Israël als wereldmacht I

De meeste mensen denken dat Israël ten tijde van de Bijbelse geschiedenis van weinig betekenis is geweest voor de omringende landen. Persoonlijk wist ik al wel dat het land onder koning David en Salomo een ongekende bloeitijd heeft gekend, waarin de landsgrenzen werden verlegd tot aan de Eufraat en Egypte. Maar Steven M. Collins gaat nog een stap verder door te zeggen dat Israël zich in deze periode heeft ontwikkeld tot een wereldmacht. De uitspraken die hij hierover doet, zijn ronduit fascinerend en wat mij betreft… zeer plausibel. Ik wil hieronder proberen samen te vatten wat zijn argumenten zijn, maar eerst is het van belang om een korte schets te geven van de geopolitieke situatie in het Midden Oosten van rond 1000 v.Chr.

De geopolitieke situatie

Het gebied van Mesopotamië heeft diverse grote beschavingen gekend, waaronder die van de Soemeriërs, de Babyloniërs en de Assyriërs. De Soemerische beschaving is de oudste van de drie. De koningslijst die archeologen aan het begin van de twintigste eeuw hebben gevonden, gaat zelfs middels een latere toevoeging terug naar de tijd vóór de zondvloed. Deze toevoeging vertoont opmerkelijke overeenkomsten met de gegevens in het boek Genesis. Rond 1800 v.Chr. is dit Rijk overgegaan in het Babylonische rijk, dat heeft bestaan tot 539 v.Chr. In zijn geschiedenis stond het regelmatig op gespannen voet met het noordelijker gelegen Assyrische rijk dat heeft bestaan van ca. 2000 tot 609 v.Chr. In de elfde eeuw voor Christus wist het Assyrische rijk onder Tiglat Pilezer I (1116-1078 v.Chr.) zijn grondgebied uit te breiden van de Perzische Golf tot aan de Middellandse Zee. Rond 1100 waren landen als Babylonië, Armenië en Syrië allemaal onderhorig aan Assyrië en betaalden schatting. Daarna is de macht van de Mesopotamische landen snel afgenomen tot omstreeks 900 v.Chr. Volgens historici speelden zij tijdens de regeerperiode van David en Salomo geen rol van betekenis (Collins vult dit plaatje verder in).

middenoosten001

Een andere oude beschaving dat ten zuiden van Israël was gelegen, was Egypte. Historici zien de periode van 1570 tot 1070 v.Chr. algemeen als de bloeiperiode van dit land. De beroemdste farao’s zijn allemaal afkomstig uit deze periode en liggen begraven in het legendarische Dal der Koningen. Aan deze periode kwam een einde nadat het centrale gezag van binnenuit was aangetast en het Egyptische koninkrijk uiteenviel. De daarop volgende periode – die de Derde Tussenperiode wordt genoemd (1070-712 v.Chr.) – werd gekenmerkt door een snelle opeenvolging van oorlogen en heersers. Dit heeft de invloed van Egypte in de regio gedurende de regeerperiode van David en Salomo sterk beperkt.

Door de economische en politieke terugval van de bestaande grootmachten kregen anderen de gelegenheid om van zich te laten horen. Ten noorden van Israël, in het gebied dat nu van Libanon en Syrië is, lagen een aantal stadstaatjes, waarvan Tyrus en Sidon de voornaamste waren. Hun bewoners waren een zeevarend volk en zijn in de geschiedenis bekend geworden onder de naam Feniciërs. Meer naar het zuiden, in het gebied dat nu de Gazastrook wordt genoemd, bevonden zich een aantal steden waar de Filistijnen woonden. Saul, de eerste koning van de Israëlieten, sneuvelde nadat hij tegen hen ten strijde was getrokken. Zijn schoonzoon David die op dat moment al koning was over Juda, volgde hem op en werd koning over alle stammen van Israël. Hij versloeg de Filistijnen, Moabieten, Ammonieten, Edomieten en Syriërs en breidde de landsgrenzen van Israël uit tot aan de Eufraat en Egypte. Alle onderworpen volken werden schatplichtig.

Hoewel David door God werd gestraft voor de volkstelling die hij heeft gehouden, weten we hierdoor wel hoe groot het leger is geweest, dat hij op de been kon brengen.

“Joab meldde de uitkomst van de volkstelling aan David: Israël telde één miljoen honderdduizend mannen die de wapens konden hanteren en Juda vierhonderdzeventigduizend. Omdat de opdracht van de koning Joab tegen de borst stuitte, had hij de stammen Levi en Benjamin niet ingeschreven” (I Kron. 21:5-6)

Ondanks de straf die zeventigduizend doden heeft gekost, kon David beschikken over meer dan anderhalf miljoen strijdbare mannen. We mogen hieruit afleiden dat de totale bevolking destijds bestond uit zo’n vijfeneenhalf tot zes miljoen mensen.

Wat verder in deze tekst opvalt, is dat Israël en Juda als aparte entiteiten worden genoemd. Kennelijk vormden zij, ondanks het feit dat zij door één vorst werden geregeerd, geen echte eenheid en was hun samenwerking uitsluitend gebaseerd op hun loyaliteit aan David en later Salomo. Dat dit zo was, blijkt wel uit het tempo waarin het land na de dood van Salomo in twee delen uiteenviel.

Assyrië door David verslagen en verzwakt

Historici verklaren meestal dat David zijn positie te danken heeft aan het feit dat de omringende grootmachten “toevallig” een moment van zwakte hadden. Collins komt echter met een heel andere optie. Hij stelt dat juist David degene is geweest, die Assyrië heeft verslagen en verzwakt. Hoe hij dit heeft gedaan, wordt beschreven in I Kronieken 19, dat handelt over een gewapend conflict tussen David en de machten uit Mesopotamië.

“De Ammonieten beseften dat ze zich bij David onmogelijk hadden gemaakt. Daarom stuurden Chanun en de Ammonieten duizend talent zilver naar de Arameeërs van Naharaïm, Maächa en Soba om strijdwagens en wagenmenners te huren. Ze huurden tweeëndertigduizend strijdwagens en verzekerden zich van de hulp van de koning van Maächa en zijn leger.” (I Kron. 19:6-7)

De Herziene Statenvertaling spreekt hier over “Mesopotamië, Syrië-Maächa en Zoba”. Volgens Collins is de term “Mesopotamië” ruim genoeg om landen als Assyrië, Babylonië en hun vazalstaten bij in te sluiten. Dat dit zo was, ziet hij bevestigd in het enorme aantal strijdwagens dat door de Ammonieten werd ingehuurd. Tweeëndertigduizend wagens kunnen onmogelijk door één enkele vazalstaat worden aangeleverd. Wanneer we in I Koningen 11:26 lezen dat koning Salomo in zijn hoogtijdagen slechts over veertienhonderd strijdwagens beschikte, beseffen we wat een enorm aantal dit is geweest. Dit kon niet door een paar vazalstaten worden opgebracht, maar moest na autorisatie door een grootmacht vanuit een groot aantal verschillende landen worden aangeleverd. (In I Kronieken 18:4 lezen we nog dat David duizend strijdwagens heeft buitgemaakt op de koning van Soba. We mogen dus aannemen dat de voorraden van de vazalstaten behoorlijk waren uitgedund.)

Collins plaatst een belangrijke kanttekening bij de aanleiding voor deze strijd. Hij ontkent niet dat koning Chanun de gezanten van David zou hebben geschoffeerd, zoals I Kronieken 19 beschrijft, maar hij kan niet geloven dat de Ammonieten dit uit onbezonnenheid hebben gedaan, alsof zij niet beseften wie zij tegenover zich hadden. Zij wisten wat David had gedaan nadat hij Moab en Edom had verslagen.

“Ook de Moabieten versloeg hij. Hij dwong hen op de grond te gaan liggen en mat de rij af met een touw: twee derde van de rij moest worden gedood en één derde mocht in leven blijven.” (II Sam. 8:2)

“Toen Davids legeraanvoerder Joab tijdens de veldtocht tegen Edom de gesneuvelden ging begraven, had hij daar alles wat mannelijk was gedood. Zes maanden was Joab net het leger in Edom gebleven, tot hij er alles wat mannelijk was had uitgeroeid.” (I Kon. 11:15-16)

Koning David stond bekend als iemand die niet met zich liet sollen. Ook Ammon had hij reeds tot een vazalstaat van Israël gemaakt en de Ammonieten moesten hem schatting betalen. In I Kronieken 18:11 hadden zij veel goud en zilver aan hem overgedragen. Volgens Collins konden zij hierdoor de hulptroepen die zij nodig hadden, slechts met zilver betalen. Ik betwijfel of dit het geval is geweest. Collins doet hier wat minachtend over, maar duizend talenten zilver was toch echt een flink bedrag, aangezien één talent zilver gelijk stond aan ongeveer twintig jaarsalarissen. In II Kronieken 25:6 kunnen we lezen dat koning Amasja van Juda honderd talenten zilver betaalde om honderdduizend geoefende krijgers in te huren. Ik acht het daarom heel aannemelijk dat het bedrag dat de Ammonieten hadden afgezonderd, redelijk marktconform was, ofschoon we niet precies weten hoe groot hun leger van huurlingen was.

“Toen de Ammonieten zagen dat zij zich bij David in een kwade reuk hadden gebracht, stuurde Hanun met de Ammonieten duizend talent zilver om wagens en ruiters voor zich te huren uit Mesopotamië, uit Syrië-Maächa en uit Zoba.” (I Kron. 19:6 HSV)

Wanneer de Bijbel melding maak van de term “Mesopotamië”, kan dit volgens Collins betrekking hebben op alle landen in dit gebied, inclusief Assyrië en Babylonië. In de tekst wordt melding gemaakt van 32.000 strijdwagens en het leger van de koning van Maächa. Dat het om een groot aantal mensen ging, blijkt m.i. wel uit het enorme bedrag dat de Ammonieten voor hun huurlingen hebben betaald. Collins schat dat er misschien wel honderdduizenden mannen bij de strijd betrokken waren. Hij onderbouwt dit mede door Psalm 83 met deze veldslag te verbinden. Deze psalm is geschreven door Asaf, een leviet en tijdgenoot van koning David, die door hem was aangesteld als zanger in de tabernakel. Van alle samenzweringen die tegen Israël zijn beraamd, past hetgeen in I Kronieken is beschreven, het beste bij de inhoud van deze psalm.

“Zij hebben samen plannen gesmeed
en zich tegen u verenigd:
de tenten van Edom en de Ismaëlieten,
Moab en de zonen van Hagar,
Gebal en Ammon en Amalek,
Filistea en de bewoners van Tyrus.
Zelfs Assyrië heeft zich aangesloten
en de hand gereikt aan de zonen van Lot.”
(Ps. 83:6-9)

Volgens Collins wordt met de term “zonen van Lot” verwezen naar de Ammonieten. Zij zijn immers de afstammelingen van Ben-Ammi, de zoon van Lot. (Gen. 19:38). Hij suggereert dat David er met zijn expansiedrift voor heeft gezorgd dat alle landen in de regio zich door hem bedreigd voelden, wat m.i. heel goed mogelijk is. De Israëlieten waren al niet geliefd sinds zij vanuit de woestijn het land waren ingetrokken. Nu was hun macht zo ver gegroeid dat de Filistijnen, Edomieten, Moabieten en Amalekieten tot vazalstaten van Israël waren gemaakt en aan David een forse schatting moesten betalen. Dit werd hen niet in dank afgenomen. Doordat David met zijn leger helemaal tot aan de Eufraat oprukte, is het heel aannemelijk dat zelfs Assyrië de opkomst van Israël met argusogen heeft gevolgd. Israël was meer dan ooit een steen des aanstoots voor de gehele regio.

Wanneer Psalm 83 zegt dat Assyrië “de hand heeft gereikt” aan de zonen van Lot, wordt bedoeld dat dit machtige land hen zijn medewerking heeft toegezegd en hen op alle mogelijke manieren tot steun is geweest. Maar dit is niet openlijk gebeurd, zo voegt Collins eraan toe, zodat men geen gezichtsverlies zou leiden wanneer de krachtmeting onverhoopt verkeerd mocht uitpakken. Door “de hand te reiken” stel je de ander in de gelegenheid om iets te doen, maar blijf je zelf op de achtergrond. Er werd steun geboden. Veel steun. Alle inspanningen waren erop gericht om het volk Israël te verdelgen (vs 5).

Psalm 83 is vollediger in het identificeren van de tegenstander dan I Kronieken 19. Er worden maar liefst tien volken genoemd, die bij de veldslag betrokken waren: Edom, Ismaëlieten, Moab, de zonen van Hagar, Gebal, Ammon, Amalek, Filistea en Assyrië. Allen voelden zich bedreigd door de opmars van het Israëlitische leger. Zoals reeds gezegd was een deel van hen reeds aan Israël onderworpen. Toen het incident met de Ammonieten uitgroeide tot een conflict, zagen zij een kans om het juk dat Israël hen had opgelegd, van zich af te werpen. Wat opvalt, is dat de stad Gebal en inwoners van Tyrus zich bij hen hadden gevoegd. Beide waren Fenicische steden. Collins beweert dat dit slechts een minderheid van de Fenicische bevolking was en koning Hiram hier niet bij hoorde.

De strijd voltrok zich in twee fasen. De eerste fase wordt beschreven in I Kronieken 19:6-14. Het Ammonitische leger stelde zich op bij de stad Meneba, de hoofdstad van Ammon. De huurlingen legerden zich vóór Meneba in het veld. Joab, de Israëlitische veldheer, trok met zijn leger door Jericho oostwaarts en naderde Meneba vanuit het westen. Daar ontdekte hij dat hij door twee fronten in de tang werd genomen. Kennelijk was hij hierdoor verrast, want zijn woorden klonken niet erg optimistisch. Hij splitste het leger in tweeën als poging om uit deze tang te ontsnappen. Het kwam niet in hem op om nu aan een overwinning te denken.

“Als de Arameeërs sterker blijken te zijn dan ik, kom jij me te hulp, en als de Ammonieten sterker blijken dan jij, zal ik jou helpen. Wees sterk! Laten we onze krachten bundelen omwille van ons volk en de steden van onze God; de Here zal doen wat Hij het beste vindt.” (I Kronieken 19:13)

Maar God was met hem. Er wordt in de Schrift in deze fase nog niet van een overwinning gesproken. Er staat slechts dat de Arameeërs op de vlucht sloegen, waarna de Ammonieten zich terugtrokken tot binnen de muren van Meneba. De Nieuwe Bijbelvertaling drukt zich niet helemaal goed uit wanneer zij in vers 16 zegt dat de Arameeërs door Israël “verslagen” waren. Er was hen een slag toegebracht, maar we lezen nergens van een overgave. Ook maakte het Israëlitische leger geen aanstalten om de stad Meneba in te nemen. Kennelijk was er sprake van een impasse. Beide partijen hadden een time-out nodig. “Daarop ging Joab terug naar Jeruzalem,” staat er in vers 15.

Daarna volgde de tweede fase van de strijd. Collins refereert hiervoor aan I Kronieken 19:16-19. Hier wordt inderdaad duidelijk dat de Arameeërs zich nog niet gewonnen gaven. In plaats daarvan hadden zij versterking gezocht en gekregen bij de Arameeërs die aan de andere kant van de Eufraat woonden. Zij hadden een overweldigende legermacht samengesteld, die niet langer streed als een huurling van de Ammonieten, maar zich liet leiden door eergevoel. Toen David hiervan hoorde, zag hij zich genoodzaakt om “alle troepen van Israël” te verzamelen. De HSV heeft het over “heel Israël”, hetgeen erop duidt dat hij alle strijdbare mannen heeft gemobiliseerd. Uit de volkstelling waarover in hoofdstuk 21 wordt gesproken, weten we – zoals hiervoor al is aangegeven – dat dit meer dan anderhalf miljoen mannen waren. Nadat er bij de eerste veldslag 47.000 Aramese soldaten waren gesneuveld, gaven de Arameeërs zich over. Nu onderwierpen ze zich wel aan koning David, hetgeen betekende dat zij zich neerlegden bij hun status als vazalstaat. In de slotfase van de strijd rekende aanvoerder Joab af met de Ammonieten die zich nog steeds in hun hoofdstad schuilhielden. De Nieuwe Bijbelvertaling zegt dat hij hen in stukken liet zagen, maar mogelijk is hier sprake van een verschrijving en heeft hij de Ammonieten aangezet tot dwangarbeid.

“Als hij de manschap die zich in de stad bevindt naar buiten heeft gebracht, zet hij hen aan het werk met de steenzaag, met ijzeren houwelen en met bijlen.” (I Kron. 20:3 Naardense Bijbel)

Hoewel de Bijbel hierover geen informatie geeft, neemt Collins aan dat David ook een vergeldingsoorlog tegen de Assyriërs heeft gevoerd. Behalve het argument dat Davids militaristische karakter hem dit moet hebben ingegeven, meent hij uit seculiere verslagen feiten te kennen, die dit bevestigen en aantonen dat koning David een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan het verval van dit rijk.

  1. Tijdens het bewind van Tiglath- Pileser I (1116-1076 v.Chr.) was Assyrië een groot en sterk imperium, dat zich uitstrekte tot aan de Middellandse Zee. Daarna is deze macht gebroken om tijdens de regeerperioden van David en Salomo verder te verzwakken.
  2. Seculiere verslagen vermelden dat de Assyriërs tijdens het bewind van Assur-rabi II (1012-972 v.Chr.) door de Arameeërs van hun oude grens aan de Eufraat werden verdreven. De Bijbel vermeldt dat het leger van koning David in deze periode de rivier de Eufraat heeft bereikt en een groot Mesopotamisch leger heeft verslagen (ca. 990 v.Chr.). Omdat David de Arameeërs heeft overwonnen en “geknecht”, kan het niet anders dan dat deze Arameeërs in opdracht van David hebben gehandeld. Vermoedelijk hadden zij hiermee weinig moeite, aangezien Assyrië zich vóór de tweede strijd tegen de Israëlieten had teruggetrokken en hen aan hun lot had overgelaten. Collins acht het heel goed mogelijk dat hierbij zelfs Israëlieten betrokken waren. Arameeërs en Israëlieten waren nauw aan elkaar verwant (Deut. 26:1-5) en spraken nagenoeg dezelfde taal, zodat een dergelijke verwarring voor een buitenstaander niet vreemd is.
    3. Tijdens het bewind van Tiglath-Pileser II (966-935 v.Chr.) rukten de Arameeërs op tot aan de Tigris, waardoor Assyrië werd ingeperkt tot het smalste gebied ooit. Het kan geen toeval zijn dat Assyrië zwak bleef zo lang de twaalf stammen van Israël een eenheid vormden.
    4. Tijdens het bewind van Assurdan II (934-912) vochten Israël en Juda een bloedige oorlog uit, die het leven kostte aan meer dan een half miljoen Israëlieten. Dit stelde de omringende landen definitief in de gelegenheid om zich te herpakken (II Kron. 13). Het is geen toeval dat de verzwakking van Israël samenviel met een verzwakking van de Arameeërs, aangezien hun posities door de geopolitieke situatie in die dagen nauw met elkaar verweven waren.

Conclusie

Door de geopolitieke situatie in overweging te nemen, komt Collins tot een interessante en aannemelijke herwaardering van hetgeen beschreven staat in I Kronieken 19.

  • Het incident met de Ammonieten is de aanleiding van een groot politiek conflict waarbij de gehele regio is betrokken.
  • Dit conflict wordt beslecht in het voordeel van Israël, waardoor het land zich tot een wereldmacht kan ontwikkelen, dat via zijn vazalstaten zelfs Assyrië verzwakt.
  • Aan Israëls positie als wereldmacht komt een einde wanneer het land na het overlijden van koning Salomo in twee delen uiteenvalt. De Arameeërs zijn als onderhorig volk niet langer bestand tegen de invallen van Assyrie dat zich nu kan herpakken.
  • In de seculiere geschiedschrijving is de rol van Israël weggevallen ten gunste van de Arameeërs, maar de Bijbelse gegevens laten duidelijk zien dat de Arameeërs door koning David tot overgave zijn gedwongen en de rol van vazalstaat kregen opgelegd.

We zien dat Collins op basis van Bijbelse gegevens komt tot een opzienbarende herinterpretatie van de seculiere bronnen. Ik vind dit buitengewoon fascinerend, maar dit vraagt wel van ons dat we zeer nauwgezet met deze Bijbelse gegevens omgaan. Niet alles wat Collins zegt, is ondubbelzinnig te herleiden uit de Schrift. Om deze reden wil ik hier enkele vragen formuleren, die voor een verdere verdieping kunnen zorgen en de visie van Collins kunnen ondersteunen dan wel weerleggen.

  1. Collins bouwt zijn betoog op aan de hand van het verslag dat we aantreffen in I Kronieken 19. Hij verzuimt echter in te gaan op hetgeen geschreven staat in II Samuël 10. Dit hoofdstuk waarin over dezelfde slag wordt beschreven, bevat enkele significante verschillen ten opzichte van I Kronieken 19. Hoe moeten we deze verschillen verstaan en wat is de impact hiervan op de visie van Collins?
  2. Collins verbindt I Kronieken 19 met Psalm 83. In hoeverre is dit gerechtvaardigd? Psalm 83 maakt weliswaar melding van de zonen van Lot (Ammonieten), maar noemt ook volkeren die we niet tegenkomen in het verslag van I Kronieken 19.
  3. Collins stelt de Israëlieten verantwoordelijk voor het verval van Assyrië. Hoe reëel is dit? Er zitten tientallen jaren tussen de regeerperiode van Tiglat Pilezer I (1116-1078 v.Chr.) en koning David. Is het verval van Assyrië niet al begonnen lang vóór David koning werd?

banner_mjdehaan_2016

[contact-form][contact-field label=’Naam’ type=’name’ required=’1’/][contact-field label=’E-mail’ type=’email’ required=’1’/][contact-field label=’Website’ type=’url’/][contact-field label=’Reactie’ type=’textarea’ required=’1’/][/contact-form]

Aantal keren bekeken: 213

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *