Heb. 12:1-15 – Vrede en een heilig leven

Heeft u de wedloop in Hebreeën als eens bekeken vanuit het perspectief van een estafetteloop? Vanuit deze metafoor bezien krijgt het hoofdstuk over de geloofsgetuigen ineens een rijkere betekenis. Maar waarom verandert de schrijver ineens van onderwerp en introduceert hij een andere metafoor, namelijk die van de vader die zijn zoon tuchtigt?

heb12-01

heb12-02

heb12-03

heb12-04

heb12-05

heb12-06

heb12-07

heb12-08

heb12-09

heb12-10Wanneer we het gedeelte dat we gelezen hebben, in zijn context bekijken, dan zien we dat de auteur in het voorafgaande hoofdstuk een uitvoerige beschrijving geeft van een groot aantal hoofdpersonen uit het Oude Testament.
Deze personen kenmerken zich door het feit dat zij door hun geloof allemaal een machtig getuigenis voor ons hebben achtergelaten. We zien ook dat zij – ondanks dat geloof – geen van allen de vervulling van de belofte hebben meegemaakt (vs. 39).

heb12-11‘Wat jammer’, zouden wij misschien zeggen. Maar de schrijver van Hebreeën denkt daar anders over. Doordat zij de vervulling niet hebben meegemaakt, is er voor de mensen die na hen zijn gekomen, ruimte om zich bij hen aan te sluiten. Ook voor ons. Willen wij dat?

heb12-12In hoofdstuk 12 legt hij uit hoe hij dat ziet. Hij maakt daarbij gebruik van het beeld van een wedloop. In feite, zo zegt hij, maken wij als gelovigen van alle eeuwen deel uit van een groot team met estafettelopers. Iedere loper neemt op zijn beurt deel aan de race. Dat gebeurt op het moment dat hij van zijn voorganger het stokje krijgt aangereikt. Dan komt het erop aan dat hij zijn uiterste best doet om zijn gedeelte van het parcours af te leggen.
En wanneer hij het einde van zijn onderdeel bereikt, moet hij zijn stokje weer doorgeven aan degene die na hem komt. Dit gaat net zo lang door totdat de laatste loper met het stokje de finish passeert.

heb12-13Wat ik zo mooi vind aan dit beeld, is dat wanneer die laatste loper over de finish komt, niet alleen hij de overwinnaar is, maar dat al degenen die vóór hem aan de race hebben deelgenomen, delen in de overwinning. Zij hebben immers allemaal meegedaan!

heb12-14In hoofdstuk 11 wordt het geloof omschreven als “datgene wat de grondslag legt voor alles waarop wij hopen en dat wat ons overtuigt van de waarheid van wat we niet zien.” In hoofdstuk 12 wordt dit verder uitgewerkt en geíllustreerd met het beeld van de estafetteloper. Terwijl hij in fysiek opzicht zijn steentje bijdraagt en zijn deel van het parcours loopt, houdt hij zijn blik in mentaal opzicht volledig gevestigd op die laatste loper: de man die het stokje uiteindelijk over de streep zal brengen. Dat is wat geloof is!

heb12-15

Die laatste man – zo zegt de schrijver – is de Here Jezus. “Laten we daarbij de blik gericht houden op Jezus, de grondlegger en voltooier van het geloof.” De alpha en de omega. Hij is het die dit allemaal mogelijk heeft gemaakt. Zonder Hem hadden wij niet eens aan deze wedloop kunnen beginnen. En Hij is het ook, die ons uiteindelijk de overwinning brengt, waar wij met reikhalzend verlangen naar uitzien.

Hoe kunnen wij daarvan zo zeker zijn? Wij mogen dit zeker weten – en daarmee rekken we het beeld van de estafette eigenlijk te ver op – omdat Hij zijn parcours al heeft gelopen. Die laatste loper heeft de finish al bereikt. Hij is daarbij op dezelfde wijze beproefd als wij, maar – zo staat er in vers 2 – “Hij hield stand en nam plaats aan de rechterzijde van de troon van God.”.

De overwinning is al een feit. Jezus heeft zijn plaats naast de Vader reeds ingenomen. Daar kunnen wij niets aan toevoegen of afdoen. Wat voor ons van belang is, is dat wij als deelnemer bij die estafette betrokken zijn.

Onlangs heb ik op mijn werk afscheid genomen en een paar flinke cadeaubonnen in ontvangst mogen nemen. Het cadeau was gekocht, de betaling geregeld en nu is het aan mij dat ik er wat mee doe.

Hoort u ook bij degenen die vasthouden aan wat wij niet zien, zodat wij straks  – net als Paulus – kunnen zeggen dat wij “de goede strijd hebben gestreden, onze loop ten einde hebben gebracht en het geloof hebben behouden”?

heb12-16

Wij krijgen nauwelijks de tijd om dit inzicht te verwerken, want ineens stapt de schrijver af van het beeld van de wedloop en introduceert een heel ander beeld: dat van een vader die zijn zoon tuchtigt.
De overgang is zo abrupt dat je er bijna van in de war raakt: “Mijn zoon, je mag een vermaning van de Heer nooit terzijde schuiven. (..) God behandelt u als zijn kinderen. Welk kind wordt niet door zijn vader berispt?”

  • Waar komt dit ineens vandaan?
  • Waar gáát het hier over?
  • Wat heeft dit alles te maken met het verhaal van de wedloop uit de eerste verzen?

heb12-17

Ik denk dat we de verbinding tussen deze twee beelden moeten zoeken in vers 1. Daar wordt gesproken over “de last van de zonde”. De HSV spreekt over “alle last en de zonde”. Ik vind dat een betere vertaling.

  • Last zie ik als een belemmering die van buitenaf op de prestatie van de sporter drukt. Wanneer je een rugzak vol stenen draagt, kom je niet ver. Die moet je afdoen, bij voorkeur vóórdat je gaat lopen.
  • Zonde is een belemmering die van binnen zit, en die je als het ware aankleeft. Voor een sporter kan dat bijvoorbeeld een verkeerde techniek zijn, of een algemeen gevoel van niet-goed-in-je-vel zitten.

Ik krijg de indruk dat de Hebreeën in dit opzicht nog heel veel werk hebben te verzetten, want de schrijver verwijt hen dat “zij nog niet hun leven op het spel hebben gezet.” Wow, vraagt hij van ons dat wij zó ver gaan?

heb12-18Waarschijnlijk vindt hij het niet gepast om aan de hand van zijn verhaal over de wedloop uit te leggen hoe dit werkt. In plaats van te spreken over de trainer die de sporter dwingt om met bloed, zweet en tranen, keer op keer zijn eigen grenzen te verleggen, heeft hij het nu over een vader die zijn kind opvoedt. Heel bewust kiest hij hier voor een andersoortige relatie om uit te leggen hoe dit corrigeren in zijn werk gaat. Het Griekse woord paideía dat hier wordt gebruikt, omvat in wezen alle omgangsvormen met een kind, die tot doel hebben om hem te helpen een sterke en evenwichtige volwassene te worden. En natuurlijk weet iedere ouder dat dit lang niet altijd betekent dat je meegaand moet zijn.

heb12-19De schrijver van Hebreeën keert in vers 12 terug naar het beeld van de estafette als hij zijn lezers oproept om “de slappe handen op te heffen, de knikkende knieën te strekken en rechte paden te kiezen”. Niet helemaal duidelijk is of hij met het opheffen van de handen nu doelt op een sterke loophouding van de sporter of op een overwinnaarshouding. Ik denk de eerste, maar van mij mag het ook de tweede zijn, want dat benadrukt het geloof dat hij heeft in de laatste loper…

heb12-20Dan lijkt het wel of de schrijver ons voor de tweede keer op een zijspoor brengt met iets dat niet lijkt te passen in de lijn van zijn betoog. “Streeft ernaar in vrede te leven met allen en leid een heilig leven; wie dat niet doet zal de Heer niet zien.” Vrede met allen en een heilig leven.
Vooral dat ‘vrede met allen’ lijkt compleet uit de lucht te komen vallen. Toch denk ik dat met dit vers al het voorgaande wordt samengevat en toegepast.

heb12-21

Beide termen, zowel vrede en heiligheid, zijn namelijk ook al genoemd in het eerste zijspoor over de opvoeding door onze hemelse Vader. Daar staat in vers 10 dat Hij ons opvoedt “om ons te laten delen in zijn heiligheid.” En in vers 11 wordt het resultaat van zijn opvoeding “een leven in vrede” genoemd. ook al denken we dat we twee keer op een zijspoor worden gezet, hieraan kunnen we zien dat het allemaal bij elkaar hoort en op elkaar aansluit.

Vrede en heiligheid hebben te maken met de opvoeding van de Vader. Maar we hebben gezien dat die opvoeding op zijn beurt ook weer betrokken werd op die wedloop waaraan wij allemaal deelnemen. Daarom moeten wij die merkwaardige oproep om te jagen naar ‘vrede met allen’ misschien ook wel verstaan in het licht van de wedloop. Zou vers 15 ons daarbij kunnen helpen? Daar wordt gesproken over hoe wij met elkaar moeten omgaan.

heb12-22Wij maken allemaal deel uit van één team en zijn als zodanig allemaal op elkaar aangewezen. De Herziene Statenvertaling heeft dit vers als volgt vertaald:: “Zie erop toe dat niemand achterop raakt”. Dit past weer helemaal in het beeld van de wedloop: een loper houdt zijn snelheid in en begint achterop te raken. Dat is iets dat beslist niet mag gebeuren! Een leven in vrede betekent niet alleen dat wij oog hebben voor elkaar, maar ook dat wij ervoor zorgen dat iedereen aan de wedloop blijft deelnemen.

heb12-23

Maar het allerbelangrijkste dat hier wordt genoemd, is wel de opdracht tot een heilig leven. Dit aspect is zó belangrijk dat er direct achter staat: “wie dat niet doet, zal de Heer niet zien.” Dit is de spits van het twaalfde hoofdstuk. Dit is het waar het in de wedloop om gaat.

  • Zijn wij ons als evangelische christenen nog wel bewust van de ernst van deze toevoeging?
  • Hoe gemakkelijk nemen wij niet aan dat het – als wij ons bekeerd hebben en gedoopt zijn – wel goed zit met ons?
  • Hoe vanzelfsprekend nemen wij aan dat ons kostje gekocht is en er daarna niets meer hoeft te gebeuren?

heb12-24

Het is waar: Gods verlossingsplan voor de mens bestaat uit de vergeving van onze zonden, die wij mogen ontvangen wanneer wij ons voor Hem buigen en de Here Jezus belijden als onze Heer en Heiland.
Maar in tegenstelling tot wat sommigen onder ons misschien zullen denken, is Gods verlossingsplan daarmee nog niet voltooid.
De weg naar de heerlijkheid, die eens ons deel zal zijn, loopt via de heiliging en er is geen andere weg mogelijk. Heiliging maakt als het ware deel uit van het parcours dat wij in ons leven moeten doorlopen. Het is zelfs zo dat zonder heiliging niemand de Here zal zien (tenminste, dat stáát hier). Heiliging zou daarom voor een ieder van ons een zaak van de hoogste prioriteit moeten zijn… Maar is dat ook zo?

heb12-25In het Nieuwe Testament worden twee verschillende woorden voor heiliging gebruikt. Het Griekse hagiásmos (dat ook in het tekstgedeelte van vanmorgen staat) geeft aan dat heiliging onlosmakelijk verbonden is met de omgang met God.
Het andere woord hosiótès komt maar twee keer in de Bijbel voor en legt veel meer de nadruk op de morele kant van de heiliging. Hier gaat het om een innerlijke verandering van de mens, waardoor deze zich anders gaat gedragen.
Beide woorden samen geven de volle betekenis van het begrip heiliging weer: God verandert ons mensen naar Zijn beeld en gelijkenis. Wij zijn daarbij voor 100% van God afhankelijk. Maar dat betekent niet dat wij zelf niets meer hoeven te doen. Integendeel. Afhankelijkheid van God mag ons niet passief maken. Niet voor niets staat er in onze tekst: Streef naar een heilig leven. Heiliging is een opdracht. Maar wat komt er van die opdracht terecht in ons leven?

heb12-26

Soms krijg ik de indruk dat het verlangen naar heiliging in onze kerken erg naar de achtergrond  is verschoven.

  • In plaats van ernaar uit te zien hoe wij onze Heer kunnen gehoorzamen en eren, lijkt het wel of wij ons steeds meer gaan afvragen hoe wij het mensen naar de zin kunnen maken. God kan ons genezen, God kan ons bevrijden, God kan onze problemen oplossen. Allemaal waar, maar proberen wij op deze manier van geloven God niet heel erg voor ons karretje te spannen? Bent u ook bereid om zich door God voor zijn karretje te laten spannen?
  • In de activiteiten die gemeentegroei voor ogen hebben, lijkt het steeds minder te gaan om een ondubbelzinnige evangelieverkondiging, gecombineerd met een radicale toewijding. In plaats daarvan houden wij ons liever bezig met het opzetten van laagdrempelige diensten, waar onder begeleiding van een professioneel combo eigentijdse liederen worden gezongen en een kort, maar vooral positief woord wordt gebracht. Bent u ook bereid om te komen wanneer dit er allemaal niet zou zijn en de woordverkondiging u diep in het vlees zou snijden?
  • In de activiteiten die gemeente-opbouw voor ogen hebben, gaat het steeds minder om het gemeenschappelijk verlangen om samen als lichaam van Christus te functioneren, maar zie ik steeds meer dat individuele gelovigen die zappend komen kijken of er iets van hun gading bij is en als dat niet het geval is, blijven zij thuis of stappen over naar een volgende gemeente. Bent u ook bereid om in gebed te zoeken naar de plaats die u in de gemeente mag innemen en daar uw werk te doen, ook als het zwaar weer wordt?

heb12-27

Wij verzetten ons tegen maatschappelijke ontwikkelingen, omdat wij zien dat God daar geen plaats meer krijgt. Tegelijkertijd lijken wij blind voor ontwikkelingen in ons eigen leven, die dezelfde verschuiving laten zien.

  • Hoevelen van ons lezen nog dagelijks in hun Bijbel?
  • Hoevelen van ons bidden nog dagelijks?
  • Hoevelen van ons zijn bereid om wille van hun geloof te lljden?

Misschien zeg ik daarmee wel te veel. Laat ik wat bescheidener beginnen. Wanneer was het voor het laatst dat u heeft geluisterd naar de stem van de Heilige Geest die er bij u op aandrong om dingen in uw leven te veranderen of recht te zetten? Om u te laten dopen misschien? Om nu toch eindelijk eens af te rekenen met die verslaving? Om die ruzie met uw broeder of zuster uit te praten?

De evangelische beweging waarvan wij deel uitmaken, heeft een lange tijd geprofiteerd van haar vermogen om met maatschappelijke en culturele ontwikkelingen mee te buigen. Het was mogelijk om christen te zijn en toch modern.
Ik kom er hoe langer hoe meer achter dat wat eens de kracht van deze beweging was, nu haar zwakte is geworden. Voor mij wordt het steeds duidelijker dat het leven van een christen radicaal is. 180 graden anders. “Niet meer ik, maar Christus leeft in mij.”

banner_mjdehaan_2012

Aantal keren bekeken: 320

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *