Joz. 24:13-15 – Wij zullen de Here dienen

Aan het einde van het boek Jozua houdt de leider van het volk een rede, waarin hij zijn levenservaring heeft omgezet in wijze woorden. Gek genoeg hebben deze woorden nog niets aan kracht ingeboet en kunnen ze zo worden toegepast door leiders van de kerk.

dienen - 01
dienen - 02
dienen - 03
dienen - 04
dienen - 05
dienen - 06In het boek Jozua wordt beschreven wat het volk Israël allemaal heeft moeten doen om het Beloofde Land in te nemen en daar zijn  plaats in te nemen. De eerste helft van het boek gaat over de strijd die het volk heeft moeten voeren om het land in te nemen. Deze periode van strijd duurde ongeveer zeven jaar. De tweede helft gaat over de periode van rust die daarop volgde. De meeste hoofdstukken zijn gewijd aan de verdeling van het land onder de stammen van Israël.

dienen - 07

De verzen die wij met elkaar gelezen hebben, staan helemaal aan het einde van het boek. Op het moment dat deze woorden werden uitgesproken had het volk de periode van strijd al achttien jaar achter zich liggen. In de tussenliggende periode was er hard gewerkt aan de opbouw van het land.

Dit moment doet mij denken aan de positie die de evangelische beweging vandaag de dag inneemt. De evangelische beweging is ooit ontstaan als een reactie op de doodsheid en vrijzinnigheid die in veel traditionele kerken waren binnengedrongen. In het begin werd zij door niemand serieus genomen, maar met het elan van een levend geloof is zij de strijd aangegaan, heeft een stormachtige groei doorgemaakt en zich een plek in deze samenleving veroverd. In de jaren daarna ging het – eigenlijk tot aan nu –  vooral over gemeenteopbouw. Voor mij is dit een duidelijke parallel met de tijd van Jozua.

Jozua is aan het einde van het boek een hoogbejaarde man: honderd en tien jaar oud. Toen hij voelde dat zijn einde naderde, besloot hij om in twee fasen afscheid van het volk te nemen.

Allereerst riep hij de verantwoordelijke leiders van het volk bijeen en hield voor hen een toespraak. De tekst van deze toespraak kunnen we lezen in hoofdstuk 23.

Nadat hij de leiders had toegesproken,  riep hij vervolgens in Sichem alle stammen bijeen en hield daar ook voor hen een afscheidsrede. De woorden van déze toespraak zijn opgetekend in hoofdstuk 24.

Beide hoofdstukken horen bij elkaar, omdat zij tezamen de laatste boodschap vertolken van een man Gods die het volk dat aan zijn zorgen was toevertrouwd, zijn beste adviezen wil meegeven. Wie zou deze woorden niet serieus nemen? Ook vandaag de dag is het nog zo dat de laatste woorden die iemand uitspreekt, extra belangrijk zijn. Juist omdat het afscheid nabij is, wil men dingen zeggen die er echt toe doen en belangrijk zijn voor degenen die vanaf dat moment zonder hem verder moeten. Dat gold ook voor Jozua. In deze twee toespraken heeft hij al zijn levenservaring omgezet in wijze woorden.

dienen - 08

Het is alleen de vraag of de woorden van Jozua ook óns wat te zeggen hebben. Veel evangelische christenen hebben helemaal niets met het Oude Testament omdat deze wereld zo ver van hen afstaat. Dat klopt ook. De concrete situatie waarin Jozua en het volk Israël zich bevinden, lijkt in niets op de wereld waarvan wij deel uitmaken. Kunnen wij dan nog wel wat met al die woorden van strijd en overwinning?

Ik denk dat wij deze woorden moeten lezen door de bril van wat Paulus in Efeze 6:12 heeft geschreven:

dienen - 09

De overeenkomst tussen toen en nu is dat ook wij in een wereld leven, waarin strijd geleverd moet worden. Onze strijd speelt zich alleen niet af in de zichtbare, maar in de onzichtbare wereld. Mijn zorg is dat ik denk dat wij dit nog wel weten, maar het niet meer kennen. Ik denk ook dat wij nogal eens uit het oog verliezen waar het in die geestelijk strijd eigenlijk om draait.

Wanneer ik de woorden van Jozua vanuit deze invalshoek probeer te verstaan, zetten zij mij niet alleen stil bij de realiteit van geestelijke strijd in mijn leven, maar ook bij wat de focus van die geestelijke strijd zou moeten zijn: het Beloofde Land.

Mag ik u eens vragen: Weet u wat úw Beloofde Land is, dat u moet verdedigen en tot bloei brengen? Weet u aan welke gevaren u blootstaat – en wat misschien nog belangrijker is: Weet u hoe u deze het hoofd moet bieden?

Ik zie dat veel christenen – als het om strijd gaat – niet veel verder komen dan een worsteling met hun persoonlijke ongemakken. “Here, geef mij een vrouw.’ ‘Here, ik wil die baan.’ ‘Here, laat mij slagen voor dat moeilijke examen.’ Onze strijd is allemaal zó op onszelf gericht en op wat wíj nodig hebben. Wordt het niet eens tijd dat wij geestelijk volwassen worden en gaan onderkennen wat God met ons voor heeft? Jozua laat ons zien dat het in de geestelijk strijd niet gaat om ónze plannen, maar om Zijn plannen. Ik zou u daarom graag willen stilzetten bij de volgende vragen.

dienen - 10Het is de moeite waard om de twee redevoeringen van Jozua in zijn geheel te lezen. Voor nu licht ik de kernboodschap eruit. Ik begin met de woorden die Jozua tot zijn leiders richt. Wat opvalt, is dat hij hen aanspreekt als een mede-leider. Hij gaat als het ware naast hen staan en deelt met hen de lessen in leiderschap die hij in zijn leven heeft geleerd. Ik lees een gedeelte vanaf vers 6. Op de dia hieronder treft u hiervan de samenvatting aan.

dienen - 11Ik neem nu elk van deze punten nog een keer kort door.

dienen - 12

Beste leiders, net als Jozua richt ik het woord tot u. We leven in een tijd waarin het Woord van God onder grote druk staat. Velen – ook binnen de evangelische beweging – kunnen de Bijbel niet meer zien als het Woord van God, hooguit als een boek van mensen over God. Mag ik u vragen wat u doet om de standvastigheid in het Woord te versterken?

Wat ik ook zie, is dat velen misschien nog wel belijden dat de Bijbel het Woord van God is, maar feitelijk niet meer weten wat erin staat. De kennis van het Woord van God is dramatisch afgenomen. Wat voor betekenis heeft onze belijden is dan nog? Hoe staat u zelf hierin en wat doet u om de mensen die aan uw zorg zijn toevertrouwd, hierin te begeleiden? Op welke wijze geeft u uitvoering aan deze opdracht?

dienen - 13Het volk Israël mocht zich niet vermengen met de andere volkeren. Voor ons geldt dat wij ons in ons denken niet mogen vermengen met andere volkeren. Wij leven in een wereld waarin alles wat met geloven te maken heeft, uit het publieke leven wordt weggedrongen. Wij worden geacht ‘neutraal’ te zijn. Ondertussen worden wij op school en in de media (radio, televisie, krant en internet) overgoten met informatie die haaks staat op de informatie die wij in onze Bijbel kunnen lezen. Iedere dag zie ik om mij heen dat mensen worden meegezogen in deze tsunami van het moderne denken waarin voor God geen plaats meer is. Ook christelijke leiders vallen hieraan ten prooi. Waar staat ú? En wat doet u er als leider aan om anderen hierin te begeleiden?

dienen - 14De God van Israël is een naijverig God die geen andere goden voor Zijn aangezicht duldt. Dit is in onze tijd niet anders. Wij leven in een tijd waarin alles is gecompartimenteerd: er is een tijd om te werken, een tijd om vrij te zijn, en een tijd om naar de kerk te gaan. Het lijkt wel alsof alles wat niet met het laatste te maken heeft, wordt leeg gemaakt van alles dat met God te maken heeft. Daarbij komt dat onze aandacht door zo veel zaken wordt getrokken dat er soms maar een miezerig klein beetje voor God overblijft. Hoe staat dat in uw leven? Wat doet u met uw tijd, met uw capaciteit, met uw inzet, met uw geld? En hoe bent u daarin een leider voor anderen?

dienen - 15

Ik zou niet graag de mensen de kost geven, die niet verder komen dan de vorige opdracht. ‘Ik dien God! Is dat niet genoeg dan?’ Zij lezen hun Bijbel, bezoeken de diensten, zetten zich in en zijn misschien zelfs een leider. Maar met al hun inspanningen en goede bedoelingen zijn zij nooit verder gekomen dan het beoefenen van religie: godsdienst. Jozua vraagt van zijn leiders dat zij God dienen met hun hart. Hoe zit dat met u: Bent u gelovig omdat u dat van huis uit hebt meegekregen? Gelooft u uit gewoonte, uit overtuiging, uit angst misschien wel? Misschien mag ik het vragen met de woorden van de Here Jezus die tot driemaal toe aan Petrus vroeg: “Hebt gij Mij waarlijk lief?” Petrus wist als haantje-de-voorste alles van godsdienst, maar toen het erop aankwam, raakte hij alles wat hij had, kwijt en verloochende zijn Meester. Deze ervaring heeft uiteindelijk gezorgd voor een verdieping van zijn geloofsleven: zijn dienen raakte geworteld in liefde.

Weet u, ik denk dat er maar weinig gemeentes zijn, die een beleidsplan hebben geschreven dat is gebaseerd op deze vier punten. De meeste gemeenten houden zich ermee bezig hoe zij aantrekkelijk kunnen zijn voor buitenstaanders en hun diensten (inclusief hun boodschap) laagdrempelig kunnen maken. Ik hoor hierover niets terug in de woorden van Jozua. Ik lees dit ook nergens in mijn Bijbel. Mag ik er daarom bij u op aandringen om de woorden van Jozua ter harte te nemen? Ik denk dat hij precies die dingen aanwijst die in ónze tijd zo van belang zijn.

dienen - 16

Dan richt Jozua zich tot het volk. Wat opvalt is dat hij het volk in zijn toespraak niet alleen met zijn eigen woorden, maar ook met Gods woorden toespreekt. “Zo zegt de Here, de God van Israël!” Wat een voorrecht! Maar ook: Hoe serieus moeten de toehoorders deze woorden dan hebben genomen!

Zijn er vandaag de dag nog leiders die het Woord van God spreken? Zijn wij nog bereid om woorden die onze leiders tot ons spreken als Woord van God te verstaan? Of stappen wij op en gaan naar de kerk om de hoek waar dingen worden gezegd die meer in overeenstemming zijn met wat wij denken en vinden?

De woorden van Jozua laten zich prachtig samenvatten in het dertiende vers: “Zo heb Ik u een land gegeven waarvoor u zich niet ingespannen hebt, en steden die u niet gebouwd hebt, en u woont erin. U eet van wijngaarden en olijfbomen die u niet geplant hebt.” De toespraak van Jozua bevat vele malen het woordje ‘Ik’. Ik, de Here, heeft zo veel voor hen gedaan.

Toen Jozua dit allemaal met Gods woorden aan het volk duidelijk had gemaakt, plaatste hij hen vervolgens met zijn eigen woorden voor een keuze: “Kies voor u heden wie u zult dienen.”

Ik denk dat het volk heel erg onder de indruk is geweest van de boodschap die Jozua hen heeft gebracht. Het antwoord dat men Jozua geeft, zal dan ook niemand verbazen: “Wij zullen eveneens de Here dienen, want Hij is onze God.”

Als ik mij nu in hun situatie verplaats dan kan ik mij voorstellen dat zij zich hebben verheugd en een heilig feest hebben gevierd. Ongeveer op de manier zoals Billy Graham een uitnodiging doet waarna er drommen mensen naar voren komen. Zoals er blijdschap is bij de engelen als één zondaar zich bekeert. Geweldig toch!

dienen - 17

Maar toen gebeurde er iets wat niemand had verwacht. Jozua nam geen genoegen met het antwoord van het volk: “U zult de HEERE niet kunnen dienen, want Hij is een heilig God, Hij is een na-ijverig God. Hij zal uw overtreding en uw zonden niet vergeven.”

Dit is misschien wel de meest merkwaardige reactie van het hele Oude Testament. Jozua besteedt een heel hoofdstuk om het volk ervan te overtuigen dat zij God moeten dienen en zodra zij aangeven dit te zullen doen, wijst hij hen keihard af. Wat gebeurt hier? Waarom doet Jozua dit? Ik kan maar één ding bedenken. Jozua was er niet van overtuigd dat het volk begreep wat hun antwoord inhield.

dienen - 18

Misschien ligt de sleutel wel in het woordje ‘eveneens’. Want wat bedoelden zij daar eigenlijk mee? Wilden zij hiermee zeggen dat zij net als Jozua de Here wilden dienen? Of bedoelden zij hiermee dat zij naast andere goden eveneens de Here wilden dienen?

Ik denk dat het laatste het geval was. In het hoofdstuk wordt een aantal keren melding gemaakt van het dienen van anderen goden. Jozua wilde het volk heel duidelijk maken dat deze dienst niet samen kon gaan met de dienst aan de God van Israël. Ook moesten zij niet denken dat zij deze dienst net zo gemakkelijk zouden kunnen vervullen als de afgodendienst. De God van Israël was een heilig God. Net zoals de Here Jezus bij Petrus deed, stelt Jozua het volk driemaal dezelfde vraag voordat hij hun antwoord accepteerde: Kiest dan heden wij gij dienen zult. Het is dan ook een vraag waarop niemand achteloos ‘ja’ kan zeggen.

Hoe zitten wij daar eigenlijk in? Hoe lang is er al ‘rust’ in ons leven? Zijn er ook in ons leven dingen geslopen die onze relatie met God hebben vertroebeld en verstopt? Wat is de rol van die andere goden in ons leven? Ik denk dat de woorden van Efeze 4:20 aangeven wat de essentie van de toespraak van Jozua voor ons betekent.

dienen - 19

De sleutel zit in het feit dat wij Christus hebben leren kennen. Hebt u Christus leren kennen? Dan moet dat zichtbaar zijn. Waardoor? Doordat wij geheel anders zijn. Anders dan wie? Anders dan zij die Christus niet kennen. Die ontmoeting met Hem moet alles aan ons veranderen. Niet een beetje anders. Gij geheel anders, zegt de tekst.

Maar is dat ook zo? Ik heb altijd gedacht dat het de kracht van de evangelische beweging was om mee te bewegen met de cultuur waarin wij ons bevinden. Onze liederen, onze kleding, onze vormen, onze taal. Eigentijds geloven, dat was het! Ik ben daar anders over gaan denken. We zijn te ver gegaan. Kiest dan heden wie gij dienen zult. Petrus, hebt gij Mij waarlijk lief. Zou het helpen als ik deze vraag driemaal aan u stel? God wil Zijn heerlijkheid door u en mij heen openbaren. Mag Hij u daarvoor gebruiken? Zou u daarvoor alles aan de kant willen zetten?

banner_mjdehaan_2011

Aantal keren bekeken: 797

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *