Het Beloofde Land

Steven M. Collins schrijft in zijn boek Origins and Empire of Ancient Israel, dat Amenemhat III de Farao was, die Jozef als onderkoning heeft aangesteld en Jakob het land Gosen heeft gegeven (p. 93). Hij baseert zich hiervoor op het onderzoek van David M. Rohl. Na het overlijden van Jozef zijn de nakomelingen van Jakob in Egypte blijven wonen en uitgegroeid tot een volk. Na verloop van tijd deed zich een kentering in hun situatie voor, waarover God reeds met Abraham had gesproken (Gen. 15:12-14). De Egyptenaren onderwierpen hen en zetten hen in als slaven. Rond 1450 v.Chr. werd het volk onder Farao Dudimose op wonderbaarlijke wijze door God bevrijd en uit Egypte geleid.

Met Collins ben ik van mening dat het volk niet in de Sinaï woestijn heeft verbleven, maar op wonderbaarlijke wijze de Golf van Akaba is overgestoken en bij de berg Jabal al Laws in Midian hun kampement heeft opgeslagen. Dit is de plek waar God hen zijn wet heeft gegeven. Oorspronkelijk was het niet de bedoeling dat het volk veertig jaren lang door de woestijn zou trekken. In Numeri 13 kunnen we lezen dat God aan hun leider Mozes de opdracht gaf om twaalf verkenners uit te zenden, die het land Kanaän moesten onderzoeken. Doordat het volk vol ongeloof was dat de Here hen dit land in bezit zou geven, heeft Hij besloten om deze generatie niet toe te staan het land in te trekken. Dit heeft geleid tot een veertig jaren durende omzwerving in de woestijn.

“Niemand van degenen die mijn majesteit gezien hebben en de wonderen die Ik in Egypte en in de woestijn heb verricht, en die Mij nu al tien keer op de proef gesteld hebben door Mij niet te gehoorzamen, zal het land zien dat Ik hun voorouders onder ede heb beloofd.” (Num. 14:22)

Vreemdelingen

Collins wijst zijn lezers op verschillende details in deze geschiedenis, die minder bekend zijn. Zo wordt vaak over het hoofd gezien dat er niet alleen maar Israëlieten uit Egypte zijn vertrokken. In Exodus 12:38 staat dat er “een grote groep mensen van allerlei herkomst met hen meetrok”. Kennelijk waren er ook andere slaven die hun kans schoon zagen en van de gelegenheid gebruik maakten om zich van de Egyptenaren te bevrijden. Deze niet-Israëlieten werden op dezelfde manier door God gezegend als de Israëlieten. Op basis van Exodus 12:37, waar wordt gesproken over zeshonderd duizend mannen, rekent Collins voor dat wellicht meer dan drie miljoen mensen aan de uittocht hebben deelgenomen. In Numeri 11:4 kunnen we lezen dat “het samenraapsel van vreemdelingen dat met hen meetrok” op het moment dat men voorbereidingen trof om het land Kanaän binnen te trekken, nog steeds bij hen was. Kennelijk heeft God Mozes nooit opgedragen om hen weg te zenden. Integendeel zelfs, in Leviticus 19 draagt de Here het volk juist op om de vreemdelingen die bij hen wonen, te behandelen als geboren Israëlieten.

“Heb hen lief als jezelf, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte. Ik ben de Here, jullie God.” (Lev. 19:34)

Volgens Collins impliceert dit dat er geen raciale motieven ten grondslag liggen aan de opdracht van God om bij de inname van het land Kanaän de bestaande bevolking om te brengen en geen huwelijksverbintenissen met haar aan te gaan. Deze maatregel was nodig omdat deze volken zich zo te buiten waren gegaan aan onreinheid en afgoderij, dat het gevaar groot was dat zij de Israëlieten hiermee zouden besmetten.

“Wanneer u in het land komt dat de Here, uw God, u geven zal, mag u de verfoeilijke praktijken van de volken daar niet navolgen. Er mag bij u geen plaats zijn voor mensen die hun zoon of dochter als offer verbranden, en evenmin voor waarzeggers, wolkenschouwers, wichelaars, tovenaars, bezweerders, en voor hen die geesten raadplegen of doden oproepen. Want de Here verafschuwt mensen die zulke dingen doen, en om die verfoeilijke praktijken verdrijft Hij deze volken voor u.” (Deut. 18:9-12)

Wanneer God met Abraham spreekt over deze periode van slavernij, zegt Hij dat pas de vierde generatie naar het Beloofde Land zal terugtrekken, omdat “pas dan de Amorieten zo veel misdaden hebben bedreven dat de maat vol is” (Gen. 15:16). Deze merkwaardige woorden lijken aan te geven dat God veel geduld met hen heeft gehad en hen ruim de gelegenheid heeft gegeven om zich van hun verfoeilijke praktijken te bekeren. Voor hen is de komst van de Israëlieten een oordeel.

Twee volkstellingen

Het tweede waarop Collins wijst, zijn de volkstellingen die worden gehouden aan het begin en aan het einde van de omzwervingen van Israël door de woestijn. In Numeri 1 wordt per stam het aantal mannen vermeld van 20 jaar en ouder (met uitzondering van de stam Levi). In Numeri 26 gebeurt hetzelfde. Wanneer we dit in een overzicht zetten, zien we het volgende.

volkstelling

Hoewel we bij alle stammen wel een zekere fluctuatie zien, is er één stam die een wel zeer opmerkelijk verschil laat zien: die van Simeon. Hier is het aantal mannen ouder dan 20 jaar met maar liefst 62,6 % afgenomen. Hoe is dit mogelijk? De Bijbel geeft hiervoor geen verklaring. Hoewel in Numeri 25 wordt gesproken over een plaag die 24.000 mensen het leven heeft gekost, lezen we nergens dat een dergelijke straf uitsluitend over de stam Simeon is voltrokken. Collins trekt hieruit de zeer aannemelijke conclusie dat een groot aantal leden van deze stam heeft besloten om niet langer lijdzaam af te wachten tot het moment was aangebroken dat zij het Beloofde Land konden binnengaan. Zij hebben zich afgesplitst van de rest van de Israëlieten en zijn hun eigen weg gegaan. Een mogelijke aanleiding zou de gebeurtenis kunnen zijn, waarover in Numeri 25 wordt gesproken. Daar wordt het volk door een plaag getroffen, omdat zij zich hadden ingelaten met Moabitische vrouwen en hun afgoderij. De Leviet Pinechas maakt hieraan een einde wanneer hij het hoofd van een Simeonitische familie op heterdaad betrapt en samen met de Moabitische vrouw ombrengt.

“Dankzij Pinechas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heb Ik mijn woede tegen de Israëlieten laten varen. Omdat hij bij de Israëlieten voor mij is opgekomen, heb ik hen niet allemaal in mijn afgunst om het leven gebracht.” (Num. 25:11)

Omdat deze daad was gericht tegen een vooraanstaande Simeoniet, kan dit bij de andere leden van de stam voor veel wrevel hebben gezorgd. Wellicht zelfs zo veel wrevel dat zij besloten om de groep te verlaten. Mogelijk zijn kleinere aantallen van andere stammen hen hierin gevolgd. Met name bij de stam Efraïm lijkt dit het geval te zijn. Als houder van het eerstgeboorterecht zou je mogen verwachten dat zij – net als de stam Manasse – een behoorlijke bevolkingsgroei zou hebben doorgemaakt. In plaats daarvan laat zij echter een afname zien van bijna 20%. Feitelijk laten alleen de stammen Manasse, Aser, Issachar en Benjamin een normale demografische ontwikkeling zien. Kennelijk zijn zij als geheel aan de kant van Mozes (en God) blijven staan.

De vraag blijft natuurlijk waarom de Bijbel een dergelijke uittocht niet heeft beschreven. Zou het kunnen zijn dat zij door hun gedrag letterlijk niet meer “meetelden” en daardoor ook niet meer genoemd werden? Wanneer we de afname van het aantal mannelijke leden van 20 jaar en ouder optellen, komen we uit op een aantal van meer dan 60.000 personen. Met de vrouwen en kinderen erbij moet dit een groep zijn geweest met een omvang van meer dan 200.000 personen. Dit maakt het wel begrijpelijk dat God Mozes opdraagt om juist op dit moment een nieuwe volkstelling te houden.

Het is niet met zekerheid te zeggen wat er van deze groep is geworden. In de Bijbel wordt met geen woord meer over hen gesproken. Collins overweegt drie mogelijkheden en enigszins speculatief identificeert hij hen als de Spartanen uit het oude Griekenland. Hij voert hiervoor de volgende argumenten aan.

  1. Flavius Josefus geeft in De Oude Geschiedenis van de Joden aan dat er een bloedverwantschap bestond tussen de Joden en de Spartanen: “Jonathan gaf zijn gezanten de opdracht op de terugreis vanuit Rome ook de Spartanen te bezoeken en hen te herinneren aan de vriendschaps- en verwantschapsbanden van de Joden met hen. [..] Tijdens de terugreis deden de gezanten ook Sparta aan en overhandigden ze de magistraten daar de brief die zij van Jonathan hadden meegekregen. Dit is wat er in de brief stond: ‘[..] Lange tijd geleden werd er door Demoteles een brief van uw koning Areüs over de verwantschap die er tussen ons en u bestaat naar onze hogepriester Onias gebracht. Een afschrift hiervan is toegevoegd. Deze brief hebben wij met blijdschap ontvangen en wij hebben ons uiterst welwillend tegenover Demoteles en Areüs opgesteld, hoewel wij aan zo’n bewijsstuk geen behoefte hadden omdat het allemaal al voldoende is aangetoond in onze heilige geschriften. Wij hebben het tot nu toe niet opportuun geacht over deze verwantschap te beginnen om niet de schijn te wekken dat wij ons maar al te graag de eer toe-eigenden die u ons bewees. En hoewel er een lange tijd is verstreken vanaf het moment dat wij onze verwantschap overdachten, bidden wij nog steeds tot God voor uw welzijn en militaire successen, wanneer wij op onze heilige dagen en feestdagen offers brengen.” (Boek 13, 164, 166-168)
    Deze gebeurtenis is te dateren rond 330-309 v.Chr. en geeft aan dat de Spartanen door de Joden werden gezien als afstammelingen van een Israëlitische stam. Wanneer zij heidenen waren geweest, hadden de Joden hen beslist geen bloedverwanten genoemd. Deze geschiedenis wordt ook vermeld in I Makkabeeën 12:5-23 en 14:16-23.
  2. Simeon stond bekend om zijn gewelddadigheid (Gen. 34:25-31, 49:5-7). Dit past bij het temperament van de Spartanen die zich ook door het zwaard lieten leiden.
  3. De Spartanen hadden een viering bij de nieuwe maan en de zevende dag van de maand. Dit kan zijn herkomst hebben in de Israëlitische kalender en de sabbatsviering. (Arnold H.M. Jones, Sparta, p. 13)
  4. De Spartanen maakten onderscheid tussen verschillende stammen. Dit zou te maken kunnen hebben met het feit dat leden van de andere stammen met de Simeonieten zijn vertrokken. (Arnold H.M. Jones, Sparta, p. 31-32)
  5. De Spartanen hebben in Italië een kolonie gesticht met de naam Tara. Dit zou een verwijzing kunnen zijn naar Terah, de vader van Abraham. (Arnold H.M. Jones, Sparta, p. 11, 22)
  6. De Spartanen onderhielden betrekkingen met Carthago – dat volgens Collins eveneens door Israëlieten was gesticht – terwijl de Grieken hen als hun vijand zagen. (Terrence Wise en Mark Healy, Hannibal’s War with Rome, p. 14)

Het is intrigerend dat de Spartanen worden gezien als “broeders” van de Joden en dat de bewijzen hiervoor zijn terug te vinden in de “heilige boeken”. Omdat over deze bewijzen in de aangehaalde teksten niet wordt uitgeweid, acht ik een verband met een mogelijke uittocht voorafgaande aan de volkstelling in Numeri 26 speculatief, maar niet onmogelijk. De manier waarop over “bewijzen” wordt gesproken, doet ook vermoeden dat de Spartanen over historische kennis beschikten, die niet algemeen bekend was en vanuit de Schrift slechts kon worden bevestigd. Dit past bij de gedachte van een “verzwegen” groep.

Verdeling van het land

Nadat de Israëlieten onder leiding van Jozua het land Kanaän hadden ingenomen, werd het land door loting onder de stammen verdeeld. Daarbij werd ook de belofte aan Kaleb ingelost. Kaleb was één van de verkenners die destijds waren uitgezonden om het land te inspecteren. Hij en Jozua waren de Here trouw gebleven. Zij mochten als enigen van hun generatie het Beloofde Land binnengaan. Als beloning kreeg Kaleb de stad Hebron als erfdeel toegewezen. De stammen Ruben en Gad kregen een deel van het land dat ten oosten van de Jordaan lag. Aan de overige stammen werd een stuk land ten westen van de Jordaan toegewezen. Manasse kreeg aan beide zijden van de Jordaan een stuk land.

Wat bij de verdeling van het land opvalt, is dat Efraïm één van de kleinste gebieden kreeg toegewezen, terwijl het land dat voor Manasse bestemd was, juist opviel door zijn grote omvang aan beide zijden van de Jordaan. Maar beide stammen hebben de zegen van het eerstgeboorterecht ontvangen, waarin hen een grote bevolkingsgroei werd beloofd. Toch kreeg Efraïm maar een klein stukje grond, terwijl het grondgebied van Manasse bijna even groot was als dat van acht andere stammen tezamen! Heeft God Efraïm hier tekort gedaan? Volgens Collins heeft God met de verdeling van het land rekening gehouden met het temperament van de verschillende stammen. Manasse hield zijn leden het liefst bij elkaar in een ruimtelijke omgeving, terwijl Efraïm de voorkeur gaf aan een bescheiden thuisbasis van waaruit zijn leden konden vertrekken om zich elders te vestigen. Heeft God niet gezegd dat Manasse zich tot een groot volk zou ontwikkelen, terwijl Efraïm tot een menigte van volken zou worden? (Gen. 48:19) Het kost mij moeite om hele stammen hetzelfde temperament toe te schrijven, maar ik kan geen andere reden bedenken en moet Collins hierin dus wel gelijk geven.

Ook met de stam Dan is iets merkwaardigs aan de hand. Getalsmatig was Dan de op één na grootste stam. Toch kregen de leden van deze stam maar een klein gebied toegewezen, langs de kust van de Middellandse Zee. Collins merkt op dat de Danieten zich wegens ruimtegebrek hadden opgesplitst en in Syrië een tweede gebied veroverden om zich te vestigen. Dit is niet in overeenstemming met de manier waarop de NBV Jozua 19:47 weergeeft. Daar staat: “Maar de Danieten verloren hun gebied. Ze ondernamen daarom een veldtocht naar Lesem, namen die stad in en doodden iedereen die er woonde.” Dit wordt in Rechters 1:34 bevestigd: “De stam Dan werd door de Amorieten teruggedrongen tot in het bergland en kreeg geen kans om naar de laagvlakte af te dalen.” Ook in Rechters 18:1 wordt hierover geschreven: “Er was in die tijd geen koning in Israël. De stam Dan was nog steeds op zoek naar een eigen grondgebied om zich blijvend te vestigen, want het was de enige stam van Israël waaraan nog geen grondgebied was toegevallen.” De weergave van de Herziene Statenvertaling sluit wellicht beter aan bij wat Collins zegt.

“Maar het gebied van de nakomelingen van Dan was voor hen te klein uitgevallen. Daarom trokken de nakomelingen van Dan op en streden tegen Lesem, namen het in, sloegen het met de scherpte van het zwaard, namen het in bezit en gingen er wonen. En ze noemden Lesem Dan, naar de naam van hun vader Dan.” (Joz. 19:47)

“En de Amorieten drongen de Danieten het Bergland in, want zij lieten hun niet toe af te dalen naar het dal.” (Richt. 1:34)

“In die dagen was er geen koning in Israël. En in die dagen zocht de stam van de Danieten voor zich een erfelijk bezit om er te wonen, want tot op die dag was hun onder de stammen van Israël niet voldoende erfelijk bezit toegevallen.” (Richt. 18:1)

Volgens Collins is het een onderscheidend kenmerk van deze stam dat zij meer dan iedere andere stam geografische plaatsen de naam van hun stamvader hebben gegeven. Bovendien dwong het ontbreken van grondgebied hen ertoe om op zoek te gaan naar aanvullende ruimte buiten Kanaän. De “Zeevolken” die rond 1200 v.Chr. het Middellandse Zeegebied onveilig maakten, worden door hem geassocieerd met de stam Dan. Hij voert hiervoor de volgende argumenten aan.

  • Het verschijnen van de Zeevolken valt samen met de periode die in het boek Rechters wordt beschreven.
  • De naam van één van deze volken is terug te voeren tot de stamvader van Dan: Danuna, Danaoi of Dardanieten.
  • In die tijd kende Israël nog geen centraal geleide overheid, waardoor de stam Dan zich onafhankelijk van de andere stammen kon opstellen.
  • De stam Dan was een zeevarend volk: “Dan bleef bij zijn schepen” (Rechters 5:17).
  • Er zijn aanwijzingen dat de Zeevolken op zoek waren naar een nieuw gebied waar zij zich konden vestigen. Zo kwam het voor dat zij vrouwen en kinderen bij zich hadden.
  • De Danieten waren nauw betrokken bij de oude Grieken en worden zelfs genoemd in hun mythen, waar hun stamvader Danaus de “zoon van Belus” wordt genoemd, hetgeen een vergrieksing is van de Kanaänitische god Baäl.
  • Toen de Zeevolken Egypte aanvielen, kwamen zij deels over land vanuit Noord-Kanaän.
  • Voor een deel van de Zeevolken geldt dat zij de besnijdenis praktiseerden.
  • Yair Davidy meent zelfs dat meerdere stammen van Israël hebben deelgenomen aan de acties van deze zeevolken. Hij identificeert Sakara met Issachar en Menesen met Manasse…

Dit zijn allemaal indirecte bewijzen, maar dat geldt ook voor de bewijzen die andere historici hebben aangevoerd om deze Zeevolken te identificeren.

Als laatste nog een kort woord over de Levieten. Zij kregen in tegenstelling tot de andere stammen geen eigen territorium. Aan hen werden verspreid over het land achtenveertig steden toegewezen, waaronder zes zogenaamde “vrijsteden”. Deze steden boden een veilige vluchtplaats voor hen die een ander hadden gedood. Totdat hun rechtszaak was geweest, genoten zij in deze steden bescherming. Deze wijze van organiseren, waarbij de erfelijke priesterklasse in onafhankelijke steden zijn ondergebracht, kan ons volgens Collins behulpzaam zijn bij het identificeren van Israëlitische stammen, nadat zij uit het Beloofde Land zijn verdreven.

levietenGoede en slechte jaren

Vanaf het moment dat de Israëlieten het Beloofde Land binnengingen tot aan de zalving van de eerste koning werd het land als een theocratie bestuurd door een aantal rechters. Het Bijbelboek dat deze periode beschrijft, maakt herhaaldelijk melding van het volgende: “De Israëlieten deden wat slecht was in de ogen van de Here” (Recht. 2:11, 3:7, 12, 4:1, 6:1, 10:6, 13:1). Bij velen heeft dit de indruk gewekt dat de tijd van de rechters zich kenmerkt door anarchie. Maar dit beeld behoeft enige nuancering. Weliswaar wordt deze periode gekenmerkt door een aantal terugkerende cycli waarin ongehoorzaamheid, verdrukking, gehoorzaamheid en vrede elkaar opvolgen, maar wanneer we de perioden van vrede bij elkaar optellen, blijken zij veel langer dan de perioden van oorlog en instabiliteit. De goede jaren overtreffen de slechte jaren maar liefst in een verhouding van 72% – 28%, oftewel 296 goede jaren tegenover 114 slechte jaren! De jaren van ongehoorzaamheid waren dus ver in de minderheid.

rechters

banner_mjdehaan_2015

[contact-form][contact-field label=’Naam’ type=’name’ required=’1’/][contact-field label=’E-mail’ type=’email’ required=’1’/][contact-field label=’Website’ type=’url’/][contact-field label=’Reactie’ type=’textarea’ required=’1’/][/contact-form]

Aantal keren bekeken: 296