Israël als wereldmacht I

De meeste mensen denken dat Israël ten tijde van de Bijbelse geschiedenis van weinig betekenis is geweest voor de omringende landen. Persoonlijk wist ik al wel dat het land onder koning David en Salomo een ongekende bloeitijd heeft gekend, waarin de landsgrenzen werden verlegd tot aan de Eufraat en Egypte. Maar Steven M. Collins gaat nog een stap verder door te zeggen dat Israël zich in deze periode heeft ontwikkeld tot een wereldmacht. De uitspraken die hij hierover doet, zijn ronduit fascinerend en wat mij betreft… zeer plausibel. Ik wil hieronder proberen samen te vatten wat zijn argumenten zijn, maar eerst is het van belang om een korte schets te geven van de geopolitieke situatie in het Midden Oosten van rond 1000 v.Chr.

De geopolitieke situatie

Het gebied van Mesopotamië heeft diverse grote beschavingen gekend, waaronder die van de Soemeriërs, de Babyloniërs en de Assyriërs. De Soemerische beschaving is de oudste van de drie. De koningslijst die archeologen aan het begin van de twintigste eeuw hebben gevonden, gaat zelfs middels een latere toevoeging terug naar de tijd vóór de zondvloed. Deze toevoeging vertoont opmerkelijke overeenkomsten met de gegevens in het boek Genesis. Rond 1800 v.Chr. is dit Rijk overgegaan in het Babylonische rijk, dat heeft bestaan tot 539 v.Chr. In zijn geschiedenis stond het regelmatig op gespannen voet met het noordelijker gelegen Assyrische rijk dat heeft bestaan van ca. 2000 tot 609 v.Chr. In de elfde eeuw voor Christus wist het Assyrische rijk onder Tiglat Pilezer I (1116-1078 v.Chr.) zijn grondgebied uit te breiden van de Perzische Golf tot aan de Middellandse Zee. Rond 1100 waren landen als Babylonië, Armenië en Syrië allemaal onderhorig aan Assyrië en betaalden schatting. Daarna is de macht van de Mesopotamische landen snel afgenomen tot omstreeks 900 v.Chr. Volgens historici speelden zij tijdens de regeerperiode van David en Salomo geen rol van betekenis (Collins vult dit plaatje verder in).

middenoosten001

Een andere oude beschaving dat ten zuiden van Israël was gelegen, was Egypte. Historici zien de periode van 1570 tot 1070 v.Chr. algemeen als de bloeiperiode van dit land. De beroemdste farao’s zijn allemaal afkomstig uit deze periode en liggen begraven in het legendarische Dal der Koningen. Aan deze periode kwam een einde nadat het centrale gezag van binnenuit was aangetast en het Egyptische koninkrijk uiteenviel. De daarop volgende periode – die de Derde Tussenperiode wordt genoemd (1070-712 v.Chr.) – werd gekenmerkt door een snelle opeenvolging van oorlogen en heersers. Dit heeft de invloed van Egypte in de regio gedurende de regeerperiode van David en Salomo sterk beperkt.

Door de economische en politieke terugval van de bestaande grootmachten kregen anderen de gelegenheid om van zich te laten horen. Ten noorden van Israël, in het gebied dat nu van Libanon en Syrië is, lagen een aantal stadstaatjes, waarvan Tyrus en Sidon de voornaamste waren. Hun bewoners waren een zeevarend volk en zijn in de geschiedenis bekend geworden onder de naam Feniciërs. Meer naar het zuiden, in het gebied dat nu de Gazastrook wordt genoemd, bevonden zich een aantal steden waar de Filistijnen woonden. Saul, de eerste koning van de Israëlieten, sneuvelde nadat hij tegen hen ten strijde was getrokken. Zijn schoonzoon David die op dat moment al koning was over Juda, volgde hem op en werd koning over alle stammen van Israël. Hij versloeg de Filistijnen, Moabieten, Ammonieten, Edomieten en Syriërs en breidde de landsgrenzen van Israël uit tot aan de Eufraat en Egypte. Alle onderworpen volken werden schatplichtig.

Hoewel David door God werd gestraft voor de volkstelling die hij heeft gehouden, weten we hierdoor wel hoe groot het leger is geweest, dat hij op de been kon brengen.

“Joab meldde de uitkomst van de volkstelling aan David: Israël telde één miljoen honderdduizend mannen die de wapens konden hanteren en Juda vierhonderdzeventigduizend. Omdat de opdracht van de koning Joab tegen de borst stuitte, had hij de stammen Levi en Benjamin niet ingeschreven” (I Kron. 21:5-6)

Ondanks de straf die zeventigduizend doden heeft gekost, kon David beschikken over meer dan anderhalf miljoen strijdbare mannen. We mogen hieruit afleiden dat de totale bevolking destijds bestond uit zo’n vijfeneenhalf tot zes miljoen mensen.

Wat verder in deze tekst opvalt, is dat Israël en Juda als aparte entiteiten worden genoemd. Kennelijk vormden zij, ondanks het feit dat zij door één vorst werden geregeerd, geen echte eenheid en was hun samenwerking uitsluitend gebaseerd op hun loyaliteit aan David en later Salomo. Dat dit zo was, blijkt wel uit het tempo waarin het land na de dood van Salomo in twee delen uiteenviel.

Assyrië door David verslagen en verzwakt

Historici verklaren meestal dat David zijn positie te danken heeft aan het feit dat de omringende grootmachten “toevallig” een moment van zwakte hadden. Collins komt echter met een heel andere optie. Hij stelt dat juist David degene is geweest, die Assyrië heeft verslagen en verzwakt. Hoe hij dit heeft gedaan, wordt beschreven in I Kronieken 19, dat handelt over een gewapend conflict tussen David en de machten uit Mesopotamië.

“De Ammonieten beseften dat ze zich bij David onmogelijk hadden gemaakt. Daarom stuurden Chanun en de Ammonieten duizend talent zilver naar de Arameeërs van Naharaïm, Maächa en Soba om strijdwagens en wagenmenners te huren. Ze huurden tweeëndertigduizend strijdwagens en verzekerden zich van de hulp van de koning van Maächa en zijn leger.” (I Kron. 19:6-7)

De Herziene Statenvertaling spreekt hier over “Mesopotamië, Syrië-Maächa en Zoba”. Volgens Collins is de term “Mesopotamië” ruim genoeg om landen als Assyrië, Babylonië en hun vazalstaten bij in te sluiten. Dat dit zo was, ziet hij bevestigd in het enorme aantal strijdwagens dat door de Ammonieten werd ingehuurd. Tweeëndertigduizend wagens kunnen onmogelijk door één enkele vazalstaat worden aangeleverd. Wanneer we in I Koningen 11:26 lezen dat koning Salomo in zijn hoogtijdagen slechts over veertienhonderd strijdwagens beschikte, beseffen we wat een enorm aantal dit is geweest. Dit kon niet door een paar vazalstaten worden opgebracht, maar moest na autorisatie door een grootmacht vanuit een groot aantal verschillende landen worden aangeleverd. (In I Kronieken 18:4 lezen we nog dat David duizend strijdwagens heeft buitgemaakt op de koning van Soba. We mogen dus aannemen dat de voorraden van de vazalstaten behoorlijk waren uitgedund.)

Collins plaatst een belangrijke kanttekening bij de aanleiding voor deze strijd. Hij ontkent niet dat koning Chanun de gezanten van David zou hebben geschoffeerd, zoals I Kronieken 19 beschrijft, maar hij kan niet geloven dat de Ammonieten dit uit onbezonnenheid hebben gedaan, alsof zij niet beseften wie zij tegenover zich hadden. Zij wisten wat David had gedaan nadat hij Moab en Edom had verslagen.

“Ook de Moabieten versloeg hij. Hij dwong hen op de grond te gaan liggen en mat de rij af met een touw: twee derde van de rij moest worden gedood en één derde mocht in leven blijven.” (II Sam. 8:2)

“Toen Davids legeraanvoerder Joab tijdens de veldtocht tegen Edom de gesneuvelden ging begraven, had hij daar alles wat mannelijk was gedood. Zes maanden was Joab net het leger in Edom gebleven, tot hij er alles wat mannelijk was had uitgeroeid.” (I Kon. 11:15-16)

Koning David stond bekend als iemand die niet met zich liet sollen. Ook Ammon had hij reeds tot een vazalstaat van Israël gemaakt en de Ammonieten moesten hem schatting betalen. In I Kronieken 18:11 hadden zij veel goud en zilver aan hem overgedragen. Volgens Collins konden zij hierdoor de hulptroepen die zij nodig hadden, slechts met zilver betalen. Ik betwijfel of dit het geval is geweest. Collins doet hier wat minachtend over, maar duizend talenten zilver was toch echt een flink bedrag, aangezien één talent zilver gelijk stond aan ongeveer twintig jaarsalarissen. In II Kronieken 25:6 kunnen we lezen dat koning Amasja van Juda honderd talenten zilver betaalde om honderdduizend geoefende krijgers in te huren. Ik acht het daarom heel aannemelijk dat het bedrag dat de Ammonieten hadden afgezonderd, redelijk marktconform was, ofschoon we niet precies weten hoe groot hun leger van huurlingen was.

“Toen de Ammonieten zagen dat zij zich bij David in een kwade reuk hadden gebracht, stuurde Hanun met de Ammonieten duizend talent zilver om wagens en ruiters voor zich te huren uit Mesopotamië, uit Syrië-Maächa en uit Zoba.” (I Kron. 19:6 HSV)

Wanneer de Bijbel melding maak van de term “Mesopotamië”, kan dit volgens Collins betrekking hebben op alle landen in dit gebied, inclusief Assyrië en Babylonië. In de tekst wordt melding gemaakt van 32.000 strijdwagens en het leger van de koning van Maächa. Dat het om een groot aantal mensen ging, blijkt m.i. wel uit het enorme bedrag dat de Ammonieten voor hun huurlingen hebben betaald. Collins schat dat er misschien wel honderdduizenden mannen bij de strijd betrokken waren. Hij onderbouwt dit mede door Psalm 83 met deze veldslag te verbinden. Deze psalm is geschreven door Asaf, een leviet en tijdgenoot van koning David, die door hem was aangesteld als zanger in de tabernakel. Van alle samenzweringen die tegen Israël zijn beraamd, past hetgeen in I Kronieken is beschreven, het beste bij de inhoud van deze psalm.

“Zij hebben samen plannen gesmeed
en zich tegen u verenigd:
de tenten van Edom en de Ismaëlieten,
Moab en de zonen van Hagar,
Gebal en Ammon en Amalek,
Filistea en de bewoners van Tyrus.
Zelfs Assyrië heeft zich aangesloten
en de hand gereikt aan de zonen van Lot.”
(Ps. 83:6-9)

Volgens Collins wordt met de term “zonen van Lot” verwezen naar de Ammonieten. Zij zijn immers de afstammelingen van Ben-Ammi, de zoon van Lot. (Gen. 19:38). Hij suggereert dat David er met zijn expansiedrift voor heeft gezorgd dat alle landen in de regio zich door hem bedreigd voelden, wat m.i. heel goed mogelijk is. De Israëlieten waren al niet geliefd sinds zij vanuit de woestijn het land waren ingetrokken. Nu was hun macht zo ver gegroeid dat de Filistijnen, Edomieten, Moabieten en Amalekieten tot vazalstaten van Israël waren gemaakt en aan David een forse schatting moesten betalen. Dit werd hen niet in dank afgenomen. Doordat David met zijn leger helemaal tot aan de Eufraat oprukte, is het heel aannemelijk dat zelfs Assyrië de opkomst van Israël met argusogen heeft gevolgd. Israël was meer dan ooit een steen des aanstoots voor de gehele regio.

Wanneer Psalm 83 zegt dat Assyrië “de hand heeft gereikt” aan de zonen van Lot, wordt bedoeld dat dit machtige land hen zijn medewerking heeft toegezegd en hen op alle mogelijke manieren tot steun is geweest. Maar dit is niet openlijk gebeurd, zo voegt Collins eraan toe, zodat men geen gezichtsverlies zou leiden wanneer de krachtmeting onverhoopt verkeerd mocht uitpakken. Door “de hand te reiken” stel je de ander in de gelegenheid om iets te doen, maar blijf je zelf op de achtergrond. Er werd steun geboden. Veel steun. Alle inspanningen waren erop gericht om het volk Israël te verdelgen (vs 5).

Psalm 83 is vollediger in het identificeren van de tegenstander dan I Kronieken 19. Er worden maar liefst tien volken genoemd, die bij de veldslag betrokken waren: Edom, Ismaëlieten, Moab, de zonen van Hagar, Gebal, Ammon, Amalek, Filistea en Assyrië. Allen voelden zich bedreigd door de opmars van het Israëlitische leger. Zoals reeds gezegd was een deel van hen reeds aan Israël onderworpen. Toen het incident met de Ammonieten uitgroeide tot een conflict, zagen zij een kans om het juk dat Israël hen had opgelegd, van zich af te werpen. Wat opvalt, is dat de stad Gebal en inwoners van Tyrus zich bij hen hadden gevoegd. Beide waren Fenicische steden. Collins beweert dat dit slechts een minderheid van de Fenicische bevolking was en koning Hiram hier niet bij hoorde.

De strijd voltrok zich in twee fasen. De eerste fase wordt beschreven in I Kronieken 19:6-14. Het Ammonitische leger stelde zich op bij de stad Meneba, de hoofdstad van Ammon. De huurlingen legerden zich vóór Meneba in het veld. Joab, de Israëlitische veldheer, trok met zijn leger door Jericho oostwaarts en naderde Meneba vanuit het westen. Daar ontdekte hij dat hij door twee fronten in de tang werd genomen. Kennelijk was hij hierdoor verrast, want zijn woorden klonken niet erg optimistisch. Hij splitste het leger in tweeën als poging om uit deze tang te ontsnappen. Het kwam niet in hem op om nu aan een overwinning te denken.

“Als de Arameeërs sterker blijken te zijn dan ik, kom jij me te hulp, en als de Ammonieten sterker blijken dan jij, zal ik jou helpen. Wees sterk! Laten we onze krachten bundelen omwille van ons volk en de steden van onze God; de Here zal doen wat Hij het beste vindt.” (I Kronieken 19:13)

Maar God was met hem. Er wordt in de Schrift in deze fase nog niet van een overwinning gesproken. Er staat slechts dat de Arameeërs op de vlucht sloegen, waarna de Ammonieten zich terugtrokken tot binnen de muren van Meneba. De Nieuwe Bijbelvertaling drukt zich niet helemaal goed uit wanneer zij in vers 16 zegt dat de Arameeërs door Israël “verslagen” waren. Er was hen een slag toegebracht, maar we lezen nergens van een overgave. Ook maakte het Israëlitische leger geen aanstalten om de stad Meneba in te nemen. Kennelijk was er sprake van een impasse. Beide partijen hadden een time-out nodig. “Daarop ging Joab terug naar Jeruzalem,” staat er in vers 15.

Daarna volgde de tweede fase van de strijd. Collins refereert hiervoor aan I Kronieken 19:16-19. Hier wordt inderdaad duidelijk dat de Arameeërs zich nog niet gewonnen gaven. In plaats daarvan hadden zij versterking gezocht en gekregen bij de Arameeërs die aan de andere kant van de Eufraat woonden. Zij hadden een overweldigende legermacht samengesteld, die niet langer streed als een huurling van de Ammonieten, maar zich liet leiden door eergevoel. Toen David hiervan hoorde, zag hij zich genoodzaakt om “alle troepen van Israël” te verzamelen. De HSV heeft het over “heel Israël”, hetgeen erop duidt dat hij alle strijdbare mannen heeft gemobiliseerd. Uit de volkstelling waarover in hoofdstuk 21 wordt gesproken, weten we – zoals hiervoor al is aangegeven – dat dit meer dan anderhalf miljoen mannen waren. Nadat er bij de eerste veldslag 47.000 Aramese soldaten waren gesneuveld, gaven de Arameeërs zich over. Nu onderwierpen ze zich wel aan koning David, hetgeen betekende dat zij zich neerlegden bij hun status als vazalstaat. In de slotfase van de strijd rekende aanvoerder Joab af met de Ammonieten die zich nog steeds in hun hoofdstad schuilhielden. De Nieuwe Bijbelvertaling zegt dat hij hen in stukken liet zagen, maar mogelijk is hier sprake van een verschrijving en heeft hij de Ammonieten aangezet tot dwangarbeid.

“Als hij de manschap die zich in de stad bevindt naar buiten heeft gebracht, zet hij hen aan het werk met de steenzaag, met ijzeren houwelen en met bijlen.” (I Kron. 20:3 Naardense Bijbel)

Hoewel de Bijbel hierover geen informatie geeft, neemt Collins aan dat David ook een vergeldingsoorlog tegen de Assyriërs heeft gevoerd. Behalve het argument dat Davids militaristische karakter hem dit moet hebben ingegeven, meent hij uit seculiere verslagen feiten te kennen, die dit bevestigen en aantonen dat koning David een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan het verval van dit rijk.

  1. Tijdens het bewind van Tiglath- Pileser I (1116-1076 v.Chr.) was Assyrië een groot en sterk imperium, dat zich uitstrekte tot aan de Middellandse Zee. Daarna is deze macht gebroken om tijdens de regeerperioden van David en Salomo verder te verzwakken.
  2. Seculiere verslagen vermelden dat de Assyriërs tijdens het bewind van Assur-rabi II (1012-972 v.Chr.) door de Arameeërs van hun oude grens aan de Eufraat werden verdreven. De Bijbel vermeldt dat het leger van koning David in deze periode de rivier de Eufraat heeft bereikt en een groot Mesopotamisch leger heeft verslagen (ca. 990 v.Chr.). Omdat David de Arameeërs heeft overwonnen en “geknecht”, kan het niet anders dan dat deze Arameeërs in opdracht van David hebben gehandeld. Vermoedelijk hadden zij hiermee weinig moeite, aangezien Assyrië zich vóór de tweede strijd tegen de Israëlieten had teruggetrokken en hen aan hun lot had overgelaten. Collins acht het heel goed mogelijk dat hierbij zelfs Israëlieten betrokken waren. Arameeërs en Israëlieten waren nauw aan elkaar verwant (Deut. 26:1-5) en spraken nagenoeg dezelfde taal, zodat een dergelijke verwarring voor een buitenstaander niet vreemd is.
    3. Tijdens het bewind van Tiglath-Pileser II (966-935 v.Chr.) rukten de Arameeërs op tot aan de Tigris, waardoor Assyrië werd ingeperkt tot het smalste gebied ooit. Het kan geen toeval zijn dat Assyrië zwak bleef zo lang de twaalf stammen van Israël een eenheid vormden.
    4. Tijdens het bewind van Assurdan II (934-912) vochten Israël en Juda een bloedige oorlog uit, die het leven kostte aan meer dan een half miljoen Israëlieten. Dit stelde de omringende landen definitief in de gelegenheid om zich te herpakken (II Kron. 13). Het is geen toeval dat de verzwakking van Israël samenviel met een verzwakking van de Arameeërs, aangezien hun posities door de geopolitieke situatie in die dagen nauw met elkaar verweven waren.

Conclusie

Door de geopolitieke situatie in overweging te nemen, komt Collins tot een interessante en aannemelijke herwaardering van hetgeen beschreven staat in I Kronieken 19.

  • Het incident met de Ammonieten is de aanleiding van een groot politiek conflict waarbij de gehele regio is betrokken.
  • Dit conflict wordt beslecht in het voordeel van Israël, waardoor het land zich tot een wereldmacht kan ontwikkelen, dat via zijn vazalstaten zelfs Assyrië verzwakt.
  • Aan Israëls positie als wereldmacht komt een einde wanneer het land na het overlijden van koning Salomo in twee delen uiteenvalt. De Arameeërs zijn als onderhorig volk niet langer bestand tegen de invallen van Assyrie dat zich nu kan herpakken.
  • In de seculiere geschiedschrijving is de rol van Israël weggevallen ten gunste van de Arameeërs, maar de Bijbelse gegevens laten duidelijk zien dat de Arameeërs door koning David tot overgave zijn gedwongen en de rol van vazalstaat kregen opgelegd.

We zien dat Collins op basis van Bijbelse gegevens komt tot een opzienbarende herinterpretatie van de seculiere bronnen. Ik vind dit buitengewoon fascinerend, maar dit vraagt wel van ons dat we zeer nauwgezet met deze Bijbelse gegevens omgaan. Niet alles wat Collins zegt, is ondubbelzinnig te herleiden uit de Schrift. Om deze reden wil ik hier enkele vragen formuleren, die voor een verdere verdieping kunnen zorgen en de visie van Collins kunnen ondersteunen dan wel weerleggen.

  1. Collins bouwt zijn betoog op aan de hand van het verslag dat we aantreffen in I Kronieken 19. Hij verzuimt echter in te gaan op hetgeen geschreven staat in II Samuël 10. Dit hoofdstuk waarin over dezelfde slag wordt beschreven, bevat enkele significante verschillen ten opzichte van I Kronieken 19. Hoe moeten we deze verschillen verstaan en wat is de impact hiervan op de visie van Collins?
  2. Collins verbindt I Kronieken 19 met Psalm 83. In hoeverre is dit gerechtvaardigd? Psalm 83 maakt weliswaar melding van de zonen van Lot (Ammonieten), maar noemt ook volkeren die we niet tegenkomen in het verslag van I Kronieken 19.
  3. Collins stelt de Israëlieten verantwoordelijk voor het verval van Assyrië. Hoe reëel is dit? Er zitten tientallen jaren tussen de regeerperiode van Tiglat Pilezer I (1116-1078 v.Chr.) en koning David. Is het verval van Assyrië niet al begonnen lang vóór David koning werd?

banner_mjdehaan_2016

[contact-form][contact-field label=’Naam’ type=’name’ required=’1’/][contact-field label=’E-mail’ type=’email’ required=’1’/][contact-field label=’Website’ type=’url’/][contact-field label=’Reactie’ type=’textarea’ required=’1’/][/contact-form]

Aantal keren bekeken: 213

Het Beloofde Land

Steven M. Collins schrijft in zijn boek Origins and Empire of Ancient Israel, dat Amenemhat III de Farao was, die Jozef als onderkoning heeft aangesteld en Jakob het land Gosen heeft gegeven (p. 93). Hij baseert zich hiervoor op het onderzoek van David M. Rohl. Na het overlijden van Jozef zijn de nakomelingen van Jakob in Egypte blijven wonen en uitgegroeid tot een volk. Na verloop van tijd deed zich een kentering in hun situatie voor, waarover God reeds met Abraham had gesproken (Gen. 15:12-14). De Egyptenaren onderwierpen hen en zetten hen in als slaven. Rond 1450 v.Chr. werd het volk onder Farao Dudimose op wonderbaarlijke wijze door God bevrijd en uit Egypte geleid.

Met Collins ben ik van mening dat het volk niet in de Sinaï woestijn heeft verbleven, maar op wonderbaarlijke wijze de Golf van Akaba is overgestoken en bij de berg Jabal al Laws in Midian hun kampement heeft opgeslagen. Dit is de plek waar God hen zijn wet heeft gegeven. Oorspronkelijk was het niet de bedoeling dat het volk veertig jaren lang door de woestijn zou trekken. In Numeri 13 kunnen we lezen dat God aan hun leider Mozes de opdracht gaf om twaalf verkenners uit te zenden, die het land Kanaän moesten onderzoeken. Doordat het volk vol ongeloof was dat de Here hen dit land in bezit zou geven, heeft Hij besloten om deze generatie niet toe te staan het land in te trekken. Dit heeft geleid tot een veertig jaren durende omzwerving in de woestijn.

“Niemand van degenen die mijn majesteit gezien hebben en de wonderen die Ik in Egypte en in de woestijn heb verricht, en die Mij nu al tien keer op de proef gesteld hebben door Mij niet te gehoorzamen, zal het land zien dat Ik hun voorouders onder ede heb beloofd.” (Num. 14:22)

Vreemdelingen

Collins wijst zijn lezers op verschillende details in deze geschiedenis, die minder bekend zijn. Zo wordt vaak over het hoofd gezien dat er niet alleen maar Israëlieten uit Egypte zijn vertrokken. In Exodus 12:38 staat dat er “een grote groep mensen van allerlei herkomst met hen meetrok”. Kennelijk waren er ook andere slaven die hun kans schoon zagen en van de gelegenheid gebruik maakten om zich van de Egyptenaren te bevrijden. Deze niet-Israëlieten werden op dezelfde manier door God gezegend als de Israëlieten. Op basis van Exodus 12:37, waar wordt gesproken over zeshonderd duizend mannen, rekent Collins voor dat wellicht meer dan drie miljoen mensen aan de uittocht hebben deelgenomen. In Numeri 11:4 kunnen we lezen dat “het samenraapsel van vreemdelingen dat met hen meetrok” op het moment dat men voorbereidingen trof om het land Kanaän binnen te trekken, nog steeds bij hen was. Kennelijk heeft God Mozes nooit opgedragen om hen weg te zenden. Integendeel zelfs, in Leviticus 19 draagt de Here het volk juist op om de vreemdelingen die bij hen wonen, te behandelen als geboren Israëlieten.

“Heb hen lief als jezelf, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte. Ik ben de Here, jullie God.” (Lev. 19:34)

Volgens Collins impliceert dit dat er geen raciale motieven ten grondslag liggen aan de opdracht van God om bij de inname van het land Kanaän de bestaande bevolking om te brengen en geen huwelijksverbintenissen met haar aan te gaan. Deze maatregel was nodig omdat deze volken zich zo te buiten waren gegaan aan onreinheid en afgoderij, dat het gevaar groot was dat zij de Israëlieten hiermee zouden besmetten.

“Wanneer u in het land komt dat de Here, uw God, u geven zal, mag u de verfoeilijke praktijken van de volken daar niet navolgen. Er mag bij u geen plaats zijn voor mensen die hun zoon of dochter als offer verbranden, en evenmin voor waarzeggers, wolkenschouwers, wichelaars, tovenaars, bezweerders, en voor hen die geesten raadplegen of doden oproepen. Want de Here verafschuwt mensen die zulke dingen doen, en om die verfoeilijke praktijken verdrijft Hij deze volken voor u.” (Deut. 18:9-12)

Wanneer God met Abraham spreekt over deze periode van slavernij, zegt Hij dat pas de vierde generatie naar het Beloofde Land zal terugtrekken, omdat “pas dan de Amorieten zo veel misdaden hebben bedreven dat de maat vol is” (Gen. 15:16). Deze merkwaardige woorden lijken aan te geven dat God veel geduld met hen heeft gehad en hen ruim de gelegenheid heeft gegeven om zich van hun verfoeilijke praktijken te bekeren. Voor hen is de komst van de Israëlieten een oordeel.

Twee volkstellingen

Het tweede waarop Collins wijst, zijn de volkstellingen die worden gehouden aan het begin en aan het einde van de omzwervingen van Israël door de woestijn. In Numeri 1 wordt per stam het aantal mannen vermeld van 20 jaar en ouder (met uitzondering van de stam Levi). In Numeri 26 gebeurt hetzelfde. Wanneer we dit in een overzicht zetten, zien we het volgende.

volkstelling

Hoewel we bij alle stammen wel een zekere fluctuatie zien, is er één stam die een wel zeer opmerkelijk verschil laat zien: die van Simeon. Hier is het aantal mannen ouder dan 20 jaar met maar liefst 62,6 % afgenomen. Hoe is dit mogelijk? De Bijbel geeft hiervoor geen verklaring. Hoewel in Numeri 25 wordt gesproken over een plaag die 24.000 mensen het leven heeft gekost, lezen we nergens dat een dergelijke straf uitsluitend over de stam Simeon is voltrokken. Collins trekt hieruit de zeer aannemelijke conclusie dat een groot aantal leden van deze stam heeft besloten om niet langer lijdzaam af te wachten tot het moment was aangebroken dat zij het Beloofde Land konden binnengaan. Zij hebben zich afgesplitst van de rest van de Israëlieten en zijn hun eigen weg gegaan. Een mogelijke aanleiding zou de gebeurtenis kunnen zijn, waarover in Numeri 25 wordt gesproken. Daar wordt het volk door een plaag getroffen, omdat zij zich hadden ingelaten met Moabitische vrouwen en hun afgoderij. De Leviet Pinechas maakt hieraan een einde wanneer hij het hoofd van een Simeonitische familie op heterdaad betrapt en samen met de Moabitische vrouw ombrengt.

“Dankzij Pinechas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heb Ik mijn woede tegen de Israëlieten laten varen. Omdat hij bij de Israëlieten voor mij is opgekomen, heb ik hen niet allemaal in mijn afgunst om het leven gebracht.” (Num. 25:11)

Omdat deze daad was gericht tegen een vooraanstaande Simeoniet, kan dit bij de andere leden van de stam voor veel wrevel hebben gezorgd. Wellicht zelfs zo veel wrevel dat zij besloten om de groep te verlaten. Mogelijk zijn kleinere aantallen van andere stammen hen hierin gevolgd. Met name bij de stam Efraïm lijkt dit het geval te zijn. Als houder van het eerstgeboorterecht zou je mogen verwachten dat zij – net als de stam Manasse – een behoorlijke bevolkingsgroei zou hebben doorgemaakt. In plaats daarvan laat zij echter een afname zien van bijna 20%. Feitelijk laten alleen de stammen Manasse, Aser, Issachar en Benjamin een normale demografische ontwikkeling zien. Kennelijk zijn zij als geheel aan de kant van Mozes (en God) blijven staan.

De vraag blijft natuurlijk waarom de Bijbel een dergelijke uittocht niet heeft beschreven. Zou het kunnen zijn dat zij door hun gedrag letterlijk niet meer “meetelden” en daardoor ook niet meer genoemd werden? Wanneer we de afname van het aantal mannelijke leden van 20 jaar en ouder optellen, komen we uit op een aantal van meer dan 60.000 personen. Met de vrouwen en kinderen erbij moet dit een groep zijn geweest met een omvang van meer dan 200.000 personen. Dit maakt het wel begrijpelijk dat God Mozes opdraagt om juist op dit moment een nieuwe volkstelling te houden.

Het is niet met zekerheid te zeggen wat er van deze groep is geworden. In de Bijbel wordt met geen woord meer over hen gesproken. Collins overweegt drie mogelijkheden en enigszins speculatief identificeert hij hen als de Spartanen uit het oude Griekenland. Hij voert hiervoor de volgende argumenten aan.

  1. Flavius Josefus geeft in De Oude Geschiedenis van de Joden aan dat er een bloedverwantschap bestond tussen de Joden en de Spartanen: “Jonathan gaf zijn gezanten de opdracht op de terugreis vanuit Rome ook de Spartanen te bezoeken en hen te herinneren aan de vriendschaps- en verwantschapsbanden van de Joden met hen. [..] Tijdens de terugreis deden de gezanten ook Sparta aan en overhandigden ze de magistraten daar de brief die zij van Jonathan hadden meegekregen. Dit is wat er in de brief stond: ‘[..] Lange tijd geleden werd er door Demoteles een brief van uw koning Areüs over de verwantschap die er tussen ons en u bestaat naar onze hogepriester Onias gebracht. Een afschrift hiervan is toegevoegd. Deze brief hebben wij met blijdschap ontvangen en wij hebben ons uiterst welwillend tegenover Demoteles en Areüs opgesteld, hoewel wij aan zo’n bewijsstuk geen behoefte hadden omdat het allemaal al voldoende is aangetoond in onze heilige geschriften. Wij hebben het tot nu toe niet opportuun geacht over deze verwantschap te beginnen om niet de schijn te wekken dat wij ons maar al te graag de eer toe-eigenden die u ons bewees. En hoewel er een lange tijd is verstreken vanaf het moment dat wij onze verwantschap overdachten, bidden wij nog steeds tot God voor uw welzijn en militaire successen, wanneer wij op onze heilige dagen en feestdagen offers brengen.” (Boek 13, 164, 166-168)
    Deze gebeurtenis is te dateren rond 330-309 v.Chr. en geeft aan dat de Spartanen door de Joden werden gezien als afstammelingen van een Israëlitische stam. Wanneer zij heidenen waren geweest, hadden de Joden hen beslist geen bloedverwanten genoemd. Deze geschiedenis wordt ook vermeld in I Makkabeeën 12:5-23 en 14:16-23.
  2. Simeon stond bekend om zijn gewelddadigheid (Gen. 34:25-31, 49:5-7). Dit past bij het temperament van de Spartanen die zich ook door het zwaard lieten leiden.
  3. De Spartanen hadden een viering bij de nieuwe maan en de zevende dag van de maand. Dit kan zijn herkomst hebben in de Israëlitische kalender en de sabbatsviering. (Arnold H.M. Jones, Sparta, p. 13)
  4. De Spartanen maakten onderscheid tussen verschillende stammen. Dit zou te maken kunnen hebben met het feit dat leden van de andere stammen met de Simeonieten zijn vertrokken. (Arnold H.M. Jones, Sparta, p. 31-32)
  5. De Spartanen hebben in Italië een kolonie gesticht met de naam Tara. Dit zou een verwijzing kunnen zijn naar Terah, de vader van Abraham. (Arnold H.M. Jones, Sparta, p. 11, 22)
  6. De Spartanen onderhielden betrekkingen met Carthago – dat volgens Collins eveneens door Israëlieten was gesticht – terwijl de Grieken hen als hun vijand zagen. (Terrence Wise en Mark Healy, Hannibal’s War with Rome, p. 14)

Het is intrigerend dat de Spartanen worden gezien als “broeders” van de Joden en dat de bewijzen hiervoor zijn terug te vinden in de “heilige boeken”. Omdat over deze bewijzen in de aangehaalde teksten niet wordt uitgeweid, acht ik een verband met een mogelijke uittocht voorafgaande aan de volkstelling in Numeri 26 speculatief, maar niet onmogelijk. De manier waarop over “bewijzen” wordt gesproken, doet ook vermoeden dat de Spartanen over historische kennis beschikten, die niet algemeen bekend was en vanuit de Schrift slechts kon worden bevestigd. Dit past bij de gedachte van een “verzwegen” groep.

Verdeling van het land

Nadat de Israëlieten onder leiding van Jozua het land Kanaän hadden ingenomen, werd het land door loting onder de stammen verdeeld. Daarbij werd ook de belofte aan Kaleb ingelost. Kaleb was één van de verkenners die destijds waren uitgezonden om het land te inspecteren. Hij en Jozua waren de Here trouw gebleven. Zij mochten als enigen van hun generatie het Beloofde Land binnengaan. Als beloning kreeg Kaleb de stad Hebron als erfdeel toegewezen. De stammen Ruben en Gad kregen een deel van het land dat ten oosten van de Jordaan lag. Aan de overige stammen werd een stuk land ten westen van de Jordaan toegewezen. Manasse kreeg aan beide zijden van de Jordaan een stuk land.

Wat bij de verdeling van het land opvalt, is dat Efraïm één van de kleinste gebieden kreeg toegewezen, terwijl het land dat voor Manasse bestemd was, juist opviel door zijn grote omvang aan beide zijden van de Jordaan. Maar beide stammen hebben de zegen van het eerstgeboorterecht ontvangen, waarin hen een grote bevolkingsgroei werd beloofd. Toch kreeg Efraïm maar een klein stukje grond, terwijl het grondgebied van Manasse bijna even groot was als dat van acht andere stammen tezamen! Heeft God Efraïm hier tekort gedaan? Volgens Collins heeft God met de verdeling van het land rekening gehouden met het temperament van de verschillende stammen. Manasse hield zijn leden het liefst bij elkaar in een ruimtelijke omgeving, terwijl Efraïm de voorkeur gaf aan een bescheiden thuisbasis van waaruit zijn leden konden vertrekken om zich elders te vestigen. Heeft God niet gezegd dat Manasse zich tot een groot volk zou ontwikkelen, terwijl Efraïm tot een menigte van volken zou worden? (Gen. 48:19) Het kost mij moeite om hele stammen hetzelfde temperament toe te schrijven, maar ik kan geen andere reden bedenken en moet Collins hierin dus wel gelijk geven.

Ook met de stam Dan is iets merkwaardigs aan de hand. Getalsmatig was Dan de op één na grootste stam. Toch kregen de leden van deze stam maar een klein gebied toegewezen, langs de kust van de Middellandse Zee. Collins merkt op dat de Danieten zich wegens ruimtegebrek hadden opgesplitst en in Syrië een tweede gebied veroverden om zich te vestigen. Dit is niet in overeenstemming met de manier waarop de NBV Jozua 19:47 weergeeft. Daar staat: “Maar de Danieten verloren hun gebied. Ze ondernamen daarom een veldtocht naar Lesem, namen die stad in en doodden iedereen die er woonde.” Dit wordt in Rechters 1:34 bevestigd: “De stam Dan werd door de Amorieten teruggedrongen tot in het bergland en kreeg geen kans om naar de laagvlakte af te dalen.” Ook in Rechters 18:1 wordt hierover geschreven: “Er was in die tijd geen koning in Israël. De stam Dan was nog steeds op zoek naar een eigen grondgebied om zich blijvend te vestigen, want het was de enige stam van Israël waaraan nog geen grondgebied was toegevallen.” De weergave van de Herziene Statenvertaling sluit wellicht beter aan bij wat Collins zegt.

“Maar het gebied van de nakomelingen van Dan was voor hen te klein uitgevallen. Daarom trokken de nakomelingen van Dan op en streden tegen Lesem, namen het in, sloegen het met de scherpte van het zwaard, namen het in bezit en gingen er wonen. En ze noemden Lesem Dan, naar de naam van hun vader Dan.” (Joz. 19:47)

“En de Amorieten drongen de Danieten het Bergland in, want zij lieten hun niet toe af te dalen naar het dal.” (Richt. 1:34)

“In die dagen was er geen koning in Israël. En in die dagen zocht de stam van de Danieten voor zich een erfelijk bezit om er te wonen, want tot op die dag was hun onder de stammen van Israël niet voldoende erfelijk bezit toegevallen.” (Richt. 18:1)

Volgens Collins is het een onderscheidend kenmerk van deze stam dat zij meer dan iedere andere stam geografische plaatsen de naam van hun stamvader hebben gegeven. Bovendien dwong het ontbreken van grondgebied hen ertoe om op zoek te gaan naar aanvullende ruimte buiten Kanaän. De “Zeevolken” die rond 1200 v.Chr. het Middellandse Zeegebied onveilig maakten, worden door hem geassocieerd met de stam Dan. Hij voert hiervoor de volgende argumenten aan.

  • Het verschijnen van de Zeevolken valt samen met de periode die in het boek Rechters wordt beschreven.
  • De naam van één van deze volken is terug te voeren tot de stamvader van Dan: Danuna, Danaoi of Dardanieten.
  • In die tijd kende Israël nog geen centraal geleide overheid, waardoor de stam Dan zich onafhankelijk van de andere stammen kon opstellen.
  • De stam Dan was een zeevarend volk: “Dan bleef bij zijn schepen” (Rechters 5:17).
  • Er zijn aanwijzingen dat de Zeevolken op zoek waren naar een nieuw gebied waar zij zich konden vestigen. Zo kwam het voor dat zij vrouwen en kinderen bij zich hadden.
  • De Danieten waren nauw betrokken bij de oude Grieken en worden zelfs genoemd in hun mythen, waar hun stamvader Danaus de “zoon van Belus” wordt genoemd, hetgeen een vergrieksing is van de Kanaänitische god Baäl.
  • Toen de Zeevolken Egypte aanvielen, kwamen zij deels over land vanuit Noord-Kanaän.
  • Voor een deel van de Zeevolken geldt dat zij de besnijdenis praktiseerden.
  • Yair Davidy meent zelfs dat meerdere stammen van Israël hebben deelgenomen aan de acties van deze zeevolken. Hij identificeert Sakara met Issachar en Menesen met Manasse…

Dit zijn allemaal indirecte bewijzen, maar dat geldt ook voor de bewijzen die andere historici hebben aangevoerd om deze Zeevolken te identificeren.

Als laatste nog een kort woord over de Levieten. Zij kregen in tegenstelling tot de andere stammen geen eigen territorium. Aan hen werden verspreid over het land achtenveertig steden toegewezen, waaronder zes zogenaamde “vrijsteden”. Deze steden boden een veilige vluchtplaats voor hen die een ander hadden gedood. Totdat hun rechtszaak was geweest, genoten zij in deze steden bescherming. Deze wijze van organiseren, waarbij de erfelijke priesterklasse in onafhankelijke steden zijn ondergebracht, kan ons volgens Collins behulpzaam zijn bij het identificeren van Israëlitische stammen, nadat zij uit het Beloofde Land zijn verdreven.

levietenGoede en slechte jaren

Vanaf het moment dat de Israëlieten het Beloofde Land binnengingen tot aan de zalving van de eerste koning werd het land als een theocratie bestuurd door een aantal rechters. Het Bijbelboek dat deze periode beschrijft, maakt herhaaldelijk melding van het volgende: “De Israëlieten deden wat slecht was in de ogen van de Here” (Recht. 2:11, 3:7, 12, 4:1, 6:1, 10:6, 13:1). Bij velen heeft dit de indruk gewekt dat de tijd van de rechters zich kenmerkt door anarchie. Maar dit beeld behoeft enige nuancering. Weliswaar wordt deze periode gekenmerkt door een aantal terugkerende cycli waarin ongehoorzaamheid, verdrukking, gehoorzaamheid en vrede elkaar opvolgen, maar wanneer we de perioden van vrede bij elkaar optellen, blijken zij veel langer dan de perioden van oorlog en instabiliteit. De goede jaren overtreffen de slechte jaren maar liefst in een verhouding van 72% – 28%, oftewel 296 goede jaren tegenover 114 slechte jaren! De jaren van ongehoorzaamheid waren dus ver in de minderheid.

rechters

banner_mjdehaan_2015

[contact-form][contact-field label=’Naam’ type=’name’ required=’1’/][contact-field label=’E-mail’ type=’email’ required=’1’/][contact-field label=’Website’ type=’url’/][contact-field label=’Reactie’ type=’textarea’ required=’1’/][/contact-form]

Aantal keren bekeken: 296

Het verbond wordt voortgezet

Het verbond dat God met Abraham heeft gesloten, wordt voortgezet in het nageslacht dat hij met Sara heeft gekregen: zijn zoon Isaak. Steven M. Collins gaat ervan uit dat zowel Abraham als Isaak in contact hebben gestaan met hun voorouders die vóór of vlak na de Vloed hebben geleefd. Deze generatie was zo bijzonder dat het wel heel vreemd zou zijn wanneer iemand geen contact met hen zou willen. Lees verder

Aantal keren bekeken: 154

Abraham, de vriend van God

Het is alweer enige tijd geleden dat ik het boek Onbekend Israël van Steven M. Collins heb gelezen. In dit boek wordt ons een totaal andere visie op de wereldgeschiedenis voorgehouden. De schrijver rekent af met twee gangbare uitgangspunten van de geschiedschrijving, namelijk: [1] geschiedenis als evolutionair proces, en [2] geschiedenis vanuit Grieks-Romeins perspectief. Als alternatief reikt hij de lezer een nieuw historisch model aan, waarbij hij gebruik maakt van [1] Bijbelse gegevens en [2] ontdekkingen van wat ik grenswetenschappen zou noemen. Nadat ik het boek had gelezen, was mijn interesse gewekt en heb ik ook zijn andere boeken besteld. Lees verder

Aantal keren bekeken: 224