Joh. 14:1-14 – Bidden als levensstijl

Tijdens zijn afscheidsrede maakt Jezus vier keer een vergaande opmerking over de verhoring van onze gebeden. Toch zijn er maar heel weinig mensen die bidden met de volle overtuiging dat God zal doen wat Hem wordt gevraagd. Hoe zit dat?

joh14-01Ik lees u een klein stukje voor uit een boekje dat is geschreven door de predikant van de grootste kerk ter wereld.

joh14-02

“Op een keer werd ik uitgenodigd om ergens te spreken. De vrouw van de predikant vroeg me of ik naar het kantoor van haar man wilde komen. Deze vroeg of ik alsjeblieft voor een vrouw uit zijn gemeente wilde bidden. ‘Zij wil graag trouwen, maar heeft nog geen man gevonden.’
Toen de vrouw binnenkwam, vroeg ik haar: ‘Zuster, hoe lang bent u al aan het bidden om een echtgenoot?’ Zij antwoordde: ‘Al meer dan tien jaar.’
– Waarom heeft God uw gebed dan niet verhoord? Om wat voor soort echtgenoot heeft u dan gevraagd?’
Zij haalde haar schouders op: ‘Dat moet God maar uitmaken. Hij weet immers alles.’
– ‘Nu begaat u toch echt een vergissing. God werkt nooit alleen, maar wil u daarbij inschakelen. Hij mag dan wel de eeuwige bron zijn,toch werkt Hij alleen door uw verzoeken. Als u echt wilt dat ik voor u bid, kom dan tegenover me zitten en schrijf de antwoorden op de vragen die ik u ga stellen, nauwkeurig op. Dit zijn de vragen:
– Wat voor echtgenoot wilt u? Zwart, wit, rood of geel?
– Hoe lang moet hij zijn?
– Welk postuur moet hij hebben?
– Wat is zijn beroep en welke hobby’s heeft hij?

Ik nam zeker tien vragen  met haar door en liet haar daarna de lijst met antwoorden hardop voorlezen. De uitkomst was zoiets als: een lange, slanke, blanke, knappe en muzikale leraar. Toen zei ik haar: ‘Doe uw ogen dicht. Kunt u uw man nu zien? ’
– ‘Ja, ik kan hem duidelijk zien.’
– ‘Oké. Dan gaan wij God nu om hem vragen. U kunt pas vragen als u uw man duidelijk voor de geest kunt halen, anders kan God u niet verhoren. U moet hem duidelijk zien voordat u begint te bidden. God verhoort nooit vage gebeden.’
Ze knielde neer en ik legde haar de handen op. ‘O God, nu weet zij wat voor man zij wil. Ik zie haar man. U kent haar man. Wij vragen U om hem in de naam van Jezus.’

Er ging een jaar voorbij en ik moest weer in die omgeving zijn. Een dag van tevoren werd ik opgebeld door de vrouw van de predikant: ‘Herinnert u zich dat meisje waarvoor u gebeden hebt? Zij is inmiddels getrouwd! Diezelfde zomer nog is er een muziekleraar met zijn combo naar onze kerk gekomen voor  een aantal opwekkingsbijeenkomsten. Hij was nog ongehuwd en alle meisjes waren weg van hem. Maar hij was altijd in de buurt te vinden van de vrouw waarvoor u gebeden heeft, en voordat hij wegging, vroeg hij haar of zij met hem wilde trouwen. Natuurlijk hoefde zij daarover niet lang na te denken.’

Ik kan ik mij heel goed voorstellen dat u bij zo’n verhaal uw bedenkingen heeft. Die heb ik ook. Het is alleen de vraag of dit de juiste bedenkingen zijn.

joh14-03

Voor sommigen is bidden niet meer dan een gewoonte. ‘Here, zegen deze spijze. Amen’, zeggen ze dan voor het eten, omdat we het nu eenmaal zo geleerd hebben. En daar laten zij het bij.
Voor anderen is bidden misschien meer een plichtpleging. Als je christen bent, behoor je te bidden. ‘Heer, wees met de armen in de wereld’, zeggen ze dan, omdat ze vinden dat ze – behalve dat ze moeten bidden – ook in ons geloof sociaal bewogen moet zijn. En zij slepen zichzelf iedere week naar de bidstond van de kerk.
Voor de tobberds onder ons is bidden misschien wel een uitlaatklep om lekker te kunnen klagen. ‘Heer, ik voel me toch zo in de steek gelaten’, zeggen ze dan. Alles wat ze kwijt willen of wat hen dwars zit, leggen ze dan bij Hem neer.

Ik denk dat er per saldo maar heel weinig mensen zijn, die gewend zijn om te bidden in de volle overtuiging dat God daadwerkelijk zal doen wat zij van Hem vragen. Maar mag dit de reden zijn dat wij het gebed uit ons voorbeeld afwijzen? Omdat het niet onze manier van bidden is, is het nog niet verkeerd! Misschien zien wij het wel verkeerd. We zullen het gebed uit ons voorbeeld op zijn minst moeten toetsen aan datgene wat in de Bijbel over bidden wordt gezegd.

joh14-04Het gebed voor deze ongehuwde vrouw komt heel dicht bij de tekst die wij vanmorgen hebben gelezen. “Wat jullie dan in mijn naam vragen, dat zal ik doen, zodat door de Zoon de grootheid van de Vader zichtbaar wordt. Wanneer je iets in mijn naam vraagt, zal ik het doen.” (14:13-14). Deze woorden maken deel uit van de laatste grote rede die de Here Jezus heeft uitgesproken, tijdens en na de viering van de Pesachmaaltijd. Johannes heeft in zijn Evangelie maar liefst vijf hoofdstukken aan deze toespraak gewijd. Het begint in hoofdstuk 13 waar Jezus de voeten van zijn discipelen wast, en eindigt in hoofdstuk 18:1 wanneer Jezus met zijn discipelen naar de overzijde van de beek Kidron vertrekt, om te worden gearresteerd.

joh14-05Wanneer we deze rede in zijn geheel zouden doorlezen, zouden we erachter komen dat Jezus maar liefst vier keer zo’n  vergaande opmerking heeft gemaakt over de verhoring van onze gebeden. De eerste keer hebben we net gelezen. De tweede keer is in 15:7, waar Jezus zegt: “Als jullie in mij blijven en mijn woorden in jullie, kun je vragen wat je wilt en het zal gebeuren.” Een paar verzen verder staan de woorden: “Wat je de Vader in mijn naam vraagt, zal hij je geven.” En in 16:23 zegt Hij: “Maar ik verzeker jullie: wat je de Vader ook vraagt in mijn naam – hij zal het je geven. Tot nu toe hebben jullie niets in mijn naam gevraagd, maar vraag het en je zult het ontvangen.”  Kortom: we hebben hier te maken met een boodschap waar we niet omheen kunnen. Maar hoe moeten we deze woorden dan verstaan?

joh14-06

Wanneer ik tegen u zou zeggen dat ik kan vliegen, zou u mij voor gek verklaren. Maar wanneer ik tegen u zou zeggen dat ik kan vliegen in een vliegtuig, wordt mijn uitspraak al veel aannemelijker. Hetzelfde geldt voor de vier uitspraken over de verhoring van onze gebeden. Wanneer wij ze isoleren van de rede waarin zij zijn uitgesproken, maken we er een karikatuur van. Dan wordt de boodschap ongeloofwaardig. ‘Vraagt wat je maar wilt en het zal gebeuren.’ Iedereen weet dat het zó niet werkt. De Bijbel getuigt daar zelf al van in de brief van Jacobus, waar de lezers erop worden gewezen dat hun gebeden niet worden verhoord omdat zij verkeerd bidden! Ook toen al had men ervaring met onverhoorde gebeden. We moeten deze uitspraken daarom lezen binnen de context waarin ze zijn uitgesproken. Jezus heeft veel meer gezegd dan alleen maar deze vier uitspraken.

Sommigen denken zich er makkelijk vanaf te kunnen maken. Zij beweren dat deze uitspraken niet voor ons zijn bedoeld. Jezus zou zich in zijn afscheidsrede uitsluitend tot zijn discipelen hebben gericht en het pas helemaal aan het eind van zijn rede, tijdens het hogepriesterlijk gebed, over de overige gelovigen hebben: “Ik bid niet alleen voor hen, maar ook voor allen die door hun verkondiging in mij geloven.” (Joh. 17:20)

Ik vind dit een té makkelijke oplossing. Jezus spreekt in zijn afscheidsrede óók over de uitstorting van de Heilige Geest en we weten heel goed dat dit zich niet heeft beperkt tot de Twaalven. In onze Schriftlezing hebben we gelezen dat Jezus spreekt over vele woningen en dat Hij heengaat om voor hen plaats te bereiden. Het kan toch niet zo zijn dat dit alleen maar over de discipelen gaat. In vers 12 lezen wij over: “Wie op mij vertrouwt”; deze groep is sowieso veel groter dan alleen maar die paar discipelen die daar aanwezig waren. Ik geloof dat de Here Jezus hier weliswaar zijn twaalf discipelen aanspreekt (of eigenlijk zijn het er nog maar elf), maar dat Hij zich in hen richt tot de gehele gemeente die zij vertegenwoordigen. De belofte “Wanneer je iets vraagt in mijn naam, zal ik het doen” is daarom wel degelijk op ons van toepassing.

joh14-07

De betekenis van deze belofte moeten wij verstaan tegen de achtergrond van de hele afscheidsrede. Ik heb hier daarom een viertal aspecten uitgelicht, die ons inzicht in deze teksten kunnen verhelderen. Zij vormen de achtergrond van de vier teksten die gaan over de verhoring van onze gebeden. De meesten daarvan vinden wij ook terug in onze schriftlezing.

  1. Eenheid onder elkaar
  2. Eenheid met Hem
  3. Vragen in Zijn naam
  4. Doen van Zijn werken

joh14-08

Eenheid onder elkaar. Het eerste aspect heb ik ‘Eenheid onder elkaar’ genoemd. De afscheidsrede van de Heer wordt in 13:1 ingeleid met de woorden dat “Hij de mensen die hem in de wereld toebehoorden liefhad, en dat zijn liefde voor hen tot het uiterste zou gaan.” Direct daarna begint de beschrijving van de voetwassing. We lezen dat de Here Jezus opstaat en de voeten van Zijn discipelen gaat wassen. Maar waarom doet Hij dit? Ik denk dat het een  ultieme uitdrukking is van het feit dat Hij de zijnen tot het laatste heeft liefgehad, nog even los van het feit dat Hij zijn leven voor hen heeft gegeven. Maar dat is niet het enige. In vers 14 zegt Hij: “Als ik, jullie Heer en jullie meester, je voeten gewassen heb, moet je ook elkaars voeten wassen. Ik heb een voorbeeld gegeven.” Jezus laat ons met de voetwassing zien hoe wij elkaar moeten liefhebben. Wij hebben lief door elkaar te dienen.

In zijn toespraak komt Hij nog twee maal op deze liefde voor elkaar terug. Beide keren haalt Hij zichzelf als voorbeeld aan.  In 13:34 zegt Hij: “Ik geef jullie een nieuw gebod: heb elkaar lief. Zoals ik jullie heb liefgehad, zo moeten jullie elkaar liefhebben.” Een nieuw gebod.  Jezus leert ons in deze toespraak een nieuw liefdesgebod dat het oudtestamentische gebod om uw naaste lief te hebben als uzelf, verdiept. Eigenlijk zegt Hij: “Gemeente, heb elkaar lief boven uzelf!” In 15:12-17 komt Jezus nogmaals op het liefdesgebod terug, zodat het thema als een rode draad door heel de toespraak heenloopt en uiteindelijk in de laatste regel van het hogepriesterlijk gebed wordt afgesloten met de woorden: “zodat de liefde, waarmee u mij liefhad in hen zal zijn.” (Even terzijde: doordat Jezus hier eveneens terugkomt op het thema ‘slaven’ legt Hij een verband met de voetwassing).

Hoe diep die liefde gaat, wordt uiteindelijk duidelijk in het hogepriesterlijk gebed, waar Jezus bidt: “Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals u in mij bent en ik in u.” (17:21). Daarmee komen we uit bij het tweede aspect: eenheid met Hem. Dat dit het tweede aspect is, wordt duidelijk als Petrus bij de voetwassing weigert zijn medewerking te verlenen: “Als ik ze niet mag wassen, kun je niet bij mij horen.” Petrus, als jij hieraan niet wilt meedoen, kun jij ook geen deel hebben aan de eenheid met Mij…

joh14-09Eenheid met Hem. In het gedeelte dat wij hebben gelezen, begrijpen de discipelen niet hoe Jezus zich tot Zijn Vader verhoudt: “Laat ons de Vader zien, Heer.” Met de beste wil van de wereld zien zij niet dat de Jezus en de Vader één zijn. En Jezus ziet geen mogelijkheid om het hen uit te leggen. Toch blijft Hij het proberen: “Ik spreek niet namens mijzelf als ik tegen jullie spreek, maar de Vader die in mij blijft, doet zijn werk door mij.” (14:10).  – Hij bedoelt hiermee dat Hij Zich in Zijn denken en doen zo zeer aan de Vader heeft overgegeven dat Hij kan zeggen: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” (14:9).  Zijn gedachten zijn de gedachten van de Vader en Zijn werken zijn de werken van de Vader. De discipelen begrijpen het niet. Maar dit weerhoudt de Here Jezus er niet van om erover op te houden. Ondanks dat zij het nu nog niet kunnen bevatten, gaat Hij een stap verder en wijst hen op een nieuwe manier waarop zij zich tot God kunnen verhouden. Naast een nieuw gebod geeft Hij hen ook een nieuwe relatievorm. “Als ik niet ga zal de pleitbezorger niet bij jullie komen, maar als ik weg ben, zal ik hem jullie zenden..” Vanuit de eenheid die Hij met de Vader vormt, trekt Hij via de Heilige Geest de lijn door naar Zijn volgelingen: “Dan zul je begrijpen dat ik in mijn Vader ben, dat jullie in mij zijn en dat ik in jullie ben.” Met ‘dan’ bedoelt Hij de uitstorting van de Heilige Geest. Dan zullen zij begrijpen dat Jezus en de Vader één zijn. Dan zullen zij begrijpen dat ook zij door de Heilige Geest bij die eenheid tussen Vader en Zoon betrokken worden. Dan zullen zij beseffen dat ook van hen wordt gevraagd dat zij de gedachten van de Vader zullen denken. Eenheid met Hem betekent niets meer en niets minder dan: bedenken wat Hij zou doen. “De Geest van de waarheid zal jullie, wanneer hij komt, de weg wijzen naar de volle waarheid.” (16:13) Vanuit het weten wat Hij wil mogen wij dan een stapje verder gaan en vragen in Zijn naam.

joh14-10

Vragen in Zijn naam. Het is voor ons zo vanzelfsprekend om een gebed af te sluiten met de woorden ‘in Jezus’ Naam, amen’ dat wij niet meer beseffen wat wij daarmee zeggen. Voor sommigen is het een gewoonte geworden, zoals je ‘goeie morgen’ zegt, of ‘tot ziens’. Voor anderen is het een soort formule waarmee zij denken hun gebed kracht bij te zetten. Zij zijn zich vaag bewust van de belofte die de Here Jezus hieraan verbindt. En baat het niet, dan schaadt het ook niet. Toch heeft Jezus de woorden ‘in Mijn naam’ niet zo bedoeld. Zij zijn niet bedoeld als een krachtterm, maar zeggen iets over de positie die wij hebben, wanneer wij leven vanuit die eenheid met Hem, waarover wij in het tweede aspect gesproken hebben. Dan kennen wij Zijn wil en mogen deze vertolken. Wanneer wij uit iemands naam spreken, dan spreken wij namens de ander, als zijn plaatsvervanger, zijn representant, zijn vertegenwoordiger. Het spreekt dan ook voor zich dat wij – als wij dat doen – zo nauwkeurig mogelijk proberen weer te geven wat onze opdrachtgever van ons verwacht. Het tweede aspect is voorwaarde voor het derde aspect.

Net als de twee andere aspecten is ook het bidden in Jezus’ naam iets nieuws dat de Heer aan zijn discipelen geeft. Wanneer Jezus in zijn rede voor de vierde keer over gebedsverhoring spreekt, zegt Hij: “Tot nu toe hebben jullie niets in mijn naam gevraagd.” Tot nu toe. Dat betekent dat nog niet eerder zó gebeden werd. Het verschil zit hierin dat Jezus pas nu op het punt staat om Zijn naam voor eeuwig te vestigen. Wanneer hij aan het kruishout hangt, lijkt het alsof Zijn lot bezegeld is, maar wanneer Hij een paar dagen later door de dood heen breekt en uit Zijn graf verrijst, blijkt Zijn kracht zo groot te zijn dat Hij letterlijk Naam heeft gemaakt. Vanaf dat moment is deze overwinningskracht onlosmakelijk met Zijn naam verbonden en het is op het gezag van deze naam dat wij mogen optreden.  Wat een autoriteit! En wat een bijzonder en kostbaar geschenk dat wij Zijn naam mogen gebruiken!

joh14-11Het doen van Zijn werken. Dit brengt mij bij het vierde en laatste aspect: het doen van Zijn werken. Slechts eenmaal wordt hierover in de afscheidsrede gesproken, maar ik ben ervan overtuigd dat dit ten aanzien van het thema  gebedsverhoring een ondergewaardeerd aspect is. In 14:12 zegt de Here Jezus namelijk iets sensationeels: “Wie op mij vertrouwt zal hetzelfde doen als ik, en zelfs meer dan dat.” Ik moet hierbij denken aan een situatie zoals beschreven in Handelingen 3. Petrus en Johannes, net vervuld met de Heilige Geest en vol van Zijn kracht, gaan naar de tempel. Zij zijn de leiders van de jonge gemeente die zich kenmerkt door een grote onderlinge saamhorigheid. De ervaring van de Doop in de Heilige Geest is voor beide mannen zo bijzonder geweest, dat zij zich voortdurend bewust zijn van Zijn aanwezigheid. In gedachten zijn zij voortdurend met Hem in gesprek. Bij de poort van de tempel zien zij een verlamde man, die hen om een aalmoes vraagt. Misschien zijn zij wel honderd keer eerder langs deze man gelopen en is hij hen nooit opgevallen. Maar nu fluistert de zachte stem van de Geest hen iets in. Verstaan zij het goed? Dan doet Petrus een stap naar voren: “Geld heb ik niet, maar wat ik wel heb, geef ik u: in de naam van Jezus Christus van Nazaret, sta op en loop!” En de man herstelt.

joh14-12

Hiermee hebben wij vier aspecten uit de afscheidsrede van de Here Jezus belicht, die de context vormen van vier opmerkelijke teksten over gebedsverhoring. Mijn indruk is dat deze aspecten elkaar opvolgen en de randvoorwaarden vormen voor de verhoring van onze gebeden.

We hebben het gehad over de dienstbaarheid en nieuwe naastenliefde die de eenheid onder elkaar moet kenmerken. Heb elkaar lief boven uzelf. Wanneer wij dit als grondhouding voor ons gebed nemen, worden wij behoed voor het verkeerde bidden waarvoor Jakobus ons waarschuwt. Mag ik u eens vragen: zou het kunnen dat de verhoring van onze gebeden uitblijft, omdat wij op dit punt tekortschieten?

We hebben het gehad over de eenheid met Hem als een nieuwe relatievorm waarin wij Hem leren kennen en Hij ons leven kan leiden. Wanneer wij dit als grondhouding voor ons gebed nemen, wordt bidden tot een levensstijl waarbij luisteren belangrijker is dan spreken. Mag ik u eens vragen: zou het kunnen dat de verhoring van onze gebeden uitblijft omdat wij op dit punt tekortschieten?

We hebben het gehad over het vragen in Zijn naam als een nieuwe vorm van bidden, waarbij wij ons ervan bewust zijn dat wij in Zijn plaats mogen handelen en bekleed zijn met de autoriteit die Zijn naam oproept. Wanneer wij dit als grondhouding voor ons gebed nemen, wordt ons bidden tot een gelovig proclameren dat Zijn wil geschiede… Mag ik u eens vragen: zou het kunnen dat de verhoring van onze gebeden uitblijft omdat wij op dit punt tekortschieten?

We hebben het gehad over het doen van Zijn werken als een nieuwe vorm van discipelschap. Jezus noemt het maar één keer, maar toch is het zo: God leidt de zijnen met zijn Geest en schakelt hen in bij de verhoring van gebeden. Mag ik u eens vragen: zou het kunnen dat de verhoring van onze gebeden uitblijft omdat wij op dit punt tekortschieten?

joh14-13

Tot slot wil ik u nog wat huiswerk meegeven.

  1. Ik wil u vragen om met de kennis die wij nu hebben, nogmaals het voorbeeld uit deze overdenking te evalueren.
  2. Met de kennis uit deze overdenking kunt u twee dingen doen. U kunt denken: Gelukkig, deze vier beloften zijn niet zo ongenuanceerd als ik had gedacht. U bent dan bevestigd in uw eigen gelijk en hoeft niets te doen of te veranderen. Maar u kunt ook denken: Gelukkig, nu weten wij hoe wij deze vier beloften op een Bijbelse manier kunnen toepassen. Dan is er werk aan de winkel.
  3. Wanneer u de vier aspecten uit de afscheidsrede van de Here Jezus serieus wilt nemen, wat zou er dan moeten veranderen in uw persoonlijk leven, maar ook in de gemeente?

banner_mjdehaan_2010

 

Aantal keren bekeken: 414

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *