Geen steen van de tempel blijft op de andere

In 2000 publiceerde Ernest L. Martin het boek The Temples that Jerusalem Forgot, waarin hij uitgebreid uiteenzet dat de tempel van Jeruzalem niet op de Tempelberg heeft gestaan, maar meer zuidwaarts. De muren die zich om deze plaats bevinden, zouden niet aan de tempel, maar aan de burcht Antonia hebben toebehoord, die in werkelijkheid veel groter was dan wetenschappers denken. Dit is een opmerkelijk standpunt, aangezien de Tempelberg door zowel joden, moslims als christenen wordt beschouwd als de meest heilige plek op aarde. We mogen dan ook verwachten dat hij hiervoor een gedegen onderbouwing geeft. Zijn er ook Bijbelse aanwijzingen die deze opvatting ondersteunen?

Voor Martin zijn de woorden van de Here Jezus, waarin Hij zegt dat van de tempel geen steen op de andere zal blijven een belangrijk Bijbels argument. We komen ze in de Evangeliën op vier plaatsen tegen.

“En Jezus ging weg en vertrok uit de tempel; en Zijn discipelen kwamen naar Hem toe om Hem op de gebouwen van de tempel te wijzen. Jezus antwoordde en zei tegen hen: Ziet u dit alles? Voorwaar, Ik zeg u: hier zal niet één steen op de andere gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.” (Mattheüs 24:1-2)

“En toen Hij uit de tempel ging, zei een van Zijn discipelen tegen Hem: Meester, kijk, wat een stenen en wat een gebouwen! En Jezus antwoordde hem: Ziet u deze grote gebouwen? Er zal niet één steen op de andere gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.” (Markus 13:1-2)

“Want er zullen dagen over u komen dat uw vijanden een wal rondom u zullen opwerpen, u zullen omsingelen en u van alle kanten in het nauw zullen brengen. En zij zullen u met de grond gelijkmaken en uw kinderen in u verpletteren. Ook zullen zij geen steen op de andere laten, omdat u het tijdstip waarop er naar u omgezien werd, niet hebt onderkend.” (Lukas 19:43-44)

“En toen sommigen over de tempel zeiden dat hij met prachtige stenen en aan God gewijde geschenken versierd was, zei Hij: Wat betreft deze dingen waarnaar u kijkt: Er zullen dagen komen waarin niet één steen op de andere gelaten zal worden die niet afgebroken zal worden.” (Lukas 21:5-6)

Martin vindt deze woorden van de Here Jezus onverenigbaar met het feit dat de Haram al-Sharif wordt omgeven door een muur die bestaat uit ruim 10.000 enorme stenen die dateren uit de tijd van Herodus of daarvoor en kennelijk bij de verwoesting van Jeruzalem in 70 n.Chr. door de Romeinen ongemoeid zijn gelaten. Het argument dat hijzelf ook vaak heeft gebruikt, waarbij de woorden van de Here Jezus slechts betrekking zouden hebben op de binnenste tempelgebouwen, acht hij niet langer toereikend, aangezien het Griekse woord ἱερόν dat in deze verzen voor tempel wordt gebruikt, betrekking heeft op het gehele complex en niet alleen op het heiligdom zelf. De Discovery Bible bevestigt dit door bij dit woord de volgende toelichting te geven: “Het hele tempel complex, dat wil zeggen alle behuizingen (terrein, binnenplaatsen) en het centrale heiligdom.” Wanneer Jezus met zijn opmerking slecht het heiligdom zelf zou hebben bedoeld, had Hij in plaats hiervan het woord ναός gebruikt. Dit woord verwijst naar het binnenste van de tempel, het gedeelte waar de offers werden gebracht en andere rituelen werden uitgevoerd.

Dat ἱερόν ook de tempelmuur omvat, zien we in Mattheüs 4. Hier kunnen we lezen hoe Jezus door de duivel werd verleid en Hij door hem naar “het hoogste gedeelte van de tempel” werd gevoerd. Welke plek dit precies is geweest, is niet zeker, maar het is zeer aannemelijk dat dit een plek is geweest op de buitenmuur van het tempelcomplex, die langs de kloof was gelegen en uitzicht bood over de vallei. De hoogte van de muur en de diepte van de vallei tezamen zorgden voor een afstand die duizelingwekkend aandeed. De geschiedschrijver en ooggetuige Josephus heeft hierover het volgende geschreven:

“Want terwijl de kloof al zo diep was en het ieder die zich voorover boog om naar de bodem te kijken begon te duizelen, was de hoogte van de zuilengang die over de kloof liep van dien aard dat als iemand van het dak van die zuilengang, vanuit een dubbele hoogte dus, naar beneden keek, het hem zwart voor de ogen werd en zijn blik de peilloze diepte niet kon bereiken.” (Oude Geschiedenis, 412)

Als deze redenering klopt en Jezus inderdaad naar de rand van deze buitenmuur werd gevoerd, mogen we aannemen dat deze buitenmuur ook tot de tempel werd gerekend. Overigens hoeven we niet ver te zoeken om hiervan een bevestiging te vinden. Wanneer we in Markus 13 lezen dat de discipelen hun meester wezen op de stenen en gebouwen, was het gezelschap juist bezig om de tempel te verlaten. Wellicht stond men zelfs al buiten het complex. Hierdoor wordt eveneens de indruk gewekt dat hun gesprek betrekking had op het gehele complex. Vanaf de plek waar zij stonden, moet hun oog vooral gericht zijn geweest op de gebouwen en de muur die het complex hebben omgeven. Van dit alles wordt gezegd dat geen steen op de andere zal blijven.

In Lukas 19:43-44 lijkt de context van de woorden van de Here Jezus nóg breder te zijn. Hier wordt de indruk gewekt dat geheel Jeruzalem zal worden omgekeerd en van de gehele stad geen steen op de andere zal worden gelaten. Voor E.L. Martin is dit genoeg om te concluderen dat “wanneer de muren van de Haram dezelfde zijn als de muren van de tempel, de profetieën van Christus onjuist zijn gebleken” (p. 21). Hij haalt de woorden van de historicus Josephus aan om aan te geven dat ooggetuigen hebben bevestigd dat deze verwoesting ook daadwerkelijk zo volledig is geweest. In De Joodse Oorlog heeft Josephus beschreven wat er gebeurde nadat Caesar de opdracht had gegeven om de hele stad en de Tempel met de grond gelijk te maken.

“De rest van de ringmuur werd zo volledig tot de grond toe afgebroken, dat latere bezoekers van de plek eenvoudig niet konden geloven dat daar ooit iets gestaan had. Dat was dan het einde van Jeruzalem, ooit een schitterende stad die bij iedereen bekend was.” (VII, 3-4)

“Het landschap bood een troosteloze aanblik. Plaatsen die vroeger getooid waren geweest met bomen en parken, waren nu veranderd in een totale woestenij, al het hout was gekapt. Als een buitenlander die het Judea van vroeger en de fraai aangelegde voorsteden van de stad nog had gekend, nu ineens zou zijn teruggekomen en de verlatenheid had gezien, zou hij in tranen zijn uitgebarsten bij de aanblik van deze totale verandering. Alle schoonheid van vroeger was door de oorlog volkomen vernield en niemand die de situatie van vroeger nog had gekend, zou de plaats herkend hebben. Hij zou zich afgevraagd hebben waar de stad was terwijl zij zich toch vlak voor zijn ogen bevond.” (VI, 6-8)

Degenen die dit fragment van Josephus in hun context lezen, zal het niet zijn ontgaan dat Josephus ook spreekt over bouwwerken die door de Romeinen worden gespaard. Zou de uitspraak van Jezus dan toch niet zo letterlijk bedoeld zijn als Martin ons wil doen geloven?

“Dus gaf Caesar nu opdracht de hele stad en de Tempel met de grond gelijk te maken. Alleen de hoogste drie torens – Phasaël, Hippicus en Mariamne – alsmede de westelijke ringmuur liet hij staan. Dat laatste deed hij met het oog op de legering van het garnizoen dat zou achterblijven. De torens liet hij staan om het nageslacht een indruk te geven van de stad en van de sterkte van haar verdedigingswerken, en daarmee van de militaire kracht van de Romeinen, die er toch maar in geslaagd waren de stad in te nemen.” (VII, 1-2)

Martin erkent dat Titus dit bevel heeft gegeven, maar meent dat hij zich later heeft bedacht en deze bouwwerken alsnog heeft laten neerhalen. Hij onderbouwt zijn standpunt aan de hand van een citaat van Josephus uit de inleiding op De Joodse Oorlog. Hij maakt hiervoor gebruik van de vertaling van William Whiston, die echter zo zeer afwijkt van de Nederlandse vertaling van Meijer en Wes, dat ik argwanend werd en zelf een vertaling heb gemaakt van de betreffende Griekse tekst. Ik geef de drie verschillende versies hieronder weer.

“Voorts (komt aan de orde) wat de Romeinen deden met de restanten van de muur; en hoe ze de verdedigingswerken sloopten, die in het gebied aanwezig waren; en hoe Titus het hele land doorging om orde op zaken te stellen; evenals zijn terugkeer naar Italië, en zijn triomf.” (Whiston met mijn Nederlandse vertaling)

“Ten slotte zal ik uiteenzetten hoe de Romeinen de laatste verzetshaarden hebben opgeruimd en de versterkte plaatsen op het platteland hebben ontmanteld en hoe Titus systematisch door het hele land is getrokken, overal de orde heeft hersteld, vervolgens naar Italië is teruggekeerd en daar zijn triomf heeft gevierd.” (Meijer en Wes)

“Voorts hoe de Romeinen afrekenden met de laatste restanten van de oorlog, en de verdedigingswerken op hun plaats neerhaalden, hoe Titus de orde heeft hersteld door het gebied te bereizen en naar Italië is teruggekeerd en een feestelijke intocht heeft gehad.” (mijn vertaling)

In de weergave van Meijer en Wes vind ik “de laatste verzetshaarden” te vrij vertaald. Letterlijk staat hier: “de restanten van de oorlog.” Ook kan ik mij niet vinden in hun vertaling “de versterkte plaatsen op het platteland”. Letterlijk staat hier: “de verdedigingswerken van de (te duiden) plaatsen.” Maar laten we wel wezen, in deze zinnen wordt ook niet expliciet verwezen naar de westelijke muur van Jeruzalem en de drie torens. De bewoording is hier veel vager. In plaats van muren en torens gaat het hier over “de restanten van de oorlog” en “de verdedigingswerken”. Meijer en Wes zoeken deze laatsten zelfs op het platteland, wat m.i. niet juist en qua volgorde niet logisch is. Maar ook Whiston heeft iets aan de vertaling toegevoegd wat er niet staat. Het is niet ondenkbaar dat er met deze omschrijving wordt verwezen naar de muur en de torens, maar het staat er niet.

Flavius Josephus heeft deze woorden geschreven in de inleiding op zijn boek. Met name de paragraaf waaruit wordt geciteerd, beschrijft wat hij in zijn boek wil behandelen. Wanneer met deze vage aanduidingen inderdaad de westelijke muur en de torens zijn bedoeld, dan zou je mogen verwachten dat hij dit verderop zal uitwerken. Maar dat gebeurt niet. Josephus sluit zijn inhoudsopgave af met de terugkeer van Titus naar Rome en zijn triomftocht, terwijl het boek doorgaat tot aan de inname van de citadel Masada bij de Dode Zee. Wellicht is dit de reden geweest voor de wat vrije vertaling van Meijer en Wes, omdat zij deze periode zo in de inhoudsopgave zichtbaar konden maken.

Concluderend moet ik vaststellen dat Ernest L. Martin mij niet overtuigt met het argument dat Titus zich volgens Josephus heeft bedacht en in tweede instantie toch de westelijke muur en de drie torens omver heeft laten halen. Dit wordt nergens in de behandeling van deze periode gezegd. Ik vind het dan ook onjuist dat hij suggereert dat deze boodschap in de inhoudsopgave kan worden gelezen. Wanneer dit zo zou zijn, dan had dit zeker in de uitwerking terug moeten komen en dit is niet het geval. Wat mij betreft, laat ik (voorlopig) staan wat Josephus hierover zegt in Boek VII van De Joodse Oorlog.

“Dus gaf Caesar nu opdracht de hele stad en de Tempel met de grond gelijk te maken. Alleen de hoogste drie torens – Phasaël, Hippicus en Mariamne – alsmede de westelijke ringmuur liet hij staan.” (VII, 1)

Dat hiermee de woorden van de Here Jezus ontkracht zouden zijn, laat ik ook helemaal voor zijn rekening. Ik vind dit een hyperletterlijke manier van lezen, waarin ik mij niet kan vinden. Jeruzalem is van de kaart geveegd en als herinnering aan deze daad, worden in die grote imposante stad een paar verdedigingswerken gespaard als monument ter nagedachtenis aan haar complete verwoesting. Doet dit dan afbreuk aan de woorden van de Here Jezus? Ik zie dit niet.

Toch blijf ik – dit alles overdenkende – met een paar vragen zitten. Allereerst lijkt het erop dat er in de periode na de oorlog toch iets is gebeurd met deze verdedigingswerken. Wanneer Eleazar Ben Yaïr drie jaar later in Masada een dramatische redevoering houdt, zegt hij over Jeruzalem het volgende:

“En waar is nu die grote stad, de moederstad van heel het Joodse volk, die stad die zulke sterke muren had, de stad die door zoveel bolwerken en zulke grote torens werd verdedigd, de stad die nauwelijks groot genoeg was om al die wapens te kunnen bergen en die zovele tienduizenden mannen huisvestte die voor haar wilden vechten? Wat is er van haar geworden? Was zij niet de stad waarvan wij geloofden dat zij door God zelf gesticht was? Zij is finaal uit haar funderingen losgerukt. Het enige dat nog aan haar herinnert, is het kamp van haar veroveraars te midden van de puinhopen.” (VII, 375-376)

Geeft Eleazar hier een feitelijke weergave van de werkelijkheid of zijn zijn woorden ingekleurd door de dramatiek van dat moment? Vast staat in ieder geval dat we daarna nooit meer iets over deze verdedigingswerken vernemen. Dit brengt mij bij mijn tweede vraag die ook gaat over iets dat is verzwegen. Hoe komt het dat Titus besluit om drie verdedigingswerken en een deel van de muur te laten staan, maar niets zegt over de burcht Antonia? Wat is er met de burcht Antonia gebeurd?

banner_mjdehaan_2015

Aantal keren bekeken: 160

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *