Ez. 4:1-17 – Crisis in de catechese

Ezechiël had in de gaten dat hij mensen niet meer kon bereiken met woorden alleen. Daarom zorgde hij voor een indrukwekkend stukje aanschouwelijk onderwijs. Maar wat heeft hij daarmee eigenlijk willen zeggen?

ez04-01
ez04-02
ez04-03
ez04-04
ez04-05
ez04-06

‘Crisis in de catechese niet voorbij.’ Het was een grote kop op pagina 2 van het Nederlands Dagblad. ’Catechese betekent ‘geloofsonderricht’.  Aan het woord was emeritus-hoogleraar Wim Verboom, bij velen bekend als de auteur van catechismusboekjes. In het bewuste artikel geeft hij een treffend voorbeeld van deze crisis. Hij vertelt hoe hij eens aan een jongere had gevraagd of de kerkhervormer Luther vóór of ná Abraham had geleefd. “Dat weet ik niet, hoor,” was het antwoord, “Dat is van vroeger.” Ik moest hieraan denken toen ik deze overdenking voorbereidde.

Ik denk dat wij allemaal het juiste antwoord op deze vraag hadden geweten – ook de jongeren onder ons. Maar ik weet zeker dat dit niet geldt voor de achtergronden van onze schriftlezing. Er wordt niet zo vaak uit het boek Ezechiël gepreekt. Ikzelf kan mij maar één preek uit dit boek herinneren. Wie was Ezechiël? Wanneer en waar heeft hij geleefd? En vooral: wat moeten wij met dit wonderlijke verhaal waarvan ik zeker weet dat velen niet kennen?

ez04-07

Laten we maar eens beginnen bij de eerste vraag: Wie was Ezechiël? We weten niet veel van deze man, maar toch valt er nog wel iets over hem te zeggen. Vooral de eerste verzen in het eerste hoofdstuk van het boek bevatten veel informatie. Ik noem heel kort de belangrijkste punten.

Allereerst maakt Ezechiël duidelijk dat het bijbelboek Ezechiël niet alleen over hem gaat, maar ook door hem is opgeschreven. Hij is de auteur van het boek Ezechiël. We weten dit omdat het boek in de ik-vorm is geschreven: “Toen zag ik, en zie, een stormwind kwam uit het noorden.” (1:4)

Verder weten we dat hij de zoon was van Buzi. Ezechiël noemt hem heel nadrukkelijk: de priester. Dit betekent dat hij een nakomeling was van Aäron, de broer van Mozes, de eerste hogepriester.  Ezechiël kwam uit een geslacht van priesters en was daarom zelf ook priester. Wij zien dit bevestigd in het feit dat er in het boek Ezechiël  opvallend veel aandacht wordt geschonken aan allerlei priesterlijke zaken. Zo schrijft hij bijvoorbeeld over de tempel, het priesterschap, en de offers.

Maar Ezechiël was méér dan een priester. Heel nauwkeurig geeft hij aan dat de hand des Heren op hem kwam (1:3). Hij was toen precies dertig jaar, vier maanden en vijf dagen oud (1:1). Deze gebeurtenis moet zijn leven compleet op zijn kop hebben gezet. Alleen een heel belangrijk keerpunt wordt zo nauwkeurig vastgelegd als hier is gebeurd. In hoofdstuk 2 beschrijft hij het roepingsvisioen waarin hij door de HERE God wordt benadert: “Mensenkind, ga op uw voeten staan en Ik zal met u spreken…”. Ezechiël was een geroepene Gods. Hij was een profeet. Zijn roeping was een indrukwekkende ervaring.

Weet u, soms kan ik zo hunkeren naar zo’n geestelijke ervaring. Dan denk ik: ‘Openbaarde God Zich ook maar zo aan mij.” Herkent u dit? – Als dit zo is, dan moeten we vooral niet vergeten om door te lezen. Ook al willen wij in deze postmoderne tijd vaak anders, God openbaart Zichzelf nooit om de ervaring an sich. Hij openbaart Zichzelf altijd met een opdracht: “Mensenkind, Ik zend u…” (2:3). Is die opdracht leuk? Levert het persoonlijk gewin op? Krijgen wij er een beter leven door? De Bijbel is hier heel eerlijk over: heel vaak is dit niet het geval.

In de situatie van Ezechiël geeft God hem opdrachten waarmee hij iedereen tegen zich krijgt. Alsof dat niet genoeg is, neemt God het leven van zijn vrouw en verbiedt hem als onderdeel van zijn bediening om te rouwen (24:16). Zou hij hiervan genoten hebben? Heeft hij hierdoor een beter leven? Natuurlijk niet! Maar dat was ook niet de inzet. De HERE had hem een opdracht gegeven en hij was bereid om deze uit te voeren. In de Bijbel gaat het veel meer hierom dan om de hunkering naar een goddelijke openbaring of het bereiken van persoonlijk gewin. Zijn wij – bent u, ben ik – ongeacht de aard en uitkomst bereid om de opdracht die God ons geeft, te aanvaarden?

ez04-08

Onze tweede vraag was: Wanneer en waar heeft Ezechiël geleefd?

Natuurlijk hoef ik niemand te vertellen dat Ezechiël er vóór Luther was, maar als ik zou vragen wat nu precies zijn plaats in de heilsgeschiedenis is geweest, wordt het voor velen toch wat moeilijker. Omdat deze context voor het begrijpen van het gedeelte dat wij gelezen hebben erg belangrijk is,  geef ik ook hiervan een korte schets.

Ezechiël leefde aan het einde van de zevende en het begin van de zesde eeuw voor Christus. De scheuring van het volk Israël in tien en twee stammen was al een paar eeuwen een feit. Het was zelfs al meer dan honderd jaar geleden dat grote groepen van Israël (het tienstammenrijk) in ballingschap naar Assyrië waren weggevoerd. Zo lang was het al geleden dat er een einde was gekomen aan het koninkrijk Israël.

Inmiddels was Babylonië als grootmacht naar voren getreden. Dit land werd door de HERE God ingezet om de ongehoorzaamheid van Juda (het tweestammenrijk) te bestraffen. In 606 en 597 v.Chr. vonden er twee invasies plaats waarbij er ook vanuit Juda grote aantallen mensen als ballingen werden weggevoerd. Bij deze tweede invasie was ook Ezechiël betrokken. Hij was ongeveer 25 jaar oud toen hij als gevangene naar Babylonië werd gebracht – tegelijk met koning Jojachin en andere hooggeplaatsten uit Jeruzalem. Hij kwam terecht in Nippur, een plaats ten zuidoosten van Babylon, bij de Chebar, een zijrivier van de Eufraat. Daar zou het nog een kleine 5 jaar duren voordat de HERE God hem zou roepen als de wachter van Zijn volk.

ez04-09

Ezechiël was niet de enige knecht van God. Hij was een tijdgenoot van twee andere grote profeten. De naam van de eerste profeet was Daniël. Deze was al tijdens de eerste invasie in 606 v.Chr. naar Babylonië getransporteerd. Tegen de tijd dat Ezechiël daar aankwam (in 597), was Daniël reeds  een bekend man. Ezechiël heeft hem gekend. Zijn naam wordt in het boek maar liefst drie keer genoemd.

De naam van de tweede profeet is Jeremia. Deze was 20 jaar ouder dan Ezechiël en volop actief in zijn bediening tijdens de periode van de drie invasies. Hoewel Ezechiël hem niet noemt, moet hij ook Jeremia hebben gekend. Hij zal zeker bij één van zijn optredens in Jeruzalem aanwezig zijn geweest. Zo waren er in deze periode drie mannen Gods: één in Jeruzalem, één aan het hof in Babylonië en één te midden van de bannelingen. Misschien zijn er meer geweest, maar daarvan weten we niet. In ieder geval lijkt het erop dat het lijntje van de heilsgeschiedenis in deze periode erg dun is. Heel erg dun zelfs. Zo dun dat het soms lijkt alsof hij gaat breken.

Persoonlijk ben ik van mening dat de tijd waarin wij leven, opnieuw een periode inluidt, waarin men zal proberen om de boodschap van Gods heil om zeep te helpen. Een periode waarvan de Here Jezus Zich heeft afgevraagd of “de Zoon des mensen, als Hij komt, wel het geloof op de aarde zal vinden?” De vraag waar het dan om gaat, is: Waar staat u? En ik? (Luc. 18:8)

ez04-10

Ik heb als thema voor deze overdenking gekozen voor de uitdrukking ‘Crisis in de catechese’. En dat is niet alleen maar om aan te geven dat onze kennis van Ezechiël in gebreke blijft. Er is ook sprake van een crisis in de catechese in onze Schriftlezing. Deze crisis is dieper dan een gebrekkige Bijbelkennis. Bij Ezechiël is er méér aan de hand dan dat. Veel meer. Mensen die niet weten, kun je onderwijzen. Gaten in kennis kun je opvullen. Maar wat doe je met mensen die er niet meer van willen weten?

In hoofdstuk 2:4 wordt beschreven hoe Ezechiël van God zijn opdracht krijgt: “Ik zend u naar de Israëlieten, naar die opstandige volken, die tegen Mij in opstand zijn gekomen. Zij en hun vaderen hebben tot op deze zelfde dag tegen Mij overtreden. En deze kinderen zijn schaamteloos en hardleers.”

Ondanks alles wat er gebeurd was, waren zij nog steeds niet tot inkeer gekomen. Ondanks dat zij waren verslagen en afgevoerd naar een land dat niet het hunne was, gaven zij zich nog steeds niet gewonnen aan de HERE God die met hen een verbond was aangegaan en voor hen een Burcht en een Beschermer wilde zijn. In  vers 5 zegt de HERE tegen Ezechiël: “En zij, of zij luisteren of dat niet doen – zij zijn immers een opstandig huis – zij zullen weten dat er een profeet in hun midden geweest is.”

Wat zouden wij doen wanneer wij in Ezechiëls schoenen hadden gestaan? Ik kan niet voor u spreken, maar ik denk dat de meest gangbare pastorale benadering in situaties als deze die van ‘bemoediging’ is. Mensen die zoveel hebben meegemaakt als deze bannelingen hebben een luisterend oor en een bemoedigend schouderklopje nodig. ‘Vreselijk wat er gebeurd is, maar houdt vol: het komt allemaal goed!’

Ook in Ezechiël wordt over dergelijke herders gesproken. Zij worden valse profeten genoemd: “Zij hebben Mijn volk misleid door te zeggen: Vrede, hoewel er geen vrede is.” (13:10)

Ezechiël moet een boodschap kwijt die de mensen niet willen horen. Dat is de crisis in de catechese waarover het in onze tekst gaat. In een ultieme poging om deze crisis te bezweren wordt er een andere vorm van onderwijs ingezet. Aanschouwelijk onderwijs. Omdat de woorden van de profeet geen ingang meer vonden, ging hij met beelden werken. Hij moest en zou hen duidelijk maken wat er werkelijk aan de hand was. En daarvoor moest hij zich letterlijk in allerlei bochten wringen. In hoofdstuk 4 lezen we over drie beelden die worden ingezet.

ez04-11

In het eerste beeld werd het toneel ingericht. Ezechiël moest van de HERE God een kleitablet nemen en daarop een plattegrond van Jeruzalem tekenen. We weten ongeveer hoe dit eruit gezien moet hebben, want bij opgravingen heeft men meer van deze voorwerpen in de grond aangetroffen. Zo bevat het stuk klei op de dia een deel van de plattegrond van Nippur, de plaats waar Ezechiël heeft gewoond. Deze vondst stamt uit ca. 1000 v.Chr. De tekening van Ezechiël moet er ongeveer zo hebben uitgezien.

Rondom deze tekening moest Ezechiël vervolgens allerlei voorwerpen plaatsen om uit te beelden dat de stad Jeruzalem werd belegerd: een belegeringsdam, legerkampen en stormrammen. Uiteindelijk ontstond er een tafereel dat veel weg had van een stukje Madurodam. Voor de ballingen was er geen twijfel mogelijk over wat dit allemaal moest voorstellen: het ging hier om de belegering van hun geliefde Jeruzalem. Daarom kan het niet anders of dit decor moet hun bijzondere aandacht hebben getrokken. Wat had dit in vredesnaam te betekenen? Kon dit allemaal wel door de beugel?

Voor hen was het schouwspel voor hun ogen absoluut ondenkbaar. Zij konden niet geloven dat hun stad Jeruzalem belegerd en ingenomen zou worden. Zij waren veel optimistischer over hun situatie en hielden zich vast aan de boodschap van vrede die hen door andere profeten werd voorgehouden. Bovendien was het aantal mensen dat in ballingschap was gevoerd, zo gering, dat er nog voldoende mensen in de stad waren achtergebleven. Ook stond Jeruzalem bekend als een onneembare vesting en gaf de verstandhouding tussen Juda en Babel geen enkele aanleiding voor een dergelijke belegering. Tot slot waren zij van mening dat God wel verplicht was om hen niet al te lang in ballingschap zouden laten zuchten.

Ik bespeur in deze houding wel iets dat ik herken in deze tijd. Hebben wij ook niet heel erg de neiging om ‘vrede’ te sluiten met de wereld om ons heen – ja, daarin zelfs volop mee te gaan – en tegelijkertijd te denken dat de zegen des Heren onverminderd op ons zal rusten? Ik moet zeggen dat ik het altijd de kracht van de evangelische beweging heb gevonden dat zij liet zien dat je christen kon zijn zonder compleet wereldvreemd te worden: met eigentijdse muziek, eigentijdse inrichting, eigentijds taalgebruik en eigentijdse middelen. Maar staan wij er weleens bij stil hoe ver wij hierin kunnen gaan? Wanneer begint het opgaan in onze omgeving Gods zegen in de weg te staan? En hoe zit dat in ons eigen leven? Dit zijn belangrijke vragen om bij stil te staan.

ez04-12

Het tweede beeld geeft de rol weer van Ezechiël als priester, waarbij hij aan de ene kant het volk vertegenwoordigt en aan de andere kant de positie van de HERE God mag vertolken. Hij beeldt als het ware de relatie uit tussen God en Zijn volk.

Toen de maquette klaar was, moest  Ezechiël een bakplaat nemen en deze tussen hem en de stad in plaatsen. Deze ijzeren wand symboliseerde de scheiding die er was ontstaan tussen God en Zijn volk. Vervolgens ging hij eerst gedurende 390 dagen op zijn linkerzij vóór de maquette liggen, waarbij hij zijn gelaat gericht hield op de belegering. Daarna deed hij gedurende 40 dagen hetzelfde op zijn rechterzij. Elke dag stond voor één jaar uit de geschiedenis van het volk. Tijdens deze periode werd de ongerechtigheid van het volk op hem gelegd, als een last die op hem drukte, maar misschien ook wel als een last die hem terneer drukte. De HERE God had Ezechiël gezegd dat Hij touwen om hem heen zou slaan. Ik weet niet goed hoe ik mij dit moet voorstellen, maar kennelijk was het de bedoeling dat hij niet van houding zou veranderen.

Dan staan er in dit verband een paar moeilijke woorden in onze tekst: “Zo raakt Jeruzalem in belegering en zult u haar belegeren.” We zien dat er tussen Jeruzalem en God een ondoordringbare muur was verrezen, waarop alle smekingen en gebeden afketsten. Die muur was opgetrokken door de overtredingen van het volk. Er was geen contact meer tussen God en Zijn volk. Alsof dit allemaal nog niet erg genoeg was, moest duidelijk worden gemaakt dat het God Zelf was die Zijn eigen stad belegerde en Zijn volk onder druk zette. God Zelf was het die Zich tegen hen had gekeerd. Dit was iets waarvan de ballingen zich niet bewust waren.

Maar ik denk dat niet alleen de ballingen zich hiervan onvoldoende bewust waren. Ook wij hebben dit vaak onvoldoende in de gaten. Wanneer wij zingen ‘God is hier, Hij wil ons zegenen’, dan voelt dit aan als iets dat volkomen vanzelfsprekend is en wij reageren bijna verontwaardigd wanneer we merken dat dit niet zo is. God wil ons zegenen, dat klopt, maar beseffen wij dat wij door ons gedrag een ijzeren muur opwerpen waardoor Zijn zegen ons niet meer kan bereiken?

ez04-13

Het derde beeld heeft te maken met voedsel. In Amerika is er een ondernemer die probeert om het voedsel waarover hier gesproken wordt commercieel uit te buiten. Ik vind het een grappig experiment, maar als je je realiseert waar dit voedsel voor staat, vraag ik mij af of hij hierin zal slagen.

Ezechiël moest een brood maken van een mengsel van tarwe, gerst, bonen, linzen, gierst en spelt. Van dat brood mocht hij iedere dag een hele kleine hoeveelheid tot zich nemen: twintig sikkels, wat overeenkomt met 230 gram. Ook van het water mag hij dagelijks slechts een klein beetje drinken: iets meer dan een halve liter.

In de NBG-vertaling staat dat dit alles als een gerstekoek bereid moest worden. Ik denk dat dit niet klopt. Mijn inziens is de weergave van de Herziene Statenvertaling beter. Daar wordt gezegd dat Ezechiël verder ook nog een gerstekoek moest bakken. Naast het brood dat uit zes ingrediënten was samengesteld, moest hij een gerstebrood maken dat was bereid op gedroogde menselijke uitwerpselen. Voor de priester Ezechiël was dit zo’n weerzinwekkende opdracht dat hij van de HERE God toestemming kreeg om in plaats van menselijke uitwerpselen gedroogde rundermest te gebruiken. Er was dus niet sprake van één, maar van twee soorten voedsel: het brood met de zes ingrediënten én het gerstebrood. Ik zal u uitleggen waarom ik denk dat dit zo is.

In vers 16 zegt de HERE tegen Ezechiël dat Hij het ten tijde van het beleg in Jeruzalem aan brood zal laten ontbreken. En dan staat er: “In afgewogen hoeveelheid en vol bezorgdheid zullen zij brood eten, en met een afgemeten hoeveelheid en met ontzetting zullen zij water drinken, omdat zij aan brood en water gebrek hebben.” Dit slaat terug op het brood met de zes ingrediënten. Dit was oorlogsbrood, een noodrantsoen. Alle nadruk valt hier op schaarste.

In vers 13 zegt de HERE tegen Ezechiël dat de Israëlieten hun brood onrein zullen eten onder de heidenvolkeren waarheen Hij hen heeft verdreven. Dit slaat terug op de gerstekoek die op gedroogde uitwerpselen bereid moest worden. Alle nadruk valt hier op onreinheid. We hebben hier dus te maken met twee verschillende soorten voedsel. Na schaarste volgde onreinheid.

In dit voedsel zien we een uitkomst van een lange periode. Deze uitkomst wordt eerst uitgedrukt in schaarste en vervolgens in onreinheid. Maar deze uitkomst komt niet uit de lucht vallen. Zij staat niet op zichzelf, maar is opgebouwd in de lange periode van 430 jaar die daaraan vooraf is gegaan. Ik denk dat dit de reden is waarom Ezechiël het in zijn aanschouwelijk onderwijs iedere dag met dit rantsoen moest doen.

Dit zette mij stil bij de vraag hoe het vandaag de dag met óns rantsoen is gesteld. Ons geestelijk rantsoen welteverstaan. Welk geestelijk voedsel krijgen wíj binnen? Beperkt ons rantsoen zich tot de zondagmorgen of laten wij ons iedere dag uit het Woord voeden? Zitten wij misschien al zo lang op een hongerdieet dat wij ons meer en meer tegoed doen met dat wat onrein is?

Ik kan deze vraag niet voor u beantwoorden, maar misschien is het goed om de tijd die u voor de televisie doorbrengt of achter de computer, eens te vergelijken met de tijd die u met God en Zijn Woord doorbrengt. De statistiek leert ons dat er velen zijn die al zo ver zijn afgeweken dat zij regelmatig bezoeker zijn geworden van webpagina’s waar zij eigenlijk helemaal niet behoren te komen omdat zij onrein voedsel bevatten…

ez04-14

Ik denk dat ik heel goed begrijp waarom er zo weinig uit Ezechiël wordt gepreekt. Het is een moeilijk boek en vooral het eerste deel staat heel erg in het teken van het oordeel. En net als de ballingen houden wij daar niet zo van. Ezechiël zet ons stil bij zaken die niet zo goed passen in de manier waarop wij ons geloof willen beleven. Zij passen alleen wel bij de God van de Bijbel. De God van Abraham, Izaäk en Jacob is een rechtvaardig God die niet kan verdragen dat Zijn volk aan Hem ongehoorzaam is. Daarom is het nodig om elkaar hierop van tijd tot tijd aan te spreken.

Maar er is ook een keerzijde van het oordeel. Het tweede deel van Ezechiël bevat prachtige hoofdstukken die over herstel schrijven. God heeft altijd herstel voor ogen en Hij heeft die weg naar herstel ook bereid. Ik daag u uit om deze hoofdstukken te lezen en te bestuderen. Zelfs in Ezechiël 4, waar door aanschouwelijk onderwijs zo nadrukkelijk het oordeel over het volk wordt aangekondigd, zijn er een aantal lichtpuntjes van hoop en troost te zien. Ik heb hier niet de ruimte om het hele boek met u door te nemen, maar de belangrijkste lichtpuntjes in hoofdstuk 4 wil ik u niet onthouden.

Het eerste lichtpuntje is dat de periode van 430 jaar in feite een genadetijd is. Het zijn weliswaar 430 jaren waarin het volk overtreding op overtreding heeft gestapeld, maar in deze periode heeft de HERE God Zich van een oordeel onthouden en kreeg het volk de gelegenheid om tot inkeer te komen. Dit zegt iets over de lankmoedigheid van onze God.

De tijd waarin wij leven is ook zo’n genadetijd. Ook voor ons geldt dat wij tot inkeer mogen komen en ons leven aan Hem mogen toewijden. Laat het er niet op aan komen en maak die keuze NU.

Het tweede lichtpuntje is dat God altijd naar nieuwe manieren zoekt om contact met Zijn volk te maken. Als het volk niet meer naar Zijn woorden wil luisteren, probeert Hij hen te overtuigen met beelden.  Ezechiël probeert Gods Woord met beelden voor het voetlicht te brengen, maar tegelijkertijd laat hij met zijn optreden al iets zien van het verlossingswerk dat eeuwen later door de Here Jezus zou worden volbracht.

In de Here Jezus heeft de HERE God een ultieme poging gedaan om met ons in contact te komen. Hij heeft onze overtredingen niet alleen gedragen, maar ook tot verzoening gebracht. De vraag is alleen of wij ons met Hem willen laten verzoenen? Wacht niet te lang met die vraag te beantwoorden.

Het derde lichtpuntje is dat God zich weliswaar tegen Jeruzalem keert, maar tegelijkertijd zien we dat Hij Zich niet van haar afkeert. Ezechiël krijgt van God nadrukkelijk de opdracht om over de ijzeren muur heen naar de stad te blijven kijken en zijn blik niet af te wenden: “Houd uw blik er vast op gericht,” zegt Hij. Dit wijst erop dat Hij ondanks alles Zijn volk toch niet loslaat.

Soms kan ik niet begrijpen hoe het mogelijk dat wij ondanks zo veel trouw van Gods kant toch nog weerstand tegen Hem blijven bieden.

Ik sluit af met een oproep. Als u zich een balling voelt zou het geweldig zijn als u zou buigen voor de HERE God. De Bijbel zegt dat het dan feest in de hemel is. Maar ik zou voor nu de aandacht op iets anders willen vestigen. Ik heb al gezegd dat ik vermoed dat wij de periode ingaan waarvan de Zoon des mensen Zich afvraagt of Hij, als Hij komt, wel het geloof op de aarde zal vinden? Wij kunnen dat tij niet keren. Wij kunnen van onszelf niets.

MAAR WIE VAN ONS ZOU ER ALS EZECHIËL WILLEN ZIJN?

banner_mjdehaan_2011

Aantal keren bekeken: 1216

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *