Joh. 4:31-39 – De witte velden

In dit gedeelte zegt de Here Jezus twee dingen die lijnrecht tegenover elkaar lijken te staan: “Zeggen jullie niet dat het nog vier maanden duurt voordat de oogst komt?” en meteen daarna: “Zie, de velden zijn wit om te oogsten!” Hoe kan dat? Wat bedoelt Hij daarmee?

joh4-01
joh4-02
joh4-03
joh4-04
joh4-05Het vierde hoofdstuk uit het Evangelie van Johannes is overbekend. De ontmoeting van de Here Jezus met de Samaritaanse vrouw is een geliefde bijbelvertelling voor zowel kinderen als volwassenen. Jezus, onderweg van Judea naar Galilea, was vermoeid geraakt en bij de waterput van Sichar gaan zitten. Zijn discipelen waren anderhalve kilometer verder de stad ingegaan om voedsel te kopen. Wanneer een Samaritaanse vrouw bij de put komt om water te tappen, vraagt Hij haar om Hem wat te drinken te geven. Vervolgens ontspint zich een hoogst merkwaardig gesprek waarin Jezus het water uit de bron vergelijkt met het levende water dat Hij haar kan geven. De vrouw begrijpt geen woord van wat Hij zegt, maar wil toch graag van dat levende water hebben. Als het waar is dat zij daarna nooit meer dorst zal krijgen, hoeft zij ook nooit meer naar de put te gaan. En dat lijkt haar wel wat. Wanneer de Here Jezus vervolgens laat merken dat Hij haar diepste geheimen kent en toch om haar geeft, ziet zij in dat Hij een heel bijzonder persoon is. Eerst herkent zij in Hem een profeet, maar al snel begint zij te spreken over de Messias waarnaar ook door de Samaritanen met verlangen werd uitgezien. Opmerkelijk is dan dat de Here Jezus dit moment onmiddellijk aangrijpt om haar te laten weten dat Hij die persoon is: “Ik die met u spreek, ben het.” De vrouw laat vervolgens haar kruik staan om de inwoners van Sichar over haar ontmoeting met deze man te vertellen: “Hij heeft mij gezegd alles wat ik gedaan heb.” En masse gaan de inwoners van Sichem op weg naar de bron om deze bijzondere man met eigen ogen te zien.

joh4-06In deze overdenking wil ik uw aandacht vragen voor de onderbreking die zich in dit verhaal voordoet, en in onze vertaling wordt ingeleid met het woordje ‘intussen’. Intussen – eigenlijk zegt het woord het al: het gaat hier om een ‘intermezzo’. Terwijl de vrouw naar Sichar terugkeert, richt Jezus zich tot de discipelen die zojuist waren teruggekeerd. Er ontspint zich tussen hen een gesprek dat zeker zo merkwaardig is als het gesprek dat Jezus met de Samaritaanse vrouw heeft gevoerd.

joh4-07

De discipelen die al verbaasd waren over het feit dat zij Hem alleen met een vrouw zagen praten – een Samaritaanse vrouw nota bene! – durven het niet aan om Hem hier rechtstreeks naar te vragen. Het enige dat zij kunnen uitbrengen, is: “Hier, Rabbi, eet!”

Op zich is dit niet eens zo’n gekke opmerking, want om deze reden waren zij immers naar de stad gegaan: om voor hen en voor hun Meester voedsel te kopen. Toch heeft Jezus heel goed in de gaten dat zij het eigenlijk over iets anders willen hebben. Daarom daagt Hij hen uit.

joh4-08

“Ik heb een spijs te eten, waarvan jullie geen idee hebben.”

De meeste mensen die dit lezen, denken dat de Here Jezus met deze woorden het eten dat zijn discipelen hebben meegebracht, heeft geweigerd. Sommigen menen zelfs dat Jezus acuut is gaan vasten. Onzin. Zoiets staat er helemaal niet. De Here Jezus wil niets anders dan met zijn discipelen in gesprek komen over het onderwerp dat zij niet durven aansnijden en dat doet Hij door het onderwerp dat zij wèl durven aansnijden om te buigen.

Ik kan mij zelfs heel goed voorstellen dat Hij na afloop van dit gesprek toch heeft gegeten, want de vrouw was net vertrokken en het zou echt nog wel even duren voordat zij haar kruik weer kwam ophalen. Zij moest immers twee keer anderhalve kilometer lopen en het hele dorp bij elkaar trommelen. De Here Jezus wil hiermee alleen maar zeggen dat Hij met andere dingen bezig is dan zijn discipelen denken.

joh4-09

“Mijn spijze is de wil te doen van Degene die Mij gezonden heeft, en Zijn wil te volbrengen.”

Met deze uitspraak laat Jezus hen zien wat zijn diepste drijfveer is: de wil van de Vader te doen en Zijn werk te volbrengen. Wat kunnen Zijn gedachten toch verschillen van die van zijn discipelen. Ik vermoed dat wij het er vandaag de dag helaas niet veel beter afbrengen.

joh4-10Ik weet niet of het u is opgevallen, maar de vorm van het gesprek lijkt erg op het gesprek dat de Here zojuist met de Samaritaanse vrouw heeft gevoerd. Er zijn verschillende parallellen waar te nemen. In het eerste gesprek wordt water als metafoor gebruikt om een geestelijke boodschap over te brengen. In het tweede gesprek is dit brood. Beiden zijn nodig om te kunnen leven. Het zijn de eerste levensbehoeften.

joh4-11In het eerste gesprek vraagt de Here om Hem iets te geven. In het tweede gesprek weigert Hij (in eerste instantie) om iets dat Hem gegeven wordt, te ontvangen.

joh4-12

In beide gesprekken wordt niet duidelijk of het water ook daadwerkelijk is gedronken en het brood is gegeten.

Het lijkt daardoor alsof deze twee gesprekken een gezamenlijke boodschap willen afgeven. Wat is die boodschap? Ik denk dat Jezus hiermee heeft willen zeggen dat er iets is dat deze eerste levensbehoeften overstijgt: het levende water dat nooit meer dorst geeft en de spijze waarvan de discipelen geen weet hebben.

joh4-13Beiden voeren terug op de relatie met God de Vader; bij de vrouw draait het om aanbidding, bij de discipelen om gehoorzaamheid. Staan wij ook vandaag nog open voor zo’n relatie? Hebben wij werkelijk deel aan datgene wat boven onze eerste levensbehoeften uitstijgt? Aanbidding lukt ons misschien nog wel, maar wat te denken van gehoorzaamheid?

joh4-14

Maar er is meer. Het gesprek gaat ook verder. De boodschap die Hij hen wil meegeven, is groter dan dit. De Here Jezus ziet dat zijn discipelen Hem niet begrijpen en licht toe wat Hij bedoelt. En juist die toelichting is voor ons zo moeilijk te verstaan. Wij waren er niet bij en bovendien zijn wij ook helemaal niet vertrouwd met de zeden en gewoonten van die tijd.

In zijn toelichting zegt de Here Jezus twee dingen die lijnrecht tegenover elkaar lijken te staan: “Zeggen jullie niet dat het nog vier maanden duurt voordat de oogst komt?” en meteen daarna: “Zie, de velden zijn wit om te oogsten!” Hoe kan dat? Wat bedoelt Hij daarmee? Deze uitspraken kunnen toch niet allebei waar zijn?

joh4-15

Als we de bijbelcommentaren hierop naslaan, geven zij hiervoor grofweg twee verklaringen. De eerste verklaring is dat deze uitspraak “Nog vier maanden, dan komt de oogst” letterlijk moet worden genomen. Dat betekent dat dit gesprek plaatsvindt ongeveer vier maanden vóór de oogsttijd. In het Midden Oosten is dit ergens in december of januari.

Een logisch gevolg hiervan is dat de opmerking die de Here Jezus daarná maakt – “de velden zijn wit om te oogsten” – dan alleen nog maar figuurlijk kan worden uitgelegd. In december zijn er namelijk geen glanzende korenvelden, zelfs niet in het Palestina van die dagen. De witte velden zouden dan betrekking hebben op de in witte klederen gehulde Samaritanen die vanuit Sichar over de – al dan niet besneeuwde – velden  naar hen onderweg zijn.

joh4-16In de tweede verklaring probeert men een beetje los te komen van een al te letterlijke uitleg van de eerste uitspraak “Nog vier maanden, dan komt de oogst”. Deze zou dan betrekking hebben op een in die tijd bekend gezegde dat het in zijn algemeenheid vanaf de zaaitijd vier maanden duurt voordat er kan worden geoogst. Los van het feit dat er geen enkel bewijs is, dat er zo’n gezegde heeft bestaan – de Joodse Mishnah (Ta’anith, 1.7) spreekt zelfs over een periode van zes maanden – denk ik niet dat men hiermee echt afstand kan nemen van een situering in de maand december. Het woordje ‘nog’ en het weglaten van de vermelding ‘vanaf de zaaitijd’ maakt onweerlegbaar duidelijk dat het gaat om een periode gemeten vanaf nu. Nog vier maanden, dan komt de oogst. Nog negen maanden, dan komt de baby. Dat betekent vier maanden, negen maanden vanaf nu. (Overigens is het zo dat in beide visies de tweede uitspraak figuurlijk wordt gelezen. Dus ook hier verwijzen de witte velden naar de Samaritanen die eraan komen.)

joh4-17Samenvattend kunnen we concluderen dat we – ongeacht of we de eerste uitspraak letterlijk nemen of als een gezegde willen lezen – uitkomen op december als de maand waarin dit gesprek tussen Jezus en zijn discipelen plaatsvindt. Is het belangrijk om dit te weten? Maakt het wat uit? Soms maakte het niet uit wanneer iets wordt gezegd, maar in dit geval is het echt belangrijk om te kunnen begrijpen wat er staat. En in dit geval weet ik zeker dat december niet klopt.

joh4-18Wanneer wij door de eerste hoofdstukken van het Johannesevangelie bladeren, zien we dat er sprake is van een duidelijke opeenvolging van gebeurtenissen. Zij worden steeds in volgorde van tijd verteld, waarbij de afzonderlijke perioden duidelijk met elkaar worden verbonden. Het gedeelte 1:19 – 2:11 wordt wel het Dagboek van de eerste week in de bediening van de Here Jezus genoemd. ‘Daarna’, zo staat er in 2:12 daalde Hij af naar Kafernaüm, waar zij ‘niet vele dagen’ verbleven, om vandaar naar Jeruzalem te reizen om het Pascha te vieren (2:13). Allemaal concrete bepalingen van tijd, in chronologische volgorde vermeld.

joh4-19Tijdens het Pascha verrichtte Jezus indrukwekkende tekenen waardoor velen in Zijn naam gingen geloven. Vanuit Jeruzalem was Hij eerst naar Judea gegaan, waar Hij veel volgelingen kreeg, die door de discipelen werden gedoopt. Toen bleek dat Zijn succes bij de Farizeeën bekend werd, zag Hij zich genoodzaakt op te breken en naar Galilea terug te keren. Hierover gaat onze schriftlezing: Jezus nam met Zijn discipelen de route door Samaria en onderweg deden zij ook Sichar aan.
Uit deze context blijkt duidelijk dat het gesprek bij de bron nooit in december of januari kan hebben plaatsgevonden. Het Pascha was immers al geweest. In Joh. 4:45 wordt beschreven hoe Hij door de Galileeërs ontvangen werd. Zij ontvingen Hem gastvrij… “omdat zij gezien hadden wat Hij in Jeruzalem op het feest had gedaan, want zij waren ook zelf naar het feest geweest.” Het blijkt dat  de Galileeërs nog vers in het geheugen hadden zitten wat er in Jeruzalem allemaal was gebeurd. Daarom kan het niet anders dan dat de Here Jezus waarschijnlijk zes of zeven weken na het Paasfeest met Zijn discipelen in Sichar arriveerde, mogelijk omstreeks eind mei, begin juni. U raadt het al: op het moment dat Jezus dit gesprek met Zijn discipelen voerde, was het koren op de velden meer dan rijp om te worden geoogst. Precies zoals de Here Jezus het heeft beschreven.

joh4-20

Wanneer wij met deze inzichten terugkeren naar de twee uitspraken uit het gesprek van Jezus met Zijn discipelen, kunnen wij in ieder geval vaststellen dat de tweede uitspraak letterlijk is bedoeld: De velden waren daadwerkelijk wit om te oogsten. Het koren was echt rijp!

Ten aanzien van de eerste uitspraak hadden wij al vastgesteld, dat deze zowel bij een letterlijke als een figuurlijke lezing betekent dat er een periode van vier maanden moet worden geteld vanaf nu. Dat betekent dat we vier maanden moeten optellen bij een situering in mei/juni. Daarmee komt ons schema er als volgt uit te zien.

joh4-21De velden rondom Sichar zijn rijp om te oogsten, terwijl de discipelen aangeven dat de oogst pas rond september/oktober kan worden binnengehaald. Hoe kan dat? De tarwe en het gerst zijn rijp, maar worden niet binnengehaald. Sterker nog, normaal gesproken worden deze gewassen tussen eind maart en begin juni gemaaid, maar hier is het eind mei of begin juni en zij staan er nog steeds!  Ik kan mij maar één situatie voorstellen waarbij dit mogelijk is.

joh4-22Deze gebeurtenis speelde zich af in een sabbatsjaar! Wij zijn in onze cultuur helemaal niet vertrouwd met het fenomeen ‘sabbatsjaar’, maar voor Joden en Samaritanen was dit een belangrijke gebeurtenis. Wist u dat het schenden van sabbatsjaren één van de redenen was dat Juda in ballingschap is gevoerd? (II Kron. 36:21) Ik wist het ook niet, maar kwam erachter toen ik mij in dit gedeelte verdiepte. De lengte van de ballingschap was bepaald aan de hand van het aantal jaren dat zij hadden verzuimd om het sabbatsjaar na te leven. Zó belangrijk was het!

joh4-23Wat sabbatsjaren zijn, kunnen we onder meer nalezen in Exodus 23:10-11: “Zes jaar zult gij uw land bezaaien en zijn opbrengst inzamelen, maar in het zevende zult gij het braak laten liggen en het met rust laten, opdat de armen van uw volk eten, en wat zij overlaten zal het gedierte des velds eten.

joh4-24In Leviticus 25 wordt ook nog gesproken over een bijzonder sabbatsjaar: het jubeljaar dat telkens na zeven sabbatsjaren, in het vijftigste jaar van start gaat en in september/oktober begint, op de Grote Verzoendag. Waarschijnlijk markeerde de Grote Verzoendag ook het begin en einde van een sabbatsjaar. Onderzoek heeft uitgewezen dat de sabbatsjaren in de eerste eeuw door zowel de Joden als de Samaritanen werden nageleefd, in ieder geval op het agrarische vlak. Dit was niet het geval met de jubeljaren. Hiermee kunnen we begrijpen waarom de discipelen in mei/juni van een oogstrijp veld konden zeggen dat er pas over vier maanden geoogst kon worden: het voorval vond plaats tijdens een sabbatsjaar. Pas nadat deze was afgelopen, mochten de gewassen van het veld worden gehaald.

joh4-25

Daarmee krijgt het gesprek dat Jezus met zijn discipelen voert, een hele andere lading. Het thema van de ‘witte velden’ blijkt ineens helemaal niet meer te slaan op de drommen Samaritanen die massaal komen toestromen. Dat kan ook niet, want op het moment dat dit gesprek gevoerd wordt, is de vrouw nog maar net vertrokken en het zal nog geruime tijd duren voor zij de afstand naar het dorp heeft afgelegd en alle mensen heeft opgetrommeld. In plaats daarvan legt Jezus met behulp van het rijpe gewas uit dat Hij is gekomen om het werk van de Vader af te maken; “Degene die Mij gezonden heeft, en Zijn werk te volbrengen.”

Het heldere, rijpe gewas op de velden, waar geen mensenhand werk aan heeft verricht, maar dat is ontsproten uit zaad dat bij de vorige oogst op de grond was achtergebleven, schreeuwt als het ware om iemand die het werk komt afmaken. Iemand die er tot op die dag niet is geweest. Meestal als het onderwerp sabbat, sabbatsjaar en jubeljaar aan de orde komt, komt men uit bij de zorg voor de aarde (het milieu en zo), maar wanneer wij even verder kijken, zien we dat zij alle drie verwijzers zijn naar een bijzondere tijd.

joh4-26

De profeet Amos heeft hierover het volgende gezegd: “Zie, de dagen komen, luidt het Woord des Heren, dat de ploeger zich aansluit bij de maaier en de druiventreder bij hem die het zaad strooit; dan zullen de bergen druipen van jonge wijn en al de heuvelen daarvan overvloeien.”

Sabbat, sabbatsjaar en jubeljaar zijn alle drie verwijzers naar die Grote Toekomst. De discipelen moeten hiervan zeker hebben geweten. Zij kenden ook de profetie van Daniël waarin de volheid van de tijd wordt berekend met jaarweken die telkens met een sabbatsjaar worden afgesloten.

Er is er maar Eén die gerechtigd is om in dit patroon te handelen en dat is Degene die door de Vader is gezonden om Zijn werk af te maken. Die Ene is Jezus. “Reeds ontvangt de oogster loon en verzamelt hij vrucht ten eeuwige leven, opdat de zaaier zich samen met de maaier mag verheugen.” Eigenlijk zegt Jezus hier tegen zijn discipelen hetzelfde als Hij tegen de Samaritaanse vrouw heeft gezegd: “Ik, die met u spreek, ben het.” Daarmee hebben wij een vierde overeenkomst tussen deze twee gesprekken vastgesteld. Hij is de langverwachte Messias die komt om de oogst binnen te halen. De toevoeging “ ten eeuwige leven” geeft aan dat het vooralsnog om een geestelijke vervulling gaat. In hoeverre zijn wij ons nog hiervan bewust?

Wij zijn in onze evangelische cultuur zo gewend om over Jezus te spreken en te denken als “onze Vriend”. Dat is Hij ook, maar ik ben bang dat wij weleens uit het oog verliezen dat Hij niet zomaar een vriend is. Hij is Degene naar wie de hele geschiedenis heeft uitgekeken en uitkijkt. In Gods ordening stond en staat alles in het teken van Zijn komst. De vraag die zich aan ons opdringt, is of dit ook de plek is die Hij in ons leven inneemt.  Deze paar verzen uit Joh. 4 hebben mij opnieuw stilgezet bij wie Hij is en ik ben er stil van geworden. Hij die alles in alles is, mijn vriend wil zijn! Maar wat doet dat met mij?

joh4-27Ik sluit af met de laatste – en niet minder raadselachtige – opmerking uit de toelichting van de Here Jezus: “Ik heb u uitgezonden om datgene te maaien, wat u geen arbeid heeft gekost.” Ik kan deze uitspraak onmiddellijk plaatsen als hij in de toekomende tijd had gestaan; als Jezus zoiets had gezegd als: “Ik zal jullie uitzenden om datgene te maaien waarvoor Ik arbeid heb verricht.”

joh4-28

Dan is deze uitspraak namelijk een directe verwijzing naar het zendingsbevel waar de opdracht wordt gegeven, en de uitstorting van de Heilige Geest, waarmee de toerusting plaatsvindt.

Maar er staat geen toekomende tijd. Er staat: “Ik heb u uitgezonden.” Voltooid tegenwoordige tijd. Het gaat om iets dat al is gebeurd. Maar wat is dat dan? Is Jezus niet net met zijn bediening begonnen en hebben zijn discipelen zich niet net bij Hem aangesloten?

joh4-29Als u een beter idee heeft, mag u het zeggen, maar ik denk dat dit te maken heeft met wat er aan het begin van Joh. 4 staat. Daar staat dat de discipelen degenen waren, die de mensen doopten. Deze waren onder het gehoor geweest van Jezus, en daarvoor waarschijnlijk van Johannes, en werden nu door de discipelen gedoopt. Zij die nog niet de helft begrepen van wat de Here tegen hen zei, maakten datgene af waarvoor anderen het fundament hadden gelegd. Kennelijk heeft de Here Jezus bij het vervullen van Zijn opdracht meteen zijn discipelen ingezet. Wat een vertrouwen!

joh4-30Jezus, het middelpunt en einddoel van de heilsgeschiedenis, die van Zijn vader een opdracht heeft gekregen die alleen Hij kon vervullen, heeft deze opdracht in gehoorzaamheid uitgevoerd en daarbij vanaf het allereerste begin Zijn discipelen ingeschakeld. Dit was het moment waarop bij mij het schaamrood op de kaken kwam. Want wat is mijn bijdrage aan de opdracht die Jezus in gehoorzaamheid heeft uitgevoerd? Tot hoe ver reikt mijn gehoorzaamheid? Ben ik door Jezus vooral als vriend te zien, Zijn grootheid niet uit het oog verloren? Ben ik niet vergeten dat de opdracht om Hem te volgen een groot voorrecht is en geen verplichting?

Naschrift: het diagram

Voor wie er nog niet van overtuigd is dat dit gesprek tijdens een sabbatsjaar plaatsvindt, zijn er aanvullende aanwijzingen te vinden in het Lucasevangelie, waar Jezus bij zijn aankomst in Nazareth in de synogoge de schriftlezing doet en een gedeelte uit Jesaja leest dat betrekking heeft op het jubeljaar (Luc. 4). Kondigt Hij daar naast zijn eigen bevrijdende bediening misschien het jubeljaar aan?

Het gedeelte dat gaat over het arenplukken op de sabbat (Luc. 6) speelt zich nog weer later in het jaar af en nog steeds staat het gewas op het land…

joh4-31banner_mjdehaan_2010

Aantal keren bekeken: 930

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *