Het LIFE-Model en de theologie

Inleiding

“Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.” (Mat. 5:45)

Aan iemand die een boek over architectuur heeft geschreven, zal niet naar zijn theologie worden gevraagd. Een arts die uitlegt hoe het menselijk lichaam in elkaar zit, hoeft geen rekenschap van zijn geloof te geven. Maar als een christenpsycholoog beschrijft hoe de ontwikkeling van de mens verloopt, schijnt hij hier niet omheen te kunnen. En als anderen vinden dat hij hierin tekortschiet, circuleert er binnen afzienbare tijd op internet een venijnig, anoniem document dat snoeihard met hem afrekent.  Hoe zou dat toch komen?

In dit artikel wil ik allereerst ingaan op de plaats van kritiek in onze communicatie en in het LIFE-Model. Ik ben de mening toegedaan dat de kritiek vanuit de theologie op de psychologie niet in de juiste proportie plaatsvindt. Toch zou ik haar bijdrage voor geen goud willen missen en denkt ik dat zij onontbeerlijk is voor een gezonde ontwikkeling van het model, mits zij uit de juiste motivatie voortkomt. In het volgende artikel leg ik uit wat ik hiermee bedoel.
Vervolgens wil ik aandacht besteden aan het bijna seculiere taalgebruik dat in het LIFE-Model wordt gebruikt. Zou het niet veel beter zijn geweest als men dicht bij de Bijbel zou zijn gebleven en woorden hebben gebruikt die wij kennen uit ons theologisch referentiekader? Er blijken goede redenen te zijn om dit niet te doen. Toch is het nodig om hier ook de valkuilen te benoemen.
Tot slot ga ik nader in op de verhouding tussen de theologie en het LIFE-Model. Ik ben van mening dat de theologie in deze relatie de leidende partij moet zijn, hetgeen betekent dat zij de kaders vaststelt waarbinnen het LIFE-Model opereert. Hoe deze kaders eruitzien, komt in een later artikel aan de orde.

De plaats van kritiek

Wij zijn allemaal kinderen van onze tijd. Dat betekent dat wij geneigd zijn om de dingen waar te nemen en te beoordelen op een manier die past bij onze cultuur. Zelfs de grootste cultuurcriticus is hieraan onderhevig. Het vergt enorme inspanningen om ons hieraan enigszins te ontworstelen. Inspanningen die bovendien nooit zullen leiden tot een echt ‘objectieve’ kijk op de werkelijkheid. In veel gevallen zal blijken dat mensen niet veel verder komen dan dat zij hun perspectief iets naar het verleden verschuiven. Wij hebben dan te maken met kritiek van conservatieve aard. Anderen zijn meer visionair ingesteld en beschikken over het vermogen om kritische kanttekeningen te plaatsen vanwege een te verwachten negatief effect in de toekomst. Wij hebben dan te maken met kritiek die strategisch van aard is. Een derde groep mensen is kritisch omdat men vindt dat iets in de praktijk niet ‘werkt’. Het verwachte resultaat valt tegen of blijft uit. Ook kan het zijn dat de weg waarlangs het doel wordt bereikt, niet bevalt. Hun kritiek wordt ingegeven door pragmatische overwegingen. Ten slotte is er de groep mensen die kritiek uitoefent op basis van ideologische motieven. Zij laten zich leiden door een specifiek gedachtegoed en zullen geneigd zijn om standpunten en ontwikkelingen hieraan te toetsen. In alle gevallen past bescheidenheid omdat niemand in staat is om alles te overzien en op waarde te schatten, en iedereen zich onder de deken van onze tijd en cultuur bevindt. In alle gevallen geldt dat wij naar elkaar moeten luisteren en van elkaar kunnen leren. Kritiek en wederzijds respect horen bij elkaar.

De leden van het team dat het LIFE-Model heeft ontwikkeld, hebben gekozen voor een werkwijze waarbij kritiek een belangrijke rol speelt. Hun manier van werken lijkt op dat van de grootste softwareontwikkelaar ter wereld: Microsoft. Net als bij het besturingssysteem Windows hebben zij het LIFE-Model in omloop gebracht in de wetenschap dat het model nog niet af is. En net als bij het besturingssysteem Windows geldt dat het model met name door het gebruik in de praktijk gaat groeien en vrucht dragen. De zwakte van het systeem is daarmee tegelijkertijd zijn grote kracht. Uiteraard is het bijzonder vervelend wanneer men tijdens het gebruik tegen ´bugs´ oploopt, maar dit staat niet in verhouding tot het grote gemak dat het systeem zijn gebruiker ondertussen te bieden heeft. Tevens is het zo dat de ontwikkelaars het zich niet kunnen veroorloven om te vervallen in een houding van zelfgenoegzaamheid en toe te staan dat ´bugs´ het hele systeem om zeep helpen. Zij worden gedwongen om ´scherp´ te blijven en open te staan voor alles wat over de werking van hun model wordt gezegd. Met deze informatie kunnen zij hun ontwerp steeds verder uitwerken en verbeteren.

Toch mag hier best gezegd worden dat de psychologie het wat kritiek vanuit de hoek van de theologie betreft, zwaarder te verduren heeft dan de andere wetenschappen. Ik meen dat dit niet is ingegeven door grotere ‘ontsporingen’ van de psychologie, maar dat dit voor een groot gedeelte cultureel is bepaald. Wanneer wij onderzoek zouden doen naar het Bijbelse wereldbeeld, dan zouden wij al heel snel tot de conclusie komen dat daar niet alleen het menselijk gedrag, maar alle aspecten van de werkelijkheid met de Schepper in verband gebracht worden. In zijn brief aan de Romeinen schrijft Paulus: “Wat een mens over God kan weten, is hun bekend omdat God het aan hen kenbaar heeft gemaakt. Zijn onzichtbare eigenschappen zijn vanaf de schepping van de wereld zichtbaar in zijn werken, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid zijn voor het verstand waarneembaar” (Rom. 1:20 ). Met andere woorden: God heeft Zichzelf in de natuur uitgedrukt, zodat deze Zijn glorie weerspiegelt. Zoals men aan een kunstwerk kan zien wie de kunstenaar is, zo kan in de schepping worden waargenomen wie de Schepper is. Met betrekking tot de mens is het al niet anders. Hij wordt in de Bijbel zelfs letterlijk ‘Gods beeld’ genoemd (Gen. 1:27). In hem heeft God het meeste van Zichzelf uitgedrukt. “U hebt hem bijna een god gemaakt, hem gekroond met glans en glorie,” zegt Psalm 8:6. In essentie gaat het hier om Zíjn glans en glorie en hebben zij een verwijzende functie. Uiteindelijk gaat het om Hem.

Niet alleen voor de natuur geldt dat zij een innerlijke verwijzing naar het goddelijke bevat. Ook in de cultuur heeft de mens altijd zijn best gedaan om dit te doen. Dit heeft zelfs zo’n vlucht genomen dat het woord cultuur in de Middeleeuwen de betekenis van aanbidding heeft gekregen. Het is dan ook niet zomaar dat de Vulgata — de Latijnse vertaling van de Bijbel — over cultura Dei (het aanbidden van God) spreekt. In datgene wat de mens tot stand bracht, probeerde hij zo veel mogelijk van zijn dankbaarheid jegens God tot uitdrukking te brengen. Alles wat de moeite waard was, bevatte vingerwijzingen naar Hem. In de kunst en de architectuur van de Oudheid en de Middeleeuwen kunnen we dit nog steeds waarnemen. De cultuur was heel sterk verweven met het religieuze. Dit zien we ook nog terug in het woord cultus dat verwant is aan het woord cultuur en betrekking heeft op het gebruik van bepaalde religieuze rituelen.

In het tijdperk van de Verlichting dat omstreeks 1650 begon, is hierin geleidelijk aan een verandering opgetreden. Meer en meer liet men zich leiden door de ratio (de rede, het verstand), waardoor zich op heel veel terreinen van het leven een verwijdering van het religieuze voordeed. Zo kwam ook de ontwikkeling van de natuurwetenschappen in een stroomversnelling terecht en ontdekte men allerlei wetmatigheden die het mogelijk maakten om natuurlijke reacties te voorspellen. Hierdoor ging men anders denken over hoe God zijn schepping onderhoudt en werd Zijn rol teruggebracht tot die van de Grote Klokkenmaker die het uurwerk nog wel in elkaar heeft gezet, maar geen bemoeienis meer heeft met het draaien van de raderen. In de eeuwen daarna heeft deze verwijdering zich alleen maar versterkt. In de tijd waarin wij leven vindt niemand het meer vreemd als er op al deze terreinen van het leven niet meer over de Schepper wordt gesproken. Dit geldt zelfs voor mensen die zich overtuigd christen noemen.

Er is nog zeker één terrein waar de discussie over het goddelijke nog volop wordt gevoerd: de zielszorg. De ontwikkeling van de psychologie als relatief jonge wetenschap heeft er namelijk toe geleid dat men haar bevindingen is gaan implementeren in het pastoraat. Voor velen was dit echter net een brug te ver. Men kon niet toestaan dat wetmatigheden, technieken en vaardigheden ook hier de plaats van het goddelijke zouden gaan innemen. Bovendien realiseerde men zich dat de psychologie andere uitgangspunten hanteert dan de theologie. Voor de theologie is de mens onherstelbaar gecorrumpeerd door de zonde en kan hij hiervan alleen maar worden verlost door een wedergeboorte die mogelijk is gemaakt door het plaatsvervangend lijden en sterven van de Here Jezus Christus. De psychologie daarentegen gaat er van uit dat de mens in essentie goed is en over een groot vermogen beschikt om van beschadigingen te herstellen. Voor velen zijn deze twee zienswijzen niet met elkaar te verenigen en zij stellen de psychologie onder kritiek. Anderen daarentegen zien wel een mogelijkheid voor de psychologie weggelegd om in het pastoraat te opereren en pleiten voor een strikt onderscheid tussen de ziel (psyche) en de geest. De psychologie zou zich dan vrijelijk op het terrein van de ziel kunnen begeven, terwijl de theologie zich richt op het terrein van de geest.

Ik ben geen voorstander van deze oplossing en wijs iedere ontwikkeling af waarbij de rol van onze Schepper en Heer wordt teruggedrongen. De gehele werkelijkheid komt Hem toe. Het zou dan ook veel en veel beter zijn wanneer we in plaats daarvan op zoek zouden gaan naar wegen en mogelijkheden om in steeds meer levenssferen de naam van onze HERE opnieuw te laten horen en proberen verwijzingen te plaatsen naar Zijn glorie en heerlijkheid. Als het goed is, is dit ook de dieper liggende motivatie achter iedere vorm van kritiek. Niemand zit te wachten op verzuurde reacties die kunnen uitmonden in een tactiek van de verschroeide aarde. Het gaat erom dat wij met elkaar proberen te bouwen aan een wereld die iets meer lijkt op datgene wat de Schepper in gedachte had toen Hij Zijn schepping vormgaf. Het LIFE Model zou ik zo’n poging willen noemen. Het LIFE Model pretendeert niet een wetenschappelijk model te zijn, maar maakt slechts gebruik van de resultaten van de wetenschap. Dit betekent dat de uitgangspunten en de vermeende objectiviteit van de wetenschap niet hoeven te worden gevolgd en de hulpverlener het model vanuit zijn eigen identiteit als christen kan invullen en uitwerken. Maar daarmee is niet alles gezegd. Hoewel de theologie ten diepste geen deel uitmaakt van het LIFE Model — het gaat in het model immers over de vraag hoe mensen tot verandering kunnen komen — kan en mag het hiervan wat mij betreft niet los worden gezien. Mijn stellige overtuiging is dat de theologie niet alleen de ruimte krijgt, maar tevens de kaders bepaalt waarbinnen het LIFE Model opereert (en zeker niet andersom!). Wat dit inhoudt, wil ik in de volgende paragrafen uitwerken. Maar voordat ik dit ga doen, wil ik eerst nog iets anders aan de orde stellen.

Verwijzen in een geseculariseerde omgeving

Wanneer het de bedoeling van het LIFE-Model is om een ideaal van de werkelijkheid te beschrijven, waarom kiest men er dan niet voor om dicht bij het Bijbels spraakgebruik te blijven? Jim Wilder schaamt zich er niet voor om te zeggen dat hij christen is. Dit brengt hij al in het voorwoord van dit boek al naar voren. Ook is hij van mening dat de gemeenschap die een mens nodig heeft, het beste tot uitdrukking komt onder christenen. Toch spreekt hij op een heel algemene, soms zelfs bijna verhullende manier over geestelijke zaken en noemt hij de liefdevolle gemeenschappen waarvan mensen deel uitmaken, met opzet geen ‘kerk’. Waarom is dat? Toen Jim in oktober 2007 in Nederland was, gaf hij hiervoor tijdens een lezing de volgende reden.

‘Mensen hebben de neiging om van woorden die zij herkennen, te denken dat zij ook weten wat hun betekenis is. Zij hebben daarom een sterke voorkeur voor taal waarmee zij vertrouwd zijn, niet omdat dit hen helpt om tot verandering te komen, maar omdat zij zichzelf zo kunnen geruststellen en tegen zichzelf kunnen zeggen dat alles in orde is. In de praktijk heb je dan te maken met mensen die heel goed kunnen praten over vergeving, maar daarvan in hun leven niets laten zien. Om dit te doorbreken moeten zij met andere woorden worden wakker geschud. Dit is zo belangrijk dat — op het moment dat ook deze woorden weer gemeengoed zijn geworden en mensen er niet meer door aan het denken worden gezet — het proces zich weer zal moeten herhalen. Mensen die denken dat zij de taal begrijpen, stellen zichzelf niet alleen gerust, maar hebben ook de neiging om niet meer te luisteren. Dit is vooral het geval bij mensen die weinig geïnteresseerd zijn in verandering. Helaas zijn dit juist vaak de mensen die een verandering het hards nodig hebben.’

Taal is in de allereerste plaats een middel om te communiceren. Als je merkt dat een boodschap niet overkomt, kan het helpen om op een andere manier te communiceren. Soms kan het nuttig zijn om hiervoor een nieuw begrippenkader te introduceren. Als mensen zo vertrouwd zijn met de woorden die iemand gebruikt, dat ze niet meer horen wat hij zegt, kunnen nieuwe woorden helpen om de communicatie weer op gang brengen en het hart van de ander te bereiken. Maar het kan ook zijn dat zij de vertrouwdheid met de taal missen en daardoor de boodschap niet begrijpen. Rondom de studiedag die Jim naar Nederland bracht, had ik een vraaggesprek met een journalist van het Reformatorisch Dagblad waarin ook de oude, vertrouwde begrippen aan de orde werden gesteld. Toen mijn vader het interview liet lezen door iemand die niet gelovig was maar wel een psychologische achtergrond had, zei zij: ‘Vanuit de psychologie begrijp ik wat hier wordt gezegd, maar wat is eigenlijk zonde?’ Voor haar waren de Bijbelse begrippen die ons zo vertrouwd in de oren klinken, volstrekt onbegrijpelijke taal waarmee zij geen kant op kon. Het blijkt dan ook niet eenvoudig om aan zo iemand in een paar woorden uit te leggen wat deze woorden betekenen.

Het gebruik van een nieuw begrippenkader moet dus niet worden opgevat als een slinkse manier om mensen van het Bijbels gedachtegoed te vervreemden, maar veeleer als een poging om dit bij hen onder de aandacht te brengen. Daarbij gaat het enerzijds om mensen die het Bijbels begrippenkader zó goed kennen dat het hen niet meer raakt, anderzijds om mensen die niet met het Bijbels begrippenkader zijn opgegroeid en het daarom niet begrijpen. Maar ook wanneer woorden vertrouwd zijn, worden zij niet altijd goed begrepen. Over het begrip zonde bijvoorbeeld wordt door christenen heel wat af gemoraliseerd. Zonde maakt iemand slecht en het nalaten van zonde is goed. In het Hebreeuws en Grieks had men bij het begrip zonde heel andere associaties. Daar dacht men aan het boogschieten. In het Hebreeuws stelde men zich dan een pijl voor die werd afgeschoten, maar te weinig kracht had om zijn doel te bereiken. Vanuit deze achtergrond kon Paulus in Romeinen 3:23 schrijven: “Iedereen heeft gezondigd en ontbeert de nabijheid van God.” Hij bedoelt hiermee eigenlijk dat wij allemaal in onze inspanningen tekort zijn geschoten. Het LIFE Model legt dit uit door duidelijk te maken dat iedereen in zijn ontwikkeling naar volwassenheid is tekort geschoten en in velerlei opzichten nog niet lijkt op de mens die God heeft bedoeld. De vraag is nu of het Bijbels begrip zonde hiermee niet veel beter wordt omschreven dan de zedenpredikers doen met hun eindeloze opsomming van gedragingen die niet door de beugel kunnen. Ik denk het wel, hoewel ik van mening ben dat ook het benoemen van zondig gedrag tot het christelijk onderwijs behoort. Het Grieks heeft hier vervolgens nog een dimensie aan toegevoegd door zich voor te stellen dat een pijl ook zijn doel kan missen doordat het niet de goede richting heeft. In het Nederlands kunnen we dit het beste uitdrukken met het woord disfunctioneren. In het LIFE-Model wordt dit disfunctioneren aangetoond aan de hand van de werking van onze hersenen. Ook wordt veel aandacht besteed aan de manier waarop deze scheefgroei kan worden gecorrigeerd zodat wij weer in staat zijn om te handelen zoals God ons bedoeld heeft. Het behoeft geen betoog dat dit een onorthodoxe manier is om over zonde te spreken, maar het gaat wel over datgene wat zonde feitelijk is.

Er is nog een andere reden voor het verhullend spreken van het LIFE Model. Deze heeft te maken met het feit dat het model weliswaar door christenen is ontwikkeld, maar een veel bredere toepassing voor ogen heeft dan alleen binnen het pastoraat onder christenen. Dit model wil mensen van alle culturen de helpende hand toesteken, ongeacht of zij nu wel of niet gelovig zijn. Dit betekent niet dat de ontwikkelaars hun eigen levensovertuiging dan maar moeten verzwijgen — integendeel zelfs — maar wel dat zij deze zo onder woorden brengen dat dit andersdenkenden in hun proces niet hindert. Het model maakt gebruik van elementen die de Schepper in zijn schepping heeft gelegd en de mens in staat stellen om te groeien en als hij schade oploopt, daarvan te herstellen. Daarbij laat het geen gelegenheid onbenut om te vermelden dat er achter deze elementen een hemelse Vader is die ons liefheeft, zich om ons bekommert en ons veel meer wil geven dan wij in onze stoutste dromen durven denken. Door te spreken over het hart dat Jezus geeft, gaat men zelfs verder dan de natuurlijke theologie omdat hiermee nadrukkelijk een vingerwijzing naar het Evangelie wordt geplaatst. Overigens, zonder de Blijde Boodschap van de verlossing in Christus zelf te vertellen. Het LIFE Model is dan ook geen evangelisatiemethode, maar het kan mensen wel naar een punt brengen waar het Evangelie ter sprake komt. Dan is het aan degene die het model hanteert, om de ander aan de voeten van de Here Jezus te brengen. Het model zelf volstaat met het geven van een beschrijving die zo breed is als maar mogelijk is (en derhalve ook breed toegepast kan worden), en waarbij vingerwijzingen worden geplaatst die verwijzen naar de Schepper en zijn plan met een schepping die in de problemen is geraakt. Critici menen om deze reden dat het model niet deugt, maar persoonlijk ben ik niet eerder een model tegengekomen dat zó krachtig, zo compleet is en zoveel aangrijpingspunten bevat die ons confronteren met onze Maker en ons aan het denken zetten over de diepere zin van het leven. Is het dan niet aan ons, die het model gebruiken en toepassen om de ander over de Here Jezus te vertellen?

De relatie tussen het LIFE-Model en de theologie

In de vorige paragraaf heb ik betoogd dat het LIFE-Model de menselijke ontwikkeling op een manier beschrijft, die ook recht doet aan het feit dat wij geschapen zijn. Omdat het ontwikkelingen zijn, die voor alle mensen gelden, ongeacht of zij wel of niet gelovig zijn, hebben de ontwerpers zich terughoudend opgesteld in de wijze waarop zij de geestelijke dimensie met deze ontwikkelingen in verband hebben gebracht. Toch loochenen zij niet dat zij christen zijn en dat de Bijbel voor hen richtinggevend is. Zij onderscheiden dit echter (terecht) van de algemeen menselijk ontwikkelingen die zij beschrijven. Persoonlijk ben ik van mening dat er veel voor deze benadering is te zeggen. Alleen zo kunnen de (algemene) inzichten van het LIFE-Model op een breed draagvlak rekenen, terwijl geen gelegenheid onbenut wordt gelaten om verwijzingen te plaatsen (in het hart van het model noemt men zelfs de naam Jezus!).

De natuurlijke theologie leert ons dat God zichzelf ook in zijn gehele schepping heeft uitgedrukt, maar nergens gebeurt dit zo duidelijk dat het Evangelie er volop in doorklinkt. Kennelijk wil het LIFE-Model de rol van de natuurlijke theologie vervullen en laat men het aan ons over om met behulp van het model het Evangelie te verkondigen. Dit impliceert dat de theologie van het LIFE-Model — hoewel misschien wat verhullend — Bijbels moet zijn. Omdat het model door overtuigde christenen is ontwikkeld, mogen wij deze eis ook stellen en het model hierop toetsen. Dit is het onderwerp van deze en de volgende bijdragen.
In de bespreking van het LIFE-Model worden vijf elementen genoemd die een mens nodig heeft om zich te kunnen ontplooien.  Deze elementen zetten in bij de omgevingsfactoren en komen steeds dichter bij iemands identiteit als persoon. Voor een gezonde ontwikkeling moeten ze ook in deze volgorde worden toegeëigend. Het gaat daarbij om de volgende zaken:

  1. het hebben van een thuisbasis,
  2. de vaardigheid om te leren ontvangen en geven,
  3. het vermogen om te herstellen van schade,
  4. het rijpen in de verschillende stadia van volwassenheid in de levensfasen, en
  5. het jezelf kunnen zijn en blijven.

Een bijzondere eigenschap van deze vijf elementen is dat zij in omgekeerde volgorde een diagnostisch hulpmiddel vormen waarmee de stagnatie in iemands ontwikkeling kan worden gesignaleerd en omschreven, te beginnen bij het vermogen van iemand om zichzelf te zijn en te blijven. In het LIFE-Model wordt dit omschreven als leven vanuit het hart dat Jezus ons gaf, een nogal cryptische uitdrukking die een associatie oproept naar het Bijbelse begrip wedergeboorte. De vraag is echter of dit een terechte associatie is. Met andere woorden: Is het leven vanuit het hart dat Jezus ons gaf een correcte vertaling van het Bijbelse begrip wedergeboorte?

Het hart dat Jezus geeft

Volgens het LIFE-Model is het vermogen om jezelf te zijn en te blijven afhankelijk van de aanwezigheid van de andere vier elementen. Om een stevige identiteit te ontwikkelen moet je een thuisbasis hebben gehad, geleerd hebben om te ontvangen en te geven, emotionele schade kunnen repareren en in de verschillende levensfasen tot rijpheid zijn gekomen. Dit lijkt haaks te staan op de betekenis die in de Bijbel aan het woord wedergeboorte wordt gegeven.

Ik vat deze samen met de woorden van D.J. de Groot zoals vermeld in het boek De wedergeboorte: ‘Wie de noodzakelijkheid der wedergeboorte predikt in de absolute zin, waarin de Heilige Schrift dit doet, heeft daarmee letterlijk uitgesproken, dat er van ons mensen, zoals wij van nature zijn, letterlijk niets deugt. Het is niet zo, dat de oppervlakte van ons leven hier en daar door oneffenheden en rimpels en vlekken wordt ontsierd, die door schaven en polijsten kunnen worden weggenomen. Het zijn niet maar enkele verkeerde trekken en neigingen, die in ons moeten worden rechtgebogen. Er is geen sprake van enkele kwade gewoonten en praktijken, waarin wij langzamerhand zijn vastgeroest en die ons moeten worden afgeleerd. Het kwaad zit veel dieper en heeft zich veel verder verspreid. Het heeft ons leven in zijn kern en pit aangetast en in al zijn vezelen doortrokken. Het heeft zich vastgezogen in de wortelen van ons bestaan en ons gemaakt tot “vlees”, dat verkocht is onder de zonde en geheel verdoemelijk voor God. Het heeft al onze genegenheden en gedachten geheel vergiftigd. Wij zijn gelijk geworden aan een kwade boom, die onmogelijk andere dan kwade vruchten kan voortbrengen. Ons hart is een vuile bron van alle wanbedrijven en de boze bedenkingen wringen zich daaruit rusteloos omhoog.’

De Groot trekt flink van leer tegen iedereen die ‘een wedergeboorte naar de mens leert, d.w.z. een wedergeboorte, die de zondaar in het gevlij komt, die zijn gevoel van eigenwaarde streelt, die hem niet vernedert en onttroont, maar waarin hij gloriëren kan.’ Dit komt volgens hem tot uitdrukking in de ontkenning ‘dat de gevallen mens geestelijk dood is in de misdaden en de zonden. Zij neemt hoogstens aan, dat zijn zedelijk besef verzwakt is, maar handhaaft tegelijk, dat hij in de diepste grond van zijn bestaan het goede kan willen en dat en daarom in hem een zuiver element is, waaraan de wet Gods, wanneer zij hem haar eisen doet horen, kan appelleren. En zo maakt zij van de wedergeboorte de overwinning van de in zich zelf goede mens op de op hem inwerkende zonde, het te boven komen van de zedelijke zwakheid.’ Dat is nogal wat. De vraag is echter of het LIFE Model zich hieraan schuldig maakt. Hebben de ontwerpers van dit model van de psychologie een verlossingsleer gemaakt? Ik meen van niet en wel om de volgende redenen.

In de eerste plaats moeten we niet uit het oog verliezen dat het LIFE-Model een beschrijving geeft van de menselijke ontwikkeling zoals deze zou moeten zijn. Het gaat hier om de mens zoals God hem heeft bedoeld. In deze ideale beschrijving kan de identiteit van de mens zich ontplooien op de manier zoals God het wil. Tegelijkertijd erkent het model dat het er in de gebroken wereld waarvan wij deel uitmaken niet zo aan toegaat. In werkelijkheid loopt de mens in zijn ontwikkeling allerlei kwetsuren op waardoor hij wordt geblokkeerd in zijn ontwikkeling tot de mens die God heeft bedoeld. Dat betekent dat hij zich een identiteit vormt die is gecorrumpeerd door de harde confrontaties met het leven en niet lijkt op het hart van Christus.

In de tweede plaats spreekt het LIFE-Model consequent over de ideale identiteit van de mens als het hart dat Jezus geeft. Ondanks het feit dat een gezonde ontwikkeling noodzakelijke ingrediënten kent en een mens veel kan leren om een authentieke en harmonieuze identiteit op te bouwen, blijft de vernieuwing van zijn hart iets dat hij alleen maar uit handen van de Heer kan ontvangen. Daaraan doet het LIFE-Model niets af. Overigens geeft ook De Groot aan dat er voorafgaande aan de wedergeboorte van mensenwerk sprake kan zijn: ‘Het is zeker waar, dat aan de wedergeboorte van een zondaar wel allerlei arbeid van mensen kan voorafgaan en dat de Here, wanneer Hij op zijn tijd hem wederbaart, daarvan ook gebruik kan maken en dit metterdaad ook dikwijls doet.’ Hij noemt in dit verband zaken als: de ambtelijke bediening van Woord en Sacramenten, alsmede de christelijke opvoeding in huisgezin, kerk en school. Wat aan deze opsomming opvalt, is dat hier uitsluitend gaat om religieuze activiteiten. En het is nu juist deze beperkte lijst waarin het LIFE-Model een — wat mij betreft zeer belangrijke — correctie aanbrengt. Men verbreedt de voorbereidende activiteiten tot alles wat te maken heeft met de ontwikkeling van een persoonlijkheid. En dat is mijns inziens volkomen terecht en enorm toe te juichen. Hoe vaak is het immers niet voorgekomen dat mensen God en de kerk de rug hebben toegekeerd omdat zij — weliswaar op een theologisch correcte wijze — door onvolwassen en onveranderde mensen tot op hun ziel zijn beschadigd?

In de derde plaats mogen wij niet uit het oog verliezen dat de mens — ondanks het feit dat hij ‘dood is in de misdaden en de zonden, radicaal boos en geheel verdorven, onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad’ — is geschapen naar het beeld en gelijkenis van zijn Schepper. Hoewel dit beeld door de zondeval ernstig is beschadigd, heeft dit de waarde die de mens voor God heeft, geenszins verminderd, aangezien Hij het kostbaarste dat Hij bezat —zijn Zoon — voor hem heeft opgegeven. In Zijn ogen zijn wij nog steeds van grote waarde. Dat betekent dat wij — ondanks de schuld die wij onmogelijk zelf kunnen inlossen — er van Hem mogen zijn. Hij ziet ons — dwars door onze ‘natuurlijke verdorvenheid’ heen — aan en houdt van ons! Ook al hebben wij Hem al lang geleden de rug toegekeerd en willen wij nog altijd niets met Hem te maken hebben, toch is Hij er en — of je het nu wilt of niet — Hij is met ontferming over ons bewogen. Hierdoor is het mogelijk dat de mens — ook al is hij niet wedergeboren — tot goede dingen in staat is. In de theologie spreekt men in dit verband over algemene genade. Het LIFE Model benadert de mens vooral van deze kant. Het benadrukt dat de waarde van de mens niet wordt bepaald door wat hij doet, maar door wie hij is. Tevens erkent men dat God de mens ‘op de groei’ heeft gemaakt en dat hieraan door de zondeval geen einde gekomen is. Men is er zelfs in geslaagd om een aantal patronen die de Schepper in zijn schepping heeft geweven om een gezonde groei mogelijk te maken, te herkennen en in het model te verwerken. Daarbij geven zij zich ook rekenschap van het feit dat dit geen verdienste is, maar genade. Door deze genade is een mens in staat om veel dingen te leren, ook al beschikt hij (nog) niet over het hart dat Jezus geeft. Deze dingen kunnen zelfs ‘mede ten goede’ werken. Tijdens de al eerder genoemde studiedag refereerde Jim Wilder in dit verband aan het Bijbels voorbeeld van de eerste gemeente waar ongelovigen tot bekering komen en soms al na enkele jaren de rol van een oudere blijken te kunnen vervullen. Het kan niet anders dan dat datgene wat zij voor hun bekering hebben geleerd, hieraan heeft bijgedragen.

Samenvattend kom ik tot de conclusie dat het LIFE-Model goed aansluit bij het Bijbelse begrip wedergeboorte, ook al wordt deze gebeurtenis zelf buiten beschouwing gelaten. Het LIFE-Model doet echter veel meer dan dat. Het plaatst ook kanttekeningen bij de manier waarop veel kerken en gelovigen met dit onderwerpen omgaan. Kerken die heel sterk op evangelisatie zijn gericht en waar wedergeboorte alles lijkt te zijn, worden bepaald bij de volle breedte van het leven. Het appèl dat het LIFE Model doet, is duidelijk: door bij te dragen aan een gezonde ontwikkeling van iemands identiteit, bereid je hem of haar beter voor op het ontvangen van het hart dat Jezus geeft. Aan de andere kant worden kerken waar zelfontplooiing alles lijkt te zijn, nadrukkelijk bepaald bij de noodzaak om dat nieuwe hart ook daadwerkelijk te ontvangen. Voor het LIFE-Model is de ontwikkeling van een mens vooral een relationeel gebeuren en dat betekent dat vroeg of laat ook de relatie met de Schepper aan de orde zal komen. Als wij willen groeien en onszelf ontwikkelen, zullen we niet om de erkenning heen kunnen dat wij het hart dat Jezus geeft, in ons leven nodig hebben. En als wij in onze ontwikkeling hebben geleerd om te ontvangen, moet het ons niet moeilijk vallen onze knieën voor Hem te buigen.

Het rijpen in de levensfasen

De levensloop van een mens wordt door het LIFE-Model opgedeeld in een vijftal fasen: Baby/Peuter, Jongen/Meisje, Man/Vrouw, Vader/Moeder, en Oudere. Iedere fase heeft zijn eigen leerdoelen en bouwt voort op hetgeen in de voorgaande fase is geleerd. Door zich zo stap voor stap alle vaardigheden eigen te maken, kan de mens tot rijping komen en uitgroeien tot een beminnelijk, wijs en rechtschapen persoon die zijn omgeving veel te bieden heeft. Een Mens met een hoofdletter ‘M’. Dit proces doet heel erg denken aan wat de Bijbel omschrijft als heiliging. Maar wat is heiliging precies? J.I. Packer haalt in zijn boek Jagen naar heiliging als antwoord op deze vraag de woorden van J.C. Ryle aan. Deze omschrijft heiliging als het proces waarin we leren om ‘te denken als God, overeenkomstig Zijn gedachten zoals we die in de Schrift beschreven vinden. Het is de gesteldheid om het met Gods oordeel eens te zijn, te haten wat Hij haat, lief te hebben wat Hij liefheeft en om alles in deze wereld te meten aan de standaard van Zijn Woord’. Heiliging heeft dus net als het rijpingsproces van het LIFE-Model te maken met het worden van de mens die God heeft bedoeld. De overeenkomsten worden nog duidelijker als Packer de vier kenmerken van heiliging uitwerkt aan de hand van haar vier werkingssferen, te weten: het hart, het karakter, het mens-zijn en de relatie met andere mensen. Uiteindelijk komt ook hij uit bij het begrip volwassenheid: ‘Heiliging is iets prachtigs en de schoonheid daarvan is de schoonheid en tederheid van goddelijke liefde en dat is nu precies de schoonheid van ware volwassen menselijkheid.’

Toch is er een belangrijk verschil in de manier waarop James Packer over deze volwassenheid schrijft en de manier waarop James Wilder dit doet. Packer brengt een duidelijk verband aan met Gods verlossingsplan en de christelijke spiritualiteit. Zo zegt hij: ‘De bestudering van heiliging is het in kaart brengen van Gods leven in de ziel van de mens,’ en: ‘Christus is gestorven opdat we gerechtvaardigd zouden worden en we worden gerechtvaardigd opdat we geheiligd zouden worden.’ Wilder daarentegen heeft het vooral over rolmodellen en synchronisatie. Hij beschrijft aan de hand van zijn hersenmodel en de invloed van relaties het natuurlijke proces van volwassenwording en laat opnieuw het beschrijven van de geestelijke dimensie — onder vele verwijzingen — over aan de theologie. De vraag is of hij daarmee mensen niet een weg van zelfverlossing wijst. Maakt hij hiermee de psychologie niet tot de nieuwe verlossingsleer? Leert hij de mensen niet volwassen te worden zonder de afhankelijkheid van God, waarover Packer schrijft? Ik meen van niet en wel om de volgende redenen.

In de eerste plaats is alles wat ik hiervoor over wedergeboorte heb gezegd, ook hier van toepassing. Het LIFE-Model beschrijft het ideale groeiproces en laat ons zien hoe de mens zich ontwikkelt zoals God hem heeft bedoeld (in afhankelijkheid van Hem, dus). Tegelijkertijd wordt vastgesteld dat niemand er door de gebrokenheid van deze wereld in slaagt om zijn ontwikkeling tot volwassenheid volgens deze ideale beschrijving  te doorlopen en dat men het hart dat Jezus geeft, echt nodig heeft. Desondanks is uit onderzoek gebleken dat de mens nog over heel wat restcapaciteit beschikt van zijn oorspronkelijke door God gegeven vermogens om zich te ontwikkelen. Dit mogen we beschouwen als een deel van Gods algemene genade. Het LIFE-Model probeert deze inzichten binnen Bijbelse kaders uit te werken op een manier waar zowel gelovigen als ongelovigen iets mee kunnen. Bij het uitvoeren van deze taak weet men zich in de eerste plaats christenpsycholoog en laat men het theologiseren liever over aan anderen.

Verder ben ik van mening dat het LIFE-Model — naast alle discontinuïteit die zich in deze gebroken wereld voordoet — terecht aandacht vraagt voor de continuïteit in de menselijke ontwikkeling. De ontwikkeling die een mens vóór zijn wedergeboorte doormaakt, staat niet per definitie haaks op de ontwikkeling die zijn heiliging van hem vraagt. Ook is het niet zo dat de heiliging zich buiten de ingeschapen ‘natuurlijke’ vermogens van de mens om voltrekt. Zeker, het valt niet te ontkennen dat er in de Bijbel met het begrip wedergeboorte een zeer scherp contrast wordt neergezet dat nader wordt aangeduid en uitgewerkt met behulp van de begrippen oude en nieuwe mens. We mogen daarbij alleen niet uit het oog verliezen waardoor dit contrast dan precies wordt veroorzaakt. Het contrast ontstaat namelijk niet doordat veranderingen zich ineens op een andere manier gaan voltrekken, maar door de inwoning van de Heilige Geest in het hart van de gelovige en een ingrijpende ommekeer in zijn diepste drijfveren.

Zelf heb ik het bieden van hulpverlening en het werken aan iemands persoonlijkheid zonder daarbij de overgave aan Christus te betrekken lange tijd gezien als het ‘opkalefateren’ van de oude mens. Als ik hierop terugkijk, dan vind ik dit een erg kortzichtig standpunt. Ik denk er nu heel anders over. Voor ieder mens geldt dat hij zich moet kunnen ontwikkelen tot een persoonlijkheid die maximaal in staat is om verantwoordelijk te zijn. Hiertoe leren wij hem lopen, praten en relaties aan te gaan. Hiertoe sturen wij hem ook naar school en leert hij lezen, schrijven en rekenen. Hiertoe dient hij ook extra zorg te ontvangen als blijkt dat zijn ontwikkeling achterblijft of wordt geblokkeerd. Dit heeft niets te maken met het opkalefateren van de oude mens, maar alles met het stimuleren van de door God gegeven mogelijkheden om uit te groeien tot een verantwoordelijk wezen. Ten diepste houdt dit ook in dat iemand leert om zijn Schepper te antwoorden op het aanbod van het hart dat Jezus geeft.

Eigenlijk zouden wij de ontwikkeling van een mens zo moeten benaderen dat deze hem ook — voor zo ver dit goed gaat — voorbereidt op een persoonlijke relatie met zijn Schepper, die hij dan zijn Vader mag noemen. Daar waar zijn ontwikkeling problematisch verloopt of misschien zelfs stagneert, mag worden gewezen op de Schepper die de mens mogelijkheden heeft gegeven om tot herstel te komen. Wanneer een mens hierop ingaat en zich openstelt om het hart dat Jezus geeft, te ontvangen, staat de rest van zijn ontwikkelingsweg in het teken van de heiliging. Dan is het: “Ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij” (Gal. 2:20). Dit mag niet worden opgevat als het verloochenen van de eigen identiteit, maar als het uitgroeien tot de persoon die God in gedachten had toen Hij ons het leven gaf, in de kracht van de Heilige Geest en naar het voorbeeld van de Here Jezus Christus.

Dit brengt mij op een ander punt: de verhouding tussen Gods verantwoordelijk en die van de mens. Het LIFE-Model stelt simpel: God is verantwoordelijk voor de verlossing en de mens is verantwoordelijk voor de groei. Maar is het ook zo simpel? Ik denk dat ik begrijp wat hiermee wordt bedoeld, maar denk dat zo’n uitspraak gemakkelijk tot misverstanden kan leiden. James Packer spant zich tot het uiterste in om duidelijk te maken dat het Gods voorafgaande genade is die ons doet groeien en ons opwekt tot geestelijk leven, waarna Hij het nieuwe leven schenkt en de heiliging in ons werkt. En ik ben het van harte met hem eens. Maar ook hij erkent ‘dat we moeten meewerken met wat God in ons leven aan het doen is’. Uiteindelijk komt ook hij min of meer tot dezelfde conclusie als Jim Wilder. Alleen brengt hij dit net iets anders onder woorden: ‘Gelovigen zijn wat hun staat betreft heilig (door God apart gezet voor zichzelf). Hun verplichting om iedere dag die heiligheid — in moreel en geestelijk opzicht — in de praktijk te brengen, wordt van dit feit afgeleid’.  Door het verlossingswerk van God is de gelovige heilig geworden, maar vervolgens is het aan hem om deze heiligheid in de praktijk van zijn leven uit te werken. Packer benadrukt dat het hier gaat om zaken van morele en geestelijke aard, terwijl Wilder het leven in zijn volle breedte hierin betrekt. Ten diepste vraag ik mij af of zij hierin veel van elkaar verschillen, maar persoonlijk ben ik van mening dat het LIFE-Model juist handelt door in de werkingssfeer van heiliging geen beperkingen aan te brengen.

Samenvattend kom ik tot de conclusie dat het LIFE-Model past binnen de kaders die de Bijbel aanbrengt ten aanzien van de heiliging, ook al wordt dit proces zelf niet als zodanig benoemd. In veel kerken is heiliging sowieso een verwaarloosd onderwerp, terwijl zij die hieraan wel aandacht besteden, deze vooral richten op de morele en geestelijke aspecten daarvan. Hoewel in het LIFE-Model slechts een algemene beschrijving wordt gegeven, wordt daarin wel het hele leven betrokken en de mens verantwoordelijk gesteld voor zijn inzet in het rijpingsproces. Dit kan het heiligingsproces bij kerken en gemeenten opnieuw op de agenda zetten en op een vernieuwende manier bij gelovigen onder de aandacht brengen.

Het kunnen herstellen van schade

Het LIFE-Model beschrijft hoe de mens van zijn inspanningen kan herstellen door uit vreugde kracht op te bouwen en vanuit heftige emoties naar vrede terug te keren. Kamp Vreugde is de plaats waar hij rust vindt en weer op adem kan komen om er vervolgens weer met nieuwe energie op uit te trekken. Wanneer een mens zich deze vaardigheid goed eigen heeft gemaakt, kan hij de dynamiek van het leven aan en beschikt hij over de flexibiliteit om — wanneer hij ten val komt — weer op te staan. Uiteraard kent dit vermogen ook grenzen en worden de medemens en de gemeenschap gezien als instrumenten om iemand op te vangen en te ondersteunen wanneer het hem echt te veel is geworden. Zo ziet het ideaalbeeld eruit. Zo heeft de Schepper het volgens het LIFE-Model bedoeld.

Vreugde als drijvende kracht in ons leven. Dat is iets waaraan veel christenen moeten wennen. De calvinistische traditie heeft over het algemeen meer op met begrippen als degelijkheid en deugdelijkheid. Daarin draait het om Gods eer en niet om ons eigen verlangen naar plezier en geluk. Vreugdevol genieten roept de associatie op met ‘vleselijke begeerten die voorkomen uit de verlokkingen van de zonde.’ Toch is er een niet onbelangrijke stroming in de theologie die het LIFE-Model ondersteunt ten aanzien van de centrale positie van vreugde. In de christelijke literatuur staat vooral John Piper bekend om zijn vele geschriften over dit thema. Hij noemt zichzelf een christelijke hedonist. Daarmee bedoelt hij dat God het meest wordt geëerd als wij onze diepste voldoening vinden in Hem. In de eerste plaats geeft hij daarmee aan dat het vreugdevol genieten inderdaad het centrum van ons bestaan moet zijn. Alles draait om positieve emoties, genot en vreugde. In de tweede plaats verbindt hij deze emoties met God. Het gaat er om dat wij onze vreugde in Hem vinden. Hoe moeten wij dit verstaan?

In het eerste hoofdstuk van zijn boek Verlangen naar God legt Piper uit dat God Zelf zijn diepste drijfveer heeft in vreugde.  Een belangrijke tekst uit zijn betoog is Psalm 115:3: “Onze God is in de hemel, Hij doet wat hem behaagt.” Deze tekst zegt niet alleen dat God datgene doet wat Hem vreugde geeft, maar ook dat deze vreugde diep is geworteld in Zijn soevereiniteit. Er is niets, maar dan ook niets wat Zijn plannen kan belemmeren, ook het kwade niet. Zijn handelen is niet beperkt door de goede werken van de mens of de mooie kant van de natuur. Ook zonde en pijn hebben daarin hun plaats. Omdat God geen zonde kent, kan dit bij Hem alleen maar tot vreugde leiden als Hij haar beziet vanuit het perspectief van Zijn verlossingsplan dat bezig is zich te ontvouwen en in alle opzichten goed is. Vanuit deze invalshoek bezien, heeft het kwaad de functie om het goede te versterken en draagt het — hoe lelijk het op zichzelf ook is — uiteindelijk bij aan Zijn heerlijkheid. Dit betekent dat Gods vreugde wordt gevoed door de wetenschap dat Zijn heerlijkheid uiteindelijk alle kwaad zal uitbannen.

Als dit zo is, dan heeft het LIFE-Model met de beschrijving van vreugde als diepste drijfveer van het menselijk handelen een aspect te pakken waarin de mens zich volop beelddrager van zijn Schepper betoont. Het LIFE-Model beperkt zich ook hier weer tot de natuurlijke processen en maakt ons duidelijk hoe moeder, vader en andere personen in de omgeving van het kind hem leren om vanuit moeilijke emoties de weg naar vreugde terug te vinden. De veiligheid die door de ander wordt geboden en het groeiend besef dat omstandigheden weer kunnen verbeteren, zijn belangrijke elementen in deze uiterst functionele training die de mens tot een flexibel en veerkrachtig wezen maken. Het ingeschapen vermogen van mensen om te herstellen reikt ver. Bij de behandeling van A- en B-trauma’s kan op deze manier veel worden bereikt. Toch ontleent zij haar kracht ten diepste uit haar heenwijzende rol naar de Schepper en Zijn verlossingsplan. Zonder dat zit er onder vreugde namelijk geen echte bodem.

In Matteüs 13:44 vertelt Jezus ons waar het uiteindelijk op aan komt: “Het is met het koninkrijk van de hemel als met een schat die verborgen lag in een akker. Iemand vond hem en verborg hem opnieuw, en in zijn vreugde besloot hij alles te verkopen wat hij had en die akker te kopen.” Dit is de vreugde waarom het gaat: de vreugde die ons vervult wanneer wij de heerlijkheid van het Koninkrijk ontdekken, en al het andere doet verbleken. Met het binnengaan in Zijn Koninkrijk komen wij in aanraking met Zijn heerlijkheid en beseffen we dat deze ons voorziet in alles wat we nodig hebben. Dit is wat Piper bedoelt met zijn oproep dat wij onze vreugde moeten vinden in Hem. De vreugde waarover het LIFE-Model spreekt, is een afgeleide van en een heenwijzing naar deze diepere vorm van vreugde en zou — als het goed is — hierin zijn wortels moeten vinden. Daarmee reikt de theologie verder dan het LIFE-Model.

Er zijn bij dit item nog twee andere uitwerkingen te noemen waarin de theologie verder reikt dan het LIFE-Model. Dat is het vinden van herstel door middel van innerlijke genezing en bevrijding van boze machten. Beiden zijn gebaseerd op het feit dat de mens door zijn wedergeboorte mag weten dat de Heilige Geest in hem woont en direct betrokken is bij ‘de vernieuwing van zijn gezindheid’ (Rom. 12:2). Beiden gaat ook uit van de inzet van betrokken medegelovigen. Bij innerlijke genezing wordt de Geest van God actief betrokken bij de verwerking van trauma’s. K.J. Kraan die de innerlijke genezing in Nederland heeft geïntroduceerd, spreekt in dit kader daarom niet meer van psychotherapie, maar van pneumatherapie. Uitgangspunt is dat de Schepper de heelheid van de mens voor ogen heeft en Hij als geen ander weet wat daarvoor nodig is. Door de werking van de Heilige Geest kan dit aan de mens worden geopenbaard. Tevens kunnen er door de kracht van de Geest dingen gebeuren die boven bidden en denken uitgaan. In de dienst der bevrijding geeft men zich rekenschap van het feit dat er achter de voor ons waarneembare werkelijkheid een geestelijke wereld schuilgaat, waarin zich geestelijke wezens — engelen en demonen — bevinden. Deze wezens houden zich op in twee rijken die met elkaar in strijd zijn: het Koninkrijk Gods en het rijk der duisternis. Men gaat er van uit dat deze strijd ook invloed uitoefent op de wereld zoals wij die kennen. Dit betekent onder meer dat boze machten greep kunnen krijgen op mensen en hun omstandigheden. De kracht van God is echter sterker en kan mensen uit hun benarde positie bevrijden.

Samenvattend kom ik tot de slotsom dat het LIFE-Model in zijn beschrijving van de wijze waarop mensen tot herstel komen prima aansluit bij de Bijbelse boodschap. Het laat zien hoe zeer de mens naar Gods beeld en gelijkenis is geschapen en welke enorme mogelijkheden voor herstel dit (nog steeds) biedt. Toch ziet de theologie verschillende wegen om daar in Gods kracht aan voorbij te gaan. Door de inwoning van de Heilige Geest is een vernieuwing mogelijk die de mens op eigen kracht nooit kan bereiken. Hier wordt pas goed duidelijk dat de processen die het LIFE-Model beschrijft een heenwijzende functie hebben en vragen om een verdieping in een relatie met de hemelse Vader.

Het kunnen geven en ontvangen

In het LIFE-Model wordt de ontwikkeling naar rijpheid uitgedrukt door de balans tussen ontvangen en geven. Een baby is nog in alles van zijn moeder afhankelijk en moet het dus voornamelijk hebben van ontvangen, terwijl een oudere door zijn wijsheid en levenservaring veel te geven heeft. Datgene wat gegeven wordt, is onverdiend. Daarom meent het LIFE-Model terecht dat het leven begint bij genade.

In zijn boek Genade, wat een wonder! maakt Philip Yancey ons duidelijk dat wij vervreemd zijn geraakt van de werkelijke betekenis van genade. Hij stelt vast dat de wereld om ons heen zich juist kenmerkt door genadeloosheid, terwijl ook de kerk het woord van een andere lading heeft voorzien. Dit heeft ertoe geleid dat hij het woord genade grondig is gaan wantrouwen.
Hij bouwt zijn betoog op aan de hand van vele uitgebreide verhalen, waardoor zijn standpunt moeilijk is samen te vatten. Toch is de manier waarop hij de genadeloosheid van de wereld schetst goed te vangen in het volgene citaat: ‘Al vanaf de kleuterschool wordt ons geleerd hoe we ons in een wereld van ongenade staande moeten houden. Loon naar verdienste. De morgenstond heeft goud in de mond. Wie niet werkt zal ook niet eten. Voor niets gaat de zon op. Sta op je rechten. Hebben is hebben en krijgen is de kunst.’ Ten aanzien van de kerk merkt hij op dat deze hem vertrouwd had gemaakt met ‘een beeld van God die de rekening bijhield, die mijn goede en slechte daden afwoog en die altijd tot de conclusie kwam dat ik tekortschoot.’ Yancey geeft (met opzet) geen definitie van genade, maar probeert haar te beschrijven met behulp van talloze anekdotes. Enkele aspecten van genade die hij noemt en in het kader van ons onderwerp van belang zijn, geef ik hieronder weer.

  • Genade is iets dat van buitenaf komt, als een gave, niet als een prestatie(p. 33); tevens wordt zij gratis verleend aan mensen die dat niet verdienen (p. 41, 67).
  • Jezus beschreef een wereld die doordrenkt was van Gods genade; een wereld waarin de zon schijnt en de regen valt op goede en slechte mensen; waarin de vogels gratis voedsel verzamelen, zonder dat ze dat door ploegen en oogsten verdienen; waarin wilde bloemen, waaraan geen zorg besteed wordt, zomaar op de rotsachtige hellingen tot bloei komen. Zoals een bezoeker uit een ander land de dingen opmerkt die de mensen die er wonen ontgaan, zo zag Jezus overal genade (p. 45-46).
  • Jezus vertelde over een God die voorbijgaat aan een zeer godsdienstige Schriftgeleerde en zich juist keert tot een alledaagse zondaar die smeekt: ‘God, wees mij genadig’ (Luc. 18:13). In feite laat God door de hele Bijbel heen een opmerkelijke voorkeur zien voor echte boven goede mensen (p. 55, vgl. Luc. 15:7).
  • Genade betekent dat we niets kunnen doen waardoor God ons meer of minder zal gaan liefhebben (p. 70). Liefhebben betekent dat Hij ons ziet zoals Hij ons bedoeld heeft (p. 180).

Al deze aspecten komen opmerkelijk dicht bij het LIFE-Model, waarin oprechte liefde en het geven van leven vooropgaan en het er niet zo zeer om gaat wat iemand doet, maar om wie hij is. Gods genade is zo breed als het leven en wordt om niet gegeven. De uitwerking hiervan in de beschrijving van de menselijke ontwikkeling conform het LIFE-Model lijkt mij daarom helemaal in overeenstemming met wat de Schrift hierover leert. Toch is hiermee niet alles gezegd, want in de Bijbel is genade méér dan een onverdiend geven. Haar reikwijdte is niet alleen breed, maar ook onmetelijk diep. Het is immers niet alleen zo dat genade iets is dat de mens niet heeft verdiend, deze genade neemt ook de plaats in van iets anders dat de mens wel heeft verdiend, namelijk: straf! Bijbelse genade is naast geven ook vergeven. Ph. Yancey verwoordt het als volgt: ‘Maar als ik aandachtig luister, hoor ik in de luide fluistering van het evangelie dat ik niet gekregen heb wat ik verdiende. Ik verdiende straf en geen vergeving. Ik verdiende toorn en ontving liefde. Ik verdiende gevangenschap vanwege mijn schuld, maar in plaats daarvan werd mij alles kwijtgescholden en kon ik met een schone lei beginnen.’

Het LIFE-Model geeft ons een ideaalbeeld van de menselijke ontwikkeling. Om begrijpelijke redenen is de dimensie van genade als het tegenovergestelde van straf hierin buiten beschouwing gelaten. Mijns inziens is dit terecht, want als de zondeval niet zou hebben plaatsgevonden, was deze dimensie ook helemaal niet nodig geweest. Maar laten wij wel wezen, het LIFE-Model spreekt niet alleen over de ideale ontwikkeling. Ontsporing en scheefgroei worden uitgebreid aan de orde gesteld en ook dan missen we een verwijzing naar schuld en straf. In de analyse hiervan beperkt met zich tot het beschrijven van de psychologische processen en kiest men er bewust voor om deze niet theologisch te duiden.
Dit brengt de moeilijke vraag naar boven of het LIFE-Model hiermee niet een ander mensbeeld hanteert dan de Bijbel doet. Naar mijn mening is dit inderdaad het geval. Dat betekent echter niet dat dit daarom ook meteen een on-Bijbels mensbeeld is. Ik zal proberen uit te leggen wat ik hiermee bedoel. Ik denk namelijk dat het LIFE-Model een correcte beschrijving geeft van hoe de Schepper de mens heeft bedoeld en hoe weinig er in werkelijkheid van deze bedoeling terechtkomt. Tegelijkertijd moet van deze beschrijving worden gezegd dat zij beperkt is omdat zij uitsluitend de psychologische en neurobiologisch kant van de mens belicht. Zij beschrijft alleen de zijde van schepping en cultuur, en laat de verlossing buiten beschouwing. Daarom hebben we — naast het psychologisch mensbeeld — ook het Bijbels mensbeeld nodig om tot een completer beeld van de mens te komen. Als we op basis van de psychologie menen vast te stellen dat de mens niet door en door slecht is, dan weten we vanuit de theologie dat dit te danken is aan Gods algemene genade en het feit dat er in hem nog een rest aanwezig is van zijn beelddragerschap.

Ph. Yancey schrijft over een zekere spanning in de manier waarop God over de mensheid denkt. Enerzijds houdt Hij van ons, anderzijds walgt Hij van ons gedrag. God verlangt er vurig naar om iets van Zijn eigen beeld in mensen weerspiegeld te zien, maar op z’n best ziet Hij wat scherven van dat beeld. Toch kan Hij ons aanzien als Zijn geliefden. Dit kan Hij alleen omdat Hij geen deel uitmaakt van onze werkelijkheid en buiten de tijd staat. ‘Als Hij neerkijkt op de grafiek van mijn leven, dan ziet Hij geen bochtige afwijkingen van goed naar kwaad, maar ik plaats daarvan een rechte lijn van het goede: de goedheid van Gods Zoon die op een moment in de tijd is verkregen en voor alle eeuwigheid geldt.’ Het LIFE-Model beschrijft deze rechte lijn en probeert vanuit de psychologie een bijdrage te leveren om mensen zo veel mogelijk in de gelegenheid te stellen om deze lijn te benaderen. Wel wordt een duidelijke vingerwijzing geplaatst door dit genade te noemen, maar voor de rest laat men het over aan de theologie.

Het hebben van een thuisbasis

Het LIFE-Model onderstreept het belang van Kamp Vreugde: een plek waar je je thuisvoelt, tot rust kunt komen en nieuwe energie kan opdoen. Voor een baby is deze plek zijn moeder. Zij staat altijd voor hem klaar en bij haar vindt hij onvoorwaardelijke liefde. Het kind groeit en de personen waar hij geborgenheid vindt, veranderen, maar wat niet verandert, is dat hij gedurende zijn gehele leven de behoefte aan een thuisbasis blijft houden. Zelfs een oudere die zijn omgeving zo veel te bieden heeft, kan het niet stellen zonder de steun en support van de gemeenschap waarvan hij deel uitmaakt. Als zijn gezondheid hem in de steekt laat, kan het zijn dat hij op hen moet leunen. Maar ook als hij nog volop van het leven kan uitdelen, kan hij niet zonder de steun en het vertrouwen van zijn omgeving. Zonder dat kan hij niet functioneren. Een mens heeft te allen tijde een plaats nodig waar hij zichzelf kan zijn en bemoedigd wordt en vertrouwen krijgt. Ook al heeft hij nog zo veel te geven, hij blijft het nodig hebben om te ontvangen. Het LIFE-Model kent hiermee het besef van afhankelijkheid een centrale plaats toe. Daarmee onderscheidt het zich van de reguliere ontwikkelingspsychologie waar vooral de ontwikkeling tot onafhankelijkheid wordt benadrukt. Net zoals vrijheid alleen maar mogelijk is in gebondenheid, geldt dat echte volwassenheid alleen maar mogelijk is in afhankelijkheid. Ten diepste verwijst deze afhankelijkheid naar onze afhankelijkheid van God.

Het LIFE-Model is een psychologisch model met een holistische benadering. Hiermee bedoel ik dat men zich beperkt tot het beschrijven van de psychologische processen, maar deze nadrukkelijk plaatst in een context die veel en veel breder is. Zo wordt een mens niet los gezien van zijn Schepper, maar laat men de theologie aan de theologen. Op dezelfde manier wordt de mens niet los gezien van zijn sociale omgeving, maar laat men de sociologie aan de sociologen. Men volstaat door heel neutraal te spreken over de gemeenschap waarvan men deel uitmaakt en het grote belang daarvan te onderstrepen:
een mens heeft een gemeenschap nodig om te kunnen uitgroeien tot de persoon die hij mag zijn.

Voor de theologie is het duidelijk dat hiermee de gemeente wordt aangesproken.
Onder gemeente versta ik dan de gemeenschap van gelovigen die het hart dat Jezus geeft, hebben ontvangen en zich met elkaar richten op een verandering naar Zijn beeld en gelijkenis. In deze gemeenschap spannen mensen zich in om elkaar te bemoedigen en aan te sporen om hun Heer te dienen en na te volgen, niet alleen met wat zij doen maar vooral door wie zij zijn. Daarmee oefenen zij een grote aantrekkingskracht uit op hun omgeving, omdat mensen zien dat zij dit nodig hebben maar dit in de postmoderne, individualistische samenleving onvoldoende ontvangen.
Het behoeft geen betoog dat dit niet het beeld is dat veel mensen hebben bij een gemeente. Zij zien de gemeente vooral als een instituut met de zondagse eredienst als kernactiviteit. Toch is dit niet de manier waarop de Bijbel over de gemeente spreekt. Daar wordt zij vooral omschreven als een liefdevolle gemeenschap. R. Gutierrez wijst in dit verband op het feit dat Jezus spreekt over Zijn kerk (Mat. 16:18) en dat de apostel Paulus Christus het fundament
van de kerk noemt (I Kor. 3:11). Dit houdt in dat Zijn herderlijke eigenschappen ook deel behoren uit te maken van het gemeente-zijn. De gemeente is vooral een pastorale gemeente. Dat dit veelal niet zo is, moge duidelijk zijn. Ph. Yancey drukt zich uitermate kritisch over de kerk uit als hij zegt dat zij ‘maar al te vaak een spiegel ophoudt waarin de maatschappij om haar heen weerkaatst wordt in plaats van een venster te zijn waardoor een andere weg zichtbaar wordt.’ Veel kerken menen (terecht) dat het hun opdracht is zich naar buiten te richten en hun omgeving met de Here Jezus in aanraking te brengen, maar doen dit vanuit een positie waarin zij zich onvoldoende bewust zijn wat het leven met Christus betekent voor de individuele gelovige en zijn gemeenschap.

In het Voorwoord van boek De cirkel doorbreken van J. Visser spreekt T. Burros zich lovend uit over de visie op de gemeente als liefdevolle gemeenschap die in het boek wordt uitgedragen. Hij signaleert een grote maatschappelijke
nood waar de gemeente van Christus het antwoord kan geven. ‘Al vele jaren voel ik me bezwaard sinds ik in de gaten heb gekregen dat de behoefte aan emotionele, mentale en geestelijke zorg voor de burgers van ons land op dramatische wijze is toegenomen. De nood is al veel groter dan de beschikbare capaciteit van de medische en geestelijke gezondheidszorg aankan, zodat deze geen blijvende oplossing kan bieden. Bovendien hebben we het plafond bereikt van de effectiviteit van zuiver seculiere modellen en methoden van de psychotherapie en de psychiatrie om genezing te kunnen brengen aan patiënten met allerlei problemen. Deze twee factoren zullen leiden tot explosief toenemende uitdagingen aan het adres van de bedieningen van het Lichaam van Christus aan het begin van de eenentwintigste eeuw. Gezien het feit dat de gezondheidszorg steeds meer beperkingen krijgt opgelegd doordat onze economie worstelt om op peil te blijven, en dat steeds meer mensen hulp nodig hebben maar eenvoudigweg niet in staat zijn om toegang te krijgen tot het circuit van de geestelijke gezondheidszorg — of het nu gaat om minder grote problemen in het dagelijks leven dan wel om levensgrote psychosen — mensen zullen zich in toenemende mate wenden tot hulpbronnen in de privésfeer en in de leefgemeenschap. Uiteraard zullen zij zich keren tot mensen aan zie ze niet hoeven te betalen en die altijd gezegd hebben: “Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven” (Mat. 11:28). Dat wil zeggen dat zij in toenemende mate om hulp zullen komen naar de Kerk van Jezus Christus, eerst druppelsgewijs en dan in steeds groter wordende stromen.’ Terecht stelt Burros zichzelf de vraag of de gemeente klaar is om deze opdracht op te pakken. Zijn conclusie is dat dit nog niet het geval is, maar hij ziet dat men op sommige plaatsen bezig is om de werkelijke taak van de gemeente opnieuw op te pakken en vorm te geven.

Eén van die plaatsen is de Maranatha Kerk van ds. John Visser. Daar heeft men geleerd te functioneren als een therapeutische gemeenschap voor mensen die lijden aan meervoudige persoonlijkheidsstoornissen ten gevolge van ernstig seksueel misbruik in hun kindertijd. Dit zijn mensen die moeilijk te helpen zijn en de seculiere medische instellingen zijn slechts beperkt in staat om mensen met deze stoornissen te behandelen — terwijl er dagelijks meet patiënten bij komen. ‘Het is zoals John Visser zegt: De kerkelijke gemeenschap moet een veilige plaats zijn waar mensen kunnen komen met hun verwondingen en hun pijn, en liefde ontvangen totdat ze weer in het leven kunnen staan. God heeft Zich tot taak gesteld gebroken en gewonde mensen weer heel te maken. Hij wil dat we zichtbaar worden voor alle naties als zijn vakkundige werk, zodat iedereen zich kan verheugen over zijn wijsheid en liefde. Dan alleen kunnen we een licht voor de volken zijn en een passend kanaal voor Gods geweldige genade.’

Ik ben van mening dat de essentie van de Bijbelse betekenis van de gemeente die van een liefdevolle gemeenschap is en dat het LIFE-Model hierop terecht de aandacht vestigt. Omdat het LIFE-Model alleen de psychologische aspecten beschrijft, spreekt het niet over de gemeente als zodanig, maar indirect wordt de manier waarop wij gewend zijn om ons gemeente-zijn uit te drukken wel onder kritiek geplaatst. In veel opzichten voldoen wij immers niet aan de manier waarop hier (en in de Bijbel) over gemeenschap wordt gesproken. Er is dus werk aan de winkel om de gemeente hierin toe te rusten en daarbij kunnen we veel van het LIFE-Model leren.

Ten slotte

In deze en vorige paragrafen heb ik geprobeerd om de verhouding te bepalen tussen het LIFE-Model en de theologie. Herhaaldelijk heb ik aangevoerd dat het LIFE-Model zichzelf de beperking oplegt door uitsluitend de psychologische processen te beschrijven. Daardoor kijkt men niet verder dan de geschapen werkelijkheid en stelt men zich terughoudend op om méér over God te zeggen dan uit Zijn schepping kan worden waargenomen.
Omdat het LIFE-Model echter door christenen is ontwikkeld, toont men zich wel gevoelig voor de door God ingegeven scheppingsorde en gebruikt men deze telkens opnieuw om naar de God van de Bijbel te verwijzen.
Daarbij deinst men er ook niet voor terug om het hart dat Jezus geeft, als de essentie van hun model te benoemen.

Hoewel het volkomen legitiem is om zich bij de beschrijving van een complex onderwerp beperkingen op te leggen en dat er van psychologen ook wordt verwacht dat zij zich als professionals uitsluitend uitspreken over hun vakgebied, heeft deze benadering ook een valkuil. Een valkuil die voor velen al noodlottig is geworden, zoals ik in het onderdeel over kritiek al heb aangegeven.
Doordat men het onderwerp waarover men schrijft, afbakent, kan namelijk heel gemakkelijk de indruk ontstaan dat er sprake is van een onderscheiden terrein voor de psychologie en voor de theologie. Men zou dan kunnen denken dat er een gebied is waar de psychologie alles voor het zeggen heeft en de theologie niets en vice versa. Een dergelijke fragmentering van de werkelijkheid heeft in onze cultuur immers al geleid tot een bijna algehele uitsluiting
van de theologie. Ook kan het beeld ontstaan dat de psychologie een bepaalde reikwijdte heeft die door de theologie kan worden aangevuld. Alsof de mens in staat zou zijn om op eigen kracht een bepaald niveau te bereiken en Gods hulp alleen nog maar nodig heeft om het resterende gedeelte te overbruggen. Beide zienswijzen wijs ik hier met klem van de hand. Gods invloed omvat onze totale werkelijkheid en laat zich per definitie niet terugdringen tot een deelgebied. Daarom geldt voor een christen dat de doordenking van Gods Woord leidend is in alle aspecten van het leven. Dus ook de psychologie. Maar dat is niet het enige. Hij is ook Degene die heeft voorzien in een oplossing voor de gebrokenheid van Zijn schepping. Het is dus belangrijk dat mensen niet alleen weten dat Hij aan de oorsprong van Zijn schepping heeft gestaan, maar ook dat Hij bij het verloop betrokken wil zijn zich aan het einde van Zijn schepping bevindt. Zoals ik hiervoor al heb aangegeven, acht ik het daarom van groot belang dat er ten aanzien van zo veel mogelijk terreinen van de werkelijkheid opnieuw wordt verwezen naar Hem die dit alles heeft geschapen, onderhoudt en zal voleindigen. Hier ligt een belangrijke opdracht voor ons als christenen die dit gegeven te lang hebben genegeerd of met een soms bijna weerzinwekkende evangelisatiedrift hebben gesublimeerd.

N.B. Voetnoten zijn in deze uitgave weggelaten, maar worden in een latere publicatie wel opgenomen.

Archippus - Banner 2010

Aantal keren bekeken: 1621

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *