New City Catechism. Vraag 3

Vraag: Hoeveel personen zijn er in de Godheid?


Antwoord: De ene waarachtige en levende God kent drie personen: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Zij zijn één in wezen en hebben gelijke macht en heerlijkheid.


Sleuteltekst: “De genade van de Here Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met u allen. Amen.” (2 Korinthe 13:13)

Uitwerking

De leer van de Drie-eenheid is in de kerkgeschiedenis uitgegroeid tot een belangrijk en onopgeefbaar onderdeel van het orthodoxe christelijke geloof. Toch heeft dit dogma heel wat stof doen opwaaien en ook vandaag de dag zorgt het bij velen nog steeds voor verwarring. Sommigen menen dat de Drie-eenheid inhoudt dat God uit drie afzonderlijke godheden bestaat (tritheïsme). Anderen zien hierin alleen maar een onlogische – en dus onjuiste – tegenstrijdigheid. Het staat ons pas vrij om over de Drie-eenheid te spreken, als we eerst stilstaan bij de eenheid van God en begrijpen dat het christelijk geloof een monotheïstische godsdienst is. “Mono” betekent: één, “theos” betekent: God. Dit monotheïstische uitgangspunt is sedert de negentiende eeuw zwaar aangevallen en bekritiseerd, onder meer door de filosoof Friedrich Hegel (1770-1831). Hij had een evolutionistische visie op de geschiedenis ontwikkeld en was van mening dat alle godsdiensten zijn ontstaan uit het primitieve animisme (alle wezens en dingen hebben een ziel). Uit het animisme zou zich eerst het polytheïsme (veelgodendom) hebben ontwikkeld, om vervolgens via het henotheïsme (meerdere goden met één oppergod) uit te groeien tot het monotheïsme. Uiteraard meenden zijn medestanders dat er in de Bijbel ook sporen van deze ontwikkeling zijn te vinden. Sommigen stelden zelfs dat er pas na de Babylonische ballingschap (zesde eeuw v.Chr.) gesproken kon worden van een echt monotheïstische godsdienst. Wij gaan hier niet in mee en houden vast aan de opvatting dat de Bijbel reeds vanaf de eerste bladzijde monotheïstisch van aard is.

  • In Genesis 1 wordt over God gesproken als de (ene) Schepper van (geheel de) hemel en (geheel de) aarde.
  • In Exodus 20 zegt Hij tegen Zijn volk, dat zij “geen andere goden voor Zijn aangezicht mogen hebben.” Hier gaat het er niet om dat er andere goden zouden zijn, maar dat het idee van andere goden niet wordt toegestaan en als afgoderij wordt weggezet.
  • In Deuteronomium 6:4 staan de beroemde woorden van het sjema: “Luister, Israël! De HERE, onze God, de HERE is één!” Zij vormen een krachtig monotheïstisch getuigenis.
  • In de profetische geschriften worden de goden van omringende volkeren niet als concurrenten gezien, maar als krachteloze en onnutte afgoden. De gedachte aan animisme, polytheïsme en henotheïsme wordt door hen belachelijk gemaakt.
  • Ook in het Nieuwe Testament wordt de lijn van het monotheïsme doorgetrokken. Wanneer Paulus op de Areopagus de Grieken toespreekt, heeft ook hij het over de ene God die alles heeft geschapen en in alles voorziet (Handelingen 17).

Je zou zelfs kunnen zeggen dat met name vanwege dit overduidelijk aanwezige monotheïsme de leer van de Drie-eenheid door velen als problematisch werd ervaren. Men begreep niet hoe men in de vroege kerk aan het monotheïsme kon blijven vasthouden en tegelijkertijd op basis van een voortgaande openbaring de goddelijkheid van zowel de Vader, als de Zoon en de Geest kon belijden, zonder het wezen van God op te delen. Deze voortgaande openbaring werd door de vroege kerk nadrukkelijk niet verstaan als een correctie van oudtestamentische opvattingen, maar als een verheldering van een lijn die men in het Oude Testament al verhuld meende aan te treffen.

  • Hierbij kan men bijvoorbeeld denken aan de Godsnaam Elohim die een meervoud is (meer dat twee zelfs) en wordt gebruikt in combinatie met een werkwoordsvorm in het enkelvoud.
  • Ook het feit dat in Genesis 1 naast God ook de Geest van God wordt genoemd, werd als zo’n hint opgevat.
  • Een derde voorbeeld is Psalm 110: “De HERE (Yahweh) heeft tot mijn Here (Adonai) gesproken: Zit aan Mijn rechterhand.” Jezus refereert in Matteüs 22:41-45 aan deze woorden. Hij vraagt hier aan de Farizeeën hoe de Messias tegelijkertijd Zoon van David en Heer van David kan zijn. Kennelijk gaat het hier om een gesprek tussen God de Vader en God de Zoon, maar dit is iets dat door David onmogelijk zo kon zijn begrepen.

In 1 Korinthe 8:6 benadrukt Paulus opnieuw de eenheid van God: “Er is maar één God: de Vader, uit Wie alle dingen zijn, en wij voor Hem.” Maar dan voegt hij er een nieuw element aan toe: “en één Here: Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn en wij door Hem.” Hij stelt hiermee de Vader en de Zoon aan elkaar gelijk voor wat betreft hun goddelijkheid. Het Nieuwe Testament bevat veel aanwijzingen die aan zowel Christus als de Heilige Geest goddelijkheid toeschrijven. Zo zijn de “Ik ben” uitspraken die Jezus doet, verwijzingen naar de Godsnaam Ik-ben-die-Ik-ben. In Johannes 8:58 maakt Hij dit wel heel duidelijk: “Vóór Abraham was geboren, ben ik.” De Joden begrepen heel goed wat Hij hiermee bedoelde, want zij waren hier furieus over. Ook Thomas heeft dit begrepen. Toen Hij Jezus na zijn opstanding ontmoette, riep hij vol verbazing uit: “Mijn Here en mijn God!” (Joh. 20:28) Jezus corrigeerde hem niet, maar liet zich als zodanig aanspreken. De godheid van Jezus komt het duidelijkst tot uitdrukking in de openingsverzen van het Johannes Evangelie: “In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.” De godheid van de Heilige Geest komt het meest nadrukkelijk tot uiting in de doopformule (Mat. 28:19). Ook de zegenbede van Paulus in 2 Korinthe 13:13 getuigt hiervan: “De genade van de Here Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met u allen.” Alles bij elkaar doen het Oude en Nieuwe Testament het beeld ontstaan van één God die Zichzelf kenbaar maakt in drie personen. Het heeft enige tijd geduurd voordat de vroege kerk ging begrijpen hoe zij dit moest verstaan. Het denken hierover werd mede door de verschillende dwaalleringen die de kop opstaken, steeds verder aangescherpt. Vooral tijdens de eerste twee oecumenische Concilies (van Nicea en Chalcedon) heeft men hieraan veel tijd en aandacht besteed. De dwaalleer die in Nicea werd besproken, was het monarchianisme dat de eenheid van God benadrukte ten koste van de drievuldigheid. Eén verschijningsvorm van het monarchianisme was het sabellianisme of modalisme dat leerde dat God uit één Persoon bestaat, die zich in drie verschillende gedaanten of verschijningsvormen heeft geopenbaard. Het adoptianisme was een andere vorm van het monarchianisme, dat leerde dat Jezus slechts een gewoon mens was, die als Gods Zoon werd aangenomen en tijdelijk met het Woord van God vervuld is geweest. De discussie over het monarchianisme werd afgesloten met de geloofsbelijdenis van Nicea (325 n.Chr.). Hierin werd Jezus omschreven als de “eniggeboren Zoon van God, vóór alle tijden geboren uit de Vader. God uit God, licht uit licht, ware God uit de ware God. Geboren, niet geschapen, één in wezen met de Vader, en door wie alles geschapen is.” Hij wordt hier dus nadrukkelijk voorgesteld als uit God geboren en één van wezen met de Vader. Al snel kwamen er nieuwe dwaalleringen met betrekking tot de natuur van Christus bovendrijven. Het monofysitisme verkondigde dat Jezus slechts één natuur had: de goddelijke. Dit stond haaks op de opvatting van de kerk dat stelde dat Christus één persoon was met twee naturen: een goddelijke en een menselijke. Een andere dwaalleer waartegen men zich moest verdedigen, was het nestorianisme, dat gold als tegenhanger van het monofysitisme en verkondigde dat als iemand twee naturen had, er ook automatisch sprake moest zijn van twee personen. Christus was volgens de aanhangers van deze visie dus zowel een goddelijke persoon als een menselijke persoon. Tijdens het Concilie van Chalcedon (451 n.Chr.) werd ter weerlegging van deze dwaalleringen de volgende formulering aangenomen: “De goddelijke natuur van Christus is één van wezen met de Vader (homo-ousios). De twee naturen van Christus, de goddelijke en de menselijke, zijn verenigd in de ene persoon van Christus, maar niet vermengd.” Christus wordt hier dus voorgesteld als waarachtig God en waarachtig mens. Hij heeft twee naturen, waarvan er één goddelijk is en alle goddelijke eigenschappen bezit. Zijn menselijke natuur is als die van ons, alleen dan zonder zonde. De eenheid van beide naturen wordt uitgewerkt door een viertal ontkenningen: onvermengd, onveranderd, ongescheiden en ongedeeld. Om Vader, Zoon en Geest van elkaar te onderscheiden, wordt het woord persoon gebruikt. Dit woord werd gebruikt op het toneel, waar een acteur de rol van verschillende personages speelde door telkens een ander masker op te zetten. Elke rol was een persona. Op dezelfde manier wordt God gezien, als één wezen met drie personae. Dit woord heeft dezelfde lading als het woord subsistentie, dat zoveel betekent als: zich ergens onder bevinden. De drie personae maken namelijk allemaal deel uit van hetzelfde goddelijke wezen. Zij zijn hiervan niet gescheiden, maar we kunnen ze hierin wel onderscheiden. De Vader is God, de Zoon is God en de Geest is God, maar de Vader is niet de Zoon, de Zoon is niet de Geest en de Geest is niet de Vader. Eén wezen met drie subsistenties. Eén van de meest gehoorde bezwaren tegen de leer van de Drie-eenheid, is dat het een onoverkomelijke tegenstrijdigheid zou bevatten. Deze kritiek is echter gebaseerd op een verkeerde toepassing van de wetten van de logica. De Drie-eenheid houdt in dat God één in wezen is en drie in personen. In één opzicht is Hij één, terwijl Hij in een ander opzicht drie is. Pas wanneer Hij in hetzelfde opzicht drie zou zijn, is er sprake van een tegenstrijdigheid. Wanneer het gaat over de Drie-eenheid of de twee naturen van Christus is er geen sprake van een tegenstrijdigheid, maar wel van een mysterie. Deze zaken vallen namelijk zo ver buiten ons referentiekader, dat we niet in staat zijn om ze ten volle te begrijpen. In de Concilies van Nicea en Chalcedon is hierover het maximaal haalbare gezegd. Gebleken is dat men ook daar soms niet verder kwam dan te zeggen wat het niet was, zoals bij de vier ontkenningen. Desondanks heeft de kerk de leer van de Drie-eenheid altijd gehanteerd als een sjibboleth. Dit betekent dat het onderschrijven van de leer van de Drie-eenheid cruciaal werd geacht voor het orthodox christelijke geloof. Het woord sjibboleth is afkomstig uit Richteren 12:6 waar we kunnen lezen dat het als wachtwoord werd gebruikt om de vijand te herkennen. Op dezelfde wijze werd in de Tweede Wereldoorlog het woord Scheveningen gebruikt als een manier om de vijand te herkennen.

Literatuur bij de New City Catechism:

R.C. Sproul, What Is the Trinity?

J.I. Packer, “Trinity” in Concise Theology

Aantal keren bekeken: 371

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *