Heb. 10:19-39 – Geef uw vrijmoedigheid niet prijs!

De brief aan de Hebreeën was eigenlijk een preek. Het hoofdonderwerp is de dreigende afval van het geloof. Dit is ook een bekend fenomeen in onze tijd. Het antwoord van Hebreeën is “vrijmoedigheid”. Maat wat heeft vrijmoedigheid nu met afval te maken?

heb10-01

Geef uw vrijmoedigheid niet prijs!

“Daar wij dan, broeders, volle vrijmoedigheid bezitten om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,  langs de nieuwe en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft, door het voorhangsel, dat is, zijn vlees,  en wij een grote priester over het huis Gods hebben,  laten wij toetreden met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, met een hart, dat door besprenging gezuiverd is van besef van kwaad, en met een lichaam, dat gewassen is met zuiver water.  Laten wij de belijdenis van hetgeen wij hopen onwankelbaar vasthouden, want Hij, die beloofd heeft, is getrouw.  En laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken.  Wij moeten onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn, maar elkander aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen. […] Geeft dan uw vrijmoedigheid niet prijs, die een ruime vergelding heeft te wachten. 36 Want gij hebt volharding nodig, om, de wil van God doende, te verkrijgen hetgeen beloofd is. Want nog een korte, korte tijd, en Hij, die komt, zal er zijn en niet op Zich laten wachten, en mijn rechtvaardige zal uit geloof leven; maar als hij nalatig wordt, dan heeft mijn ziel in hem geen welbehagen. Doch wij hebben niets van doen met nalatigheid, die ten verderve leidt, doch met geloof, dat de ziel behoudt.”

heb10-02Mijn oudste zoon is al lang volwassen, maar toen hij nog een klein jochie was, werd hij door zijn moeder een keer naar de overkant gestuurd, waar hij bij een kleine buurtsupermarkt een boodschap moest doen. Hij moest voor haar een pak halfvolle melk gaan kopen. Dat wilde hij wel! Vol trots ging hij met een handje vol kleingeld de deur uit, de portiektrap af – naar beneden. Wij woonden aan een binnenstraat, dus hij kon gemakkelijk oversteken. Toch bleef mijn vrouw hem voor de zekerheid op driehoog vanuit het raam in de woonkamer volgen. Het duurde vijf minuten, tien minuten en nog steeds kwam hij niet terug. Na een kwartier kwam hij uiteindelijk de winkel weer uit. Hij keek niet trots meer. Eenmaal buiten zette hij het op een lopen en terwijl er een hevige huilbui kwam opzetten, stak hij de straat over en klom de stenen portiektrap op. Snikkend kwam hij boven. Aan mijn verbaasde vrouw legde hij uit wat er aan de hand was. “Ik heb geen melk voor je, mama. Er stonden daar alleen maar volle pakken!”

heb10-03Wij lachen erom, maar gebeurt ons niet vaak hetzelfde als wij de Bijbel lezen? Wij noemen ons bijbelgetrouwe evangelische christenen, maar hebben vaak geen idee wat de boodschap is. Neem nu het gedeelte dat wij zojuist hebben gelezen. Het is allemaal Nederlands wat er staat, maar hebben we de boodschap ook begrepen? Wat wil de Here God ons met dit gedeelte vertellen? En wat misschien nog belangrijker is: Wat verwacht Hij van ons dat we gaan doen als we dit gedeelte hebben gelezen? Ik denk dat voor de meesten van ons geldt dat het enige dat wij hieruit opgepikt hebben, is dat wij onze eigen bijeenkomst niet mogen verzuimen. Maar is dat het waar het hier om draait? Het kostte mijn vrouw destijds weinig moeite om mijn zoon uit te leggen wat het verschil is tussen een pak halfvolle melk en een halfvol pak melk. Ik denk dat ik vanmorgen iets meer tijd nodig heb om u uit te leggen wat de strekking is van het gedeelte uit Hebreeën 10 dat wij met elkaar hebben gelezen.

Wanneer we het gedeelte wat nauwkeuriger bekijken, zien we dat het begint en eindigt met een opmerking over ‘vrijmoedigheid’. Vers 19 zegt dat wij ‘volle vrijmoedigheid hebben om in te gaan’, terwijl vers 35 oproept om onze vrijmoedigheid niet prijs te geven. Kennelijk gaat het in dit gedeelte dus om ‘vrijmoedigheid’.

Wat verder opvalt, is dat er drie oproepen aan de lezer worden gedaan. Deze oproepen beginnen telkens met de woorden ‘Laten wij’.

  • Vers 22 zegt: ‘Laten wij toetreden met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs.
  • Vers 23 zegt: ‘Laten wij de belijdenis van hetgeen wij hopen onwankelbaar vasthouden.
  • Vers 24 zegt: ‘Laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken.
Het kan toch geen toeval zijn dat deze drie oproepen samen de woorden geloof, hoop en liefde bevatten? Voor mij betekent dit dat zij bij elkaar horen. Zij vormen het boodschappenlijstje waarmee wij vanmorgen op pad worden gestuurd. Zij zijn het pak halfvolle melk dat wij aan de overkant van de straat moeten ophalen. Maar wat doen wij ermee? Waarmee komen wij uit de winkel terug?

heb10-04Deze oproepen uit hoofdstuk 10 staan niet op zichzelf. Het boek Hebreeën staat vol met onderwijzende gedeelten waarbij telkens een pas op de plaats wordt gemaakt om de lezer persoonlijk aan te spreken. In totaal gebeurt dit vijf keer. Vijf oproepen, vijf aansporingen, vijf vermaningen. Om wat overzicht te krijgen, heb ik ze hier even op een rijtje gezet.

  1. Afdrijven. In 2:1 staat: “Daarom moeten wij te meer aandacht schenken aan hetgeen wij gehoord hebben, opdat wij niet afdrijven.”
  2. Verharden. In 3:13 staat: “Vermaant elkander dagelijks.., opdat niemand van u zich verharde door de misleiding der zonde.”
  3. Vertragen. In 6:11 staat: “Het is onze begeerte dat ieder uwer dezelfde ijver blijve betonen .., opdat gij niet traag wordt.”
  4. (Blijven) zondigen. In 10:26 staat: “Want indien wij opzettelijk zondigen, nadat wij tot erkentenis der waarheid zijn gekomen, blijft er geen offer voor de zonden meer over.”
  5. Afwijzen. In 12:25 staat: “Ziet dan toe dat gij Hem die spreekt, niet afwijst.”

Het zijn allemaal heftige onderwerpen die in zwaarte steeds verder oplopen en uiteindelijk maar over één thema gaan: een dreigende afval van het geloof. Wat was er aan de hand bij die Hebreeën? Waarom was het nodig om zo indringend over ‘afval’ te schrijven?

Sommigen menen dat de eerste gemeente in de problemen was gekomen door het uitblijven van de wederkomst van de Here Jezus.

Anderen denken dat de tweede generatie gelovigen de oorzaak was van deze crisis.Volgens mij was het probleem bij de Hebreeën van een heel andere aard. Als wij zien waarover in dit boek wordt geschreven en welke argumenten er worden gekozen, dan ontstaat de indruk dat de Hebreeën het zicht waren kwijtgeraakt op wie Jezus Christus is en opnieuw hevig werden aangetrokken door het Joodse geloof met zijn offercultus, dat zij achter zich hadden gelaten. Het is om deze reden dat in dit boek zo sterk de nadruk wordt gelegd op de Here Jezus als Hogepriester en de volmaaktheid van Zijn offer. Kennelijk was het nodig om dit alles nog een keer, opnieuw, uit te leggen.

Maar wat moeten wij daarmee? Wij leven in een heel andere tijd en ik denk dat de meesten van ons geen Joodse wortels hebben die aan ons trekken. Heeft Hebreeën ons dan nog wel wat te vertellen?

Het is waar dat het Joodse geloof met zijn offerdiensten weinig aantrekkingskracht op ons uitoefent, maar geldt ook niet voor ons dat wij worden aangetrokken door zaken die wij – als het goed is – achter ons zouden hebben moeten gelaten? En is het ook niet zo dat deze zaken het beeld vertroebelen, dat wij van Jezus hebben?Misschien wil Hebreeën in hierbij stilzetten vandaag. Ik denk dat afval van het geloof een zeer actueel onderwerp is. Het stijgt zelfs uit boven de muren van de kerk en wordt zichtbaar in het publieke debat.

heb10-05

In de media wordt een aantal stevige discussies gevoerd over zaken die door sommige betrokkenen in verband worden gebracht met het thema ‘afval’. Zo is er veel te doen geweest over Arie Boomsma die zijn medewerking heeft verleend aan een fotoreportage voor het blad Linda, waarin hij schaars gekleed en met een enorme tatoeage op zijn rug wordt afgebeeld. Zijn werkgever, de Evangelische Omroep,  heeft hem hiervoor zelfs voor drie maanden geschorst. En voor ds. Bottenbleij was dit een reden om een optreden van Arie in de baptisten gemeente van Drachten te annuleren.Wat mij opvalt, is dat ik nergens in deze discussie terug hoor dat dezelfde Arie Boomsma vorig jaar in een interview heeft gezegd dat Jezus zeker niet de enige weg tot God is. Volgens hem is Hij slechts een weg tot het eeuwige leven en zou God Zelf – net als hij – ook best af en toe een jointje willen roken. Ik zeg u eerlijk dat deze uitspraken voor mij veel zwaarwegender zouden zijn om Arie Boomsma niet in een kerkdienst te laten optreden. Dat hij zelf achteraf vindt dat hij zich in dit interview nogal ongelukkig heeft uitgedrukt, doet daar niets aan af. Ik begrijp niet dat hij ooit in Drachten is uitgenodigd. Het beeld dat hij van Jezus heeft, lijkt mij te zeer vertroebeld om hem op deze manier te betrekken.

heb10-06

Een andere discussie die momenteel in alle hevigheid wordt gevoerd, gaat over schepping en evolutie. Terwijl het Darwinjaar voortschrijdt, wordt duidelijk dat steeds meer christelijke leiders zich hebben bekeerd tot het theïstisch evolutionisme. Voorop gaat Andries Knevel. Ooit was hij aanhanger van een letterlijke uitleg van Genesis 1, maar nu blijkt hij deze te hebben ingeruild voor een meer figuurlijke benadering. Genesis 1 als mythe. Onlangs werd uit een onderzoek van het Nederlands Dagblad duidelijk dat meer dan de helft van de predikanten en voorgangers niet meer gelooft in een letterlijke uitleg van Genesis 1 en 2.In een veelbesproken televisie-uitzending heeft Andries zelfs spijt betuigd dat hij zijn kinderen en kijkers altijd heeft voorgehouden dat de wereld in zes dagen is geschapen. Kunnen we zeggen dat hier sprake is van voortschrijdend inzicht of zijn dit de eerste tekenen van afval? Ik laat de keuze aan u. In ieder geval laat hij ons zitten met de vraag wat wij nog meer niet van de Bijbel kunnen geloven en hoe we nu het Bijbels-theologische standpunt dat de dood door de zonde in de wereld is gekomen, moeten verstaan. Het loslaten van de historiciteit van het scheppingsverhaal haalt namelijk de fundamenten onder de systematische theologie vandaan.

heb10-07

Onlangs is het boek van Boele Ytsma verschenen: Van de Kaart. Boele, een studiegenoot van mij,  is van huis uit een gereformeerde jongen met evangelische inslag, die in 1998 in een ernstige geloofscrisis is terecht gekomen. Zijn ‘kathedraal van zeker weten’ – zoals hij dat noemde – ging plotseling grote scheuren vertonen en stortte al spoedig geheel in. Sindsdien twijfelt hij aan alle geloofswaarheden en heeft hij alle zekerheden opgegeven. “Ik zeg niet dat ik met de klassieke leer over de schepping, de zonde, de verlossing nooit meer kan instemmen, maar ik kan het nu niet. Als nu het graf van Jezus zou worden gevonden en onomstotelijk bewezen zou worden dat Hij niet is opgestaan, zou er voor mij niets veranderen.” Is dit wat wij afval zouden noemen? In herberg De Verandering vertelt Boele hoe zeer hij heeft geleden – en nog steeds lijdt – door mensen die hem hebben uitgekotst en hebben voorgehouden dat hij in de hel zou terechtkomen. Hij vindt dat deze mensen – waartoe wij misschien ook wel onszelf moeten rekenen – alleen maar uit zijn op hun eigen gelijk. Is dat zo? Heeft hij het hier bij het rechte eind? Hij hoopt in ieder geval dat er erkenning komt voor het feit dat er meerdere wegen zijn, die naar een leven met God leiden.
Persoonlijk vind ik dit een heel lastig onderwerp. Ik ben ervan overtuigd dat wij als gemeente veel te weinig met elkaar over deze dingen spreken en er al helemaal te weinig over nadenken. Staat ons geloof echt los van onze opvattingen of zijn er wel degelijk leerstellingen die onopgeefbaar zijn? Kun je wel een volgeling van Jezus zijn als zijn Woord niet betrouwbaar blijkt te zijn? Het is volstrekt onvoldoende dat wij elkaar binnen de muren van een kerkgebouw alleen maar naar de mond praten met politiek correcte standpunten. We zullen hierover moeten nadenken, de scheuren in onze eigen ‘kathedraal van zeker weten’ moeten opsporen en dit alles zorgvuldig moeten toetsen. Ik nodig u graag uit om hiermee aan de gang te gaan.
heb10-08

Ik zou nu ‘Amen’ kunnen zeggen, maar ik denk dat ik het tekstgedeelte te kort zou doen wanneer ik alleen maar deze voorbeelden zou noemen en het hierbij zou laten. Wat we hier ook van mogen vinden, de dreiging van afval gaat veel dieper en raakt ons uiteindelijk allemaal. Niemand uitgezonderd. En het is de tekst van vanmorgen, die ons dit laat zien. Zij dringt door alle buitenkant heen en legt de vinger bij datgene waar het werkelijk om gaat. Het sleutelwoord dat ons hierin de weg wijst, is: ‘vrijmoedigheid’. Maar wat heeft vrijmoedigheid met afval te maken?Als wij de zinsnede over vrijmoedigheid aan het begin en aan het einde van de tekst met elkaar combineren, dan is de boodschap van dit gedeelte dat wij ‘een vrijmoedigheid bezitten, die wij niet moeten prijsgeven’. Maar wat is dat dan voor vrijmoedigheid waarover hier gesproken wordt?

We lezen hierover in vers 19. Het is de vrijmoedigheid ‘om in te gaan in het heiligdom’. Misschien mogen we dit lezen als: de vrijmoedigheid om tot God te mogen naderen. Om in Zijn aanwezigheid te verkeren. Wanneer wij onszelf hier even bij stilzetten, dringt misschien iets van het besef tot ons door hoe bijzonder dit is. Wij kunnen en mogen bij God komen! Wat geweldig! De toegang tot God is vrij! Het is onze valkuil dat wij hier vaak zo gemakkelijk over denken. De Schrift geeft ons hier twee redenen hoe dit mogelijk is geworden: het offer van de Here Jezus en zijn priesterschap in de hemel. Zonder deze heilsfeiten zou de weg tot God gesloten zijn.

Allereerst heeft de Here Jezus hiervoor de weg gebaand met Zijn kostbaar bloed en ten tweede heeft Hij Zijn plaats ingenomen als de Grote Priester over het huis Gods. Het was helemaal niet zo gemakkelijk om dit te bereiken. Beste mensen, we hebben hier de kern van het Evangelie te pakken, de Blijde Boodschap. Door het volbrachte werk van de Here Jezus is de toegang tot God is weer vrij! We zouden dit van de daken moeten schreeuwen! Maar wat het boek Hebreeën ons hier duidelijk probeert te maken, is dat de dreiging van afval hierin schuilt dat de Hebreeën, maar ook wij van deze vrije toegang geen gebruik maken, hoe onvoorstelbaar dit misschien ook klinkt.Dit is wel even wat anders dan te wijzen naar wat anderen fout doen. Door de dreiging van afval zó te benoemen, wordt het iets dat ons allemaal aangaat. We kunnen anderen kwalijk nemen dat zij de heilsfeiten niet meer geloven, voor ons geldt vaak dat wij die heilsfeiten geen plek in ons leven geven. Evangelische christenen weten vaak als geen ander dat het bloed van de Heer de weg tot God heeft vrijgemaakt, maar zij blijven jammerlijk genoeg veelal ernstig in gebreke als het erop aankomt om die weg ook daadwerkelijk te gaan. Voor velen van ons gaat het geestelijk leven niet verder dan het bezoeken van die ene dienst op zondag (voor sommigen zijn dat er twee). Ook wij hebben vaak andere prioriteiten waar wij ons leven naar richten. Daarom is dit gedeelte uit Hebreeën ook op ons van toepassing.heb10-09

De drie oproepen uit het gedeelte dat wij gelezen hebben, geven precies aan waarop het aankomt. De eerste oproep luidt: “Laten wij toetreden”. Deze opdracht wordt niet voor niets als eerste genoemd. Zij ligt ten grondslag aan de andere twee. Vóór alles komt het erop aan dat wij het aangezicht van God zoeken. Dat wij Hem daadwerkelijk opzoeken en ons hart voor Hem openstellen. Dit is iets dat wij niet kunnen compenseren door naar de kerk te gaan of aan Bijbelstudie te doen. Het gaat hier om de wandel met God en ik hoop dat u begrijpt dat dit iets verder gaat dan een gebedje in de zin van: ‘Here, zegen deze spijze. Amen’. Het gaat hier om een wijze van omgang waarin wij de Ander beter leren kennen en wij onszelf door de Ander laten kennen en beïnvloeden.Kennen wij dit in ons leven? Wandelen wij echt met God of komen wij in ons dagelijks leven niet verder dan het uitspreken van een gebed bij de maaltijd? Als dat zo is, dan ligt de dreiging van afval op de loer. Hebreeën roept ons daarom op om zo vrijmoedig te zijn om ook echt toe te treden!

Ik heb al eerder gezegd dat deze drie oproepen door de begrippen geloof, hoop en liefde aan elkaar verbonden zijn. Het ingaan in het heiligdom is daarom meer dan alleen het toetreden voor Gods aangezicht. De tweede oproep hoort daar ook bij: “Laten wij de belijdenis onwankelbaar vasthouden.” Wat is die belijdenis eigenlijk? Van welke hoop getuigen wij? – Ik hoor jonge mensen soms zeggen: ‘Ik laat mij dopen omdat Jezus mijn vriend is.’ Dat is fijn. Ik weet niet of het aan mij ligt, maar ik heb de indruk dat gelovigen van deze tijd steeds minder weten wat zij geloven. De nadruk ligt vaak zo eenzijdig op het ervaren. Natuurlijk is ervaring belangrijk, maar volgens deze tekst is het zo dat als het weten ontbreekt, de afval op de loer ligt. En om te weten moeten we onze Bijbel openen en studeren. Weet waarover de Bijbel schrijft en laat dit uw Godsbeeld, mensbeeld en wereldbeeld bepalen. Deze manier van lezen gaat verder dan het lezen van een Bijbelgedeelte aan tafel na het eten of het napraten van dogma’s die wij niet begrijpen. Het gaat hier echt om een verdiepen in het Woord. Er diep in duiken, met een verlangen om te kennen.  Is dit nog steeds aanwezig in ons leven?  Nemen wij nog wel tijd om de Schrift uit te pluizen en ons daardoor te laten voeden, of komen we niet veel verder meer dan een oppervlakkig lezen? Willen wij ècht weten wat Hebreeën 10 ons te zeggen heeft, of slaan we liever snel een bladzijde om in de hoop dat het volgende hoofdstuk wat gemakkelijker zal zijn? Als Hebreeën ons oproept om vrijmoedig om aan de belijdenis vast te houden, dan moeten wij wel weten wat deze belijdenis inhoudt! Het kennen van heilsfeiten is wel degelijk van belang!

De laatste oproep gaat over ons als geheel, als gemeente: “Laten wij op elkaar acht geven en elkaar aanvuren”. Ook dit is een onderdeel van het ingaan in het heiligdom. Dit klinkt misschien een beetje raar, maar dat is het niet, want de Bijbel spreekt over de gemeente als het lichaam van ‘Christus’. Wij worden opgeroepen om ‘in Christus’ te zijn en als deel van Zijn lichaam staan wij in verbinding met Hem die het hoofd is. Vandaar dat de gemeente ook een plek is waar wij Hem kunnen ontmoeten. Wat ik u vanmorgen wil voorhouden, is de vraag of dit inderdaad de manier is waarop wij met elkaar gemeente zijn? Zijn wij erop gericht om elkaar aan te sporen, of komen we in de onderlinge contacten niet verder dan het uitwisselen van de dagelijkse beslommeringen  of het delen van de laatste roddels? Ik weet uit ervaring hoe moeilijk het is om mensen zo ver te krijgen dat zij na afloop van de dienst met elkaar in gesprek gaan over datgene wat hen die ochtend is aangereikt. Als een gemeente deze diepgang niet kent, ligt de dreiging van afval op de loer.“We moeten onze eigen bijeenkomst niet verzuimen.” Dit is misschien wel de bekendste regel uit dit gedeelte. Hij wordt door ons veelvuldig geciteerd als we anderen duidelijk willen maken dat zij de diensten trouw moeten bezoeken. Op zich is hiermee niks mis, maar wanneer we dat doen, moeten we wel beseffen dat het bezoeken van de diensten geen doel op zichzelf is. Onze samenkomsten behoren een instrument te zijn dat bijdraagt aan de onderlinge opbouw en de opdracht om het heiligdom binnen te gaan. Persoonlijk vind ik het belangrijker om na te gaan of onze diensten hieraan voldoen, dan dat ik anderen met deze tekst onder druk zet. U heeft er geen idee van hoe vaak ik mensen spreek, die aangeven dat zij in hun gemeente onvoldoende geprikkeld worden om te groeien. Dat moet te denken geven. Mij in ieder geval wel. Als dit echt zo is, en daar lijkt het veel op, dan ligt de afval op de loer.

Ik heb al gezegd dat de drie oproepen in dit gedeelte volgens mij bij elkaar horen. Ik heb ook gezegd dat de eerste oproep aan de andere twee vooraf gaat. Maar als het erop aankomt,  is het zo dat deze drie oproepen elkaar aanvullen en versterken. Zo hoort het te zijn. De Stille Tijd met onze Here en onze wandel met Hem doet het verlangen groeien om Hem beter te leren kennen en brengt ons bij Zijn Woord. Wanneer wij Hem beter leren kennen, groeit het verlangen om dit met anderen te delen en brengt dit ons bij Zijn gemeente. De gemeente op haar beurt moet ons vervolgens weer aansporen om Zijn aangezicht te zoeken en Zijn Woord te bestuderen. Dit alles brengt in ons een groeiproces teweeg dat in de Bijbel heiliging wordt genoemd. Dat proces heeft als doel dat wij meer en meer op Hem gaan lijken, maar ook dat wij meer en meer de mens worden, die de Here God in gedachten had toen Hij ons het leven gaf.

Dat dit een serieuze opdracht is, wordt duidelijk uit het moeilijke gedeelte dat in vers 26 begint. De tijd ontbreekt om hier uitvoerig op in te gaan, maar de essentie is dat het offer zijn kracht verloren heeft als wij blijven zondigen, met andere woorden: als wij ons niet in dat heiligingsproces laten meevoeren.

Als u altijd heeft gedacht dat het voldoende is om te erkennen dat de Here Jezus met zijn bloed de toegang naar het heiligdom heeft vrijgemaakt, dan zeg ik u vanmorgen dat dit niet genoeg is. Op grond van Gods Woord roep ik u op om ook het heiligdom in te gaan. U kunt dit doen door gehoor te geven aan de drie oproepen uit dit gedeelte. Praat er met elkaar over hoe u dit concreet in uw leven kunt uitwerken.

heb10-10

Ik wil afsluiten met de woorden van vers 35, waar staat: Geeft dan uw vrijmoedigheid niet prijs, die een ruime vergelding heeft te wachten.

Naschrift: het diagram

heb10-11banner_mjdehaan_2010

Aantal keren bekeken: 755

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *