zien. Als de zonde echter niet bestraft wordt, wordt er iets onordelijks toegelaten. En dat is niet juist, want voor de gerechtigheid van de mens geldt de wet. Als de zonde echter niet wordt verzoend of bestraft, staat zij onder geen wet. De ongerechigheid wordt daardoor aan God gelijk gesteld, omdat Hij ook onder geen wet staat. Daarom behoort het niet tot zijn vrijheid of goedheid of wil om de zondaar, die God geen genoegdoening geeft, ongestraft te laten. Wanneer God het allergrootste en het allerbeste is, dan handhaaft de hoogste gerechtigheid (dat is Hijzelf) niets in de wereld met meer recht dan zijn eer. Derhalve moet of de ontnomen eer worden hersteld of de straf volgen.

Boso: Als God nu zo zijn eer moet handhaven, waarom laat Hij dan toe, dat die eer wordt geschonden?

Anselmus: Op zichzelf genomen kan aan Gods eer niets worden toegevoegd of afgedaan. Een mens of boze engel, die zich aan Gods wil niet wil onderwerpen, kan deze gewoonweg niet ontvluchten, omdat hij als vanzelf onder de straffende wil komt, als hij de gebiedende wil ontloopt. Zo komt zelfs uit het kwade nog het goede voort, als de voldoening voor de verkeerdheid de schoonheid der orde wordt gehandhaaft. Het staat vast, dat God had besloten uit de mensheid, die Hij zonder zonde schiep, het getal der gevallen engelen te herstellen. Dit wordt nodig geacht, omdat anders het aantal der met rede begaafde natuur onvolkomen blijft. Ik ben echter geneigd aan te nemen, dat de engelen het volmaakte aantal, waarin de bovenaardse stad haar voltooiing vindt, niet vormden. De mensheid immers is om haarzelf geschapen en niet slechts om de afzonderlijke wezens van een andere natuur te vervangen. Niemand kan daarom zeggen dat hij daar slechts is opgenomen om een ander, die gevallen is, te vervangen. Niemand mag dan ook reden hebben om zich over eens anders verderf te verblijden. Wij veronderstellen dus, dat God zich van de aanvang af heeft voorgesteld, deze met rede begaafde en zalige gemeenschap tezamen met de aardse en redeloze natuur te volmaken. Kortom: deze gemeenschap was naar haar aantal reeds volmaakt, doch niet in bevestiging. De engelen vormden niet het volmaakte aantal. De bovenaardse stad moest uit de mensen vervuld worden. Daarom zullen er meer uitverkoren mensen, dan verworpen engelen zijn. Maar kun je je indenken, dat een mens, die wel zondigde en God nooit voor zijn zonde voldoening gaf, maar slechts ongestraft wordt gelaten, de gelijke wordt van een engel, die nooit zondigde?

Boso: Nee.

Anselmus: Het betaamt God dus niet de zondige mens zonder voldoening aan te nemen ter vervanging van de gevallen engelen, omdat de waarheid niet duldt, dat hij wordt verheven tot gelijkheid met de zaligen. Hij wilde de mens met de engelen laten verkeren en liet toe, dat de duivel hem in het slijk der zonde neerwierp. Zou God dan de mens zonder enige wassing, dat is voldoening, in het paradijs terugbrengen? Houd het dan als onomstotelijk vast, dat God zonder voldoening, dat is zonder vrijwillige betaling der schuld, de zonde niet ongestraft kan laten en dat ook de zondaar zo niet tot zaligheid kan komen, want zo zou de mens niet hersteld worden in de staat, waarin hij was voor hij zondigde. En ook dit zal je, naar ik vertrouw, niet betwijfelen, dat de voldoening zich moet richten naar de maat der zonde.

Boso: Als ik mijzelf Hem schuldig ben om niet te zondigen (door Hem het verschuldigde te onthouden), dan heb ik niets dat ik voor mijn zonde kan geven.

Anselmus: Wij zondigen als wij iets, hoe klein ook, tegen Gods wil doen. Toch staan wij steeds voor zijn aangezicht en beveelt Hij ons steeds dat wij niet zondigen. Daarom voldoe je niet als je niet iets groters teruggeeft dan dat waarvoor je de zonde niet moest doen. De mens werd in het paradijs zonder zonde geschapen. Hij was als het ware voor God tussen God en de duivel geplaatst. Hij zou de duivel overwinnen door geen gehoor te geven aan zijn opwekking tot zondigen. Zo zou hij God rechtvaardigen en verheerlijken. De mens had dit gemakkelijk kunnen doen. Geen geweld dwong hem tot de zonde. Maar door overreding liet hij zich vrijwillig overwinnen en handelde tegen de wil en de eer van God. Oordeel dan zelf of het niet met Gods eer in strijd is, dat de mens, beladen met de gruwelijke daad van deze belediging, opnieuw met God verzoend wordt. Moet hij niet eerst God daardoor eren, dat hij de duivel overwint, zoals hij Hem heeft onteerd door zich te laten overwinnen? Daarom moet de mens de duivel overwinnen, zodat hij in geen enkel opzicht zondigt. Dit kan de mens niet doen, zolang hij uit de wonde van de eerste zonde wordt ontvangen en in zonde wordt geboren. Door de nederlaag van de mens trok de duivel aan zich en verloor God wat van God was; zo moet ook de duivel dit door de overwinning van de mens weer verliezen en God het terugontvangen. Kortom: de mens moet noch kan van God ontvangen, wat God zich voorstelde hem te geven, als hij God niet alles teruggeeft, wat hij Hem ontnam. Wanneer God wat de mens vrijwillig geven moet, daarom loslaat, omdat hij het niet geven kan, wat betekent dit anders, dan dat God prijsgeeft wat Hij toch niet verkrijgen kan? Van zulk een barmhartigheid bij God spreken zou spotternij zijn. God kan dus onmogelijk op deze wijze barmhartig zijn, evenmin als Hij met Zichzelf in tegenspraak kan wezen.

Boso: Maar hoe wordt de mens dan zalig, als hij zijn schuld niet kan betalen en zonder betaling niet behouden kan worden?

Anselmus: De mens kan behouden worden of door Christus of op een andere wijze of in het geheel niet. Dat hij niet behouden kan worden of op een andere wijze is onwaar. Derhalve geschiedt het door Christus.

Boso: U hebt mij met verstandelijke beredenering hiertoe gebracht dat ik zie, dat de zondige mens voor de zonde aan God schuldig is, wat hij niet geven kan en dat hij zonder betaling der schuld niet kan behouden worden. Daarom vraag ik, dat u mij uitlegt hoe ik kan inzien waardoor het heil van de mens wordt verwerkelijkt en hoe God in zijn barmhartigheid de mens behoudt.

Tweede Boek

Anselmus: Het laat zich bewijzen, dat de mens macht heeft ontvangen om goed en kwaad te onderscheiden en het grotere goed meer lief te hebben en te verkiezen om Zijns naams wil. Hij kan dit echter slechts doen als hij rechtvaardig is. Daarom is het redelijk schepsel recht geschapen, opdat het door het genieten van het hoogste goed zalig zou zijn. Het is in strijd met Gods wijsheid en gerechtigheid om de mens zonder schuld te noodzaken de dood te ondergaan. Wanneer de mens niet had gezondigd, zou hij met hetzelfde lichaam, waarin hij leefde, tot de onverderfelijkheid zijn ingegaan. Het was Hem echter bij de schepping van de mens niet verborgen, wat hij doen zou. Daarom verplichtte Hij zich in zijn goedheid door de schepping als het ware vrijwillig, om het begonnen goed te voleindigen. Dit kan alleen dan geschieden als iemand God voor de zonde van de mens iets betaalt. Daar komt bij, dat alleen Hij zelf deze voldoening kan bewerken. Dit werk kan dus alleen door de Godmens volbracht worden. De vraag is nu hoe God mens kan zijn. De Godmens kan uit de goddelijke en menselijke natuur noch door verandering van de ene in de andere, noch door vermenging van beide tot een derde tot stand komen. De Godmens moet echter volkomen God en volkomen mens zijn. Op vier manieren kan God een mens voortbrengen:

  • uit man en vrouw, zoals de gewone loop der dingen toont;
  • zonder man en vrouw, zoals Adam werd geschapen;
  • uit een man zonder vrouw, zoals Eva werd geschapen;
  • uit een vrouw zonder man, wat Hij nog niet deed.

Het is het meest aannemelijk van de Zoon van de Drie-eenheid vlees werd. Wanneer een andere persoon vlees werd, zouden er twee zonen in de Drie-eenheid zijn, namelijk de zoon Gods en de zoon van de maagd. Zou de Vader vlees geworden zijn dan zouden er twee kleinzonen in de Drie-eenheid zijn: het kind van de maagd en het woord. Bovendien klinkt het beter dat de zoon de Vader smeekt dan andersom. Wij kunnen van deze Christus zeggen, dat hij kon zondigen, als erbij verondersteld wordt “indien hij wilde”. Omdat hij niet tegen zijn wil kon en wilde zondigen, zegt men dat hij niet kon zondigen. Daarom kon hij zondigen en ook niet zondigen. Daarom zal deze mens, die tegelijk God is, al het goede dat hij zal hebben, van zichzelf hebben, niet uit noodzaak, maar uit vrije keuze en dus van zichzelf rechtvaardig en lofwaardig zijn. Boso: Ik zie nu duidelijk, dat hij niet zal kunnen zondigen en toch om zijn gerechtigheid lof zal verdienen.

Anselmus:Laten wij dan zeggen, dat hij niet zal moeten sterven, omdat hij geen zondaar zal zijn. Maar indien hij wil, zal hij zijn leven kunnen afleggen en weer opnemen. Om de schuld te kunnen inlossen, moet hij echter iets groters hebben dan alles wat buiten God bestaat, dat hij vrijwillig en niet uit verplichting aan God geeft. Laten wij een bekijken, of dit misschien hierin bestaat, dat hij tot Gods eer zijn leven aflegt of zich overgeeft aan de dood. Want God kan dit immers niet van hem eisen, omdat hij niet heeft gezondigd. Daarom kan de mens zich niet volkomener aan God geven, dan wanneer hij zich tot zijn eer aan de dood overlevert.

Boso: Waarom zal die mens niet evengoed werkelijk onwetend kunnen zijn, als hij werkelijk sterfelijk zal wezen?

Anselmus: Onwetendheid zou hem tot niets nuttig zijn, maar in velerlei opzicht schadelijk. Hoe zou hij die vele en grote dingen zonder de wijsheid volbrengen? Onwetendheid kan hij niet met wijsheid aannemen, omdat zij nooit nuttig, maar altijd schadelijk is. Hij zal daarom volledige kennis bezitten, al toont hij die niet in het openbaar in zijn omgang met de mensen. Hij zal steeds vol van God als van zichzelf zijn en daarom nimmer zonder goddelijke macht, kracht of wijsheid wezen.

Boso: Nu vraag ik u, dat u mij laat zien, hoe zijn dood opweegt tegen het getal en de grootte aller zonden.

Anselmus: Een krenking van het lichamelijke leven van deze mens kan met geen zondenschuld vergeleken worden. Denk je niet dat zo’n groot en beminnelijk goed als losprijs voor de zondenschuld voldoende kan zijn? Het leven geven is de dood aannemen. Dus weegt het aannemen van de dood evenals het geven van dit leven op tegen alle zonden der mensen. Wat vraag je nog meer? Je ziet de redelijke noodzakelijkheid dat de hemelstad uit de mensen moet worden voltooid; verder dat dit de vergeving der zonden onderstelt, die echter geen mens verkrijgen kan, tenzij door een mens die tevens God is en door zijn dood de zondige mensen weder met God verzoent. Zo hebben wij zonder twijfel Christus gevonden, die wij als God en mens belijden en van wie wij weten, dat hij voor ons is gestorven. Hoe groot is het, dat God en mens zo in één persoon samenkomen, dat met behoud van de ongeschondenheid van beide naturen dezelfde die God is, ook mens is. Wie zou dan zelfs de gedachte durven koesteren, dat het menselijk verstand in staat is te doorgronden, hoe wijs, hoe wondervol zulk een ondoorgrondelijk werk is geschied?

Boso: Hoe heeft God dan uit de zondige massa, dat is uit het menselijk geslacht, een zondeloze mens aangenomen?

Anselmus: Wanneer het vaststaat, dat God mens moest worden, dan ontbreken Hem zonder twijfel noch de wijsheid, noch de macht, dat dit zonder zonde geschiedt. Zo behoorde de maagd, waaruit die mens, over wie wij spreken, is aangenomen, tot hen, die voor zijn geboorte door hem gereinigd werden en juist in deze reinheid is hij uit haar aangenomen.

Boso: Hoe staat het dan met zijn vrije wil? Want ware hij niet gestorven, dan zou de maagd, waaruit hij aangenomen is niet rein zijn geweest, omdat zij dit slechts heeft kunnen zijn door te geloven in zijn waarachtige dood.

Anselmus: Je zou kunnen zeggen, dat hij zijn dood moest willen, opdat hij de wil om te sterven moest hebben, omdat hij dat wat hij was ook zijn moest. Omdat de wil van God aan geen noodzaak is onderworpen, maar uit eigen macht handelt, en de wil van deze mens de wil van God was, is hij niet uit noodzaak maar alleen uit eigen macht gestorven. Men zegt oneigelijk van God dat Hij iets niet kan of iets doet uit noodzaak. Als men zegt dat God iets niet kan, wordt geen macht aan Hem ontzegd, maar drukt men veeleer zijn onveranderlijke mogendheid en kracht uit. Wanneer wij dus zeggen, dat God altijd de waarheid moet zeggen en nimmer kan liegen, is dit niets anders dan dat Hij zo standvastig de waarheid handhaaft, dat geen ding kan bewerken, dat Hij de waarheid niet zegt of dat Hij liegt. Wanneer wij derhalve zeggen, dat die mens moest sterven, dan schrijft men hem geen onvermogen toe om zijn leven onsterflijk te bewaren, maar veeleer drukt men de onveranderlijkheid uit van zijn wil om in deze te volharden en te sterven. En wil je tenslotte de eigenlijke noodwenigheid van alles wat hij deed en leed kennen, weet dan, dat dit alles noodzakelijk was, omdat hij het wilde. Geen enkele noodzaak ging echter aan zijn wil vooraf!

Boso: De eigenlijke vraag was, waarom God mens is geworden, opdat hij door zijn dood de mens kon bevrijden, terwijl dit voor hem, naar het schijnt ook op andere wijze mogelijk was. Hierop hebt u geantwoord:

  • de wederherstelling der menselijke natuur kon niet achterblijven
  • deze kon slechts geschieden, wanneer de mens, wat hij God voor de zonde schuldig was, betaalde
  • deze schuld was zo groot dat slechts God kon betalen
  • daarom moest God de menselijke natuur in eenheid van persoon aannemen
  • deze gestalte moest uit een maagd voortkomen en door de Zoon worden aangenomen het leven van zo’n mens is zo kostbaar dat het voldoende is om de schuld van de hele wereld te betalen Er blijft nu nog over, te laten zien, hoe dat leven aan God ter voldoening voor de zonden der mensen wordt overgegeven.

Anselmus: Hij offerde vrijwillig aan de Vader, wat hij nimmer had behoeven te verliezen en betaalde voor de zondaren, wat hij voor zichzelf niet verschuldigd was. Daarin gaf hij een voorbeeld, opdat ieder zich aan God zal overgeven. Omdat de Here Jezus de dood wilde ondergaan en het hem vrijstond te lijden of niet te lijden, moest hij doen wat hij deed, omdat hetgeen hij wilde, geschieden moest. Aan de andere kant moest hij het niet doen, omdat hij daartoe niet verplicht was. Laten wij nagaan hoe hieruit de redding der wereld volgt. Immers, wat moets hem vergolden worden, die niets mist en wie niets te geven of kwijt te schelden is? Het loon moet dus aan een ander gegeven worden. En aan wie zou de Zoon de vrucht van zijn dood beter toekennen dan aan hen, tot wier verlosssing hij zich tot mens gemaakt heeft? Kan men zich een groter erbarmen voorstellen, dan wanneer God de Vader tot de zondaar zegt: neem mijn Zoon, en de Zoon zelf: neem mij en koop u vrij. Want zo spreken zij als het ware. Deze mogelijkheid is er echter niet voor de gevallen engelen, aangezien zij alleen verlost kunnen worden door een God-engel, die voor hen sterft. En dat is niet mogelijk.

banner_mjdehaan_2010

Aantal keren bekeken: 2513

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.