“Alles is mogelijk.” Over christelijke hulpverlening

Christelijke hulpverlening: wat mag je er van verwachten?

‘Alles is mogelijk voor wie gelooft’ zegt de Bijbel in Marcus 9:23. Voor velen werkt deze tekst als een sleutel waarmee zij de deur naar herstel denken te kunnen openen. Vol overtuiging gaan zij op deze belofte ‘staan’ en ‘claimen’ de vervulling van deze woorden. Maar niet zelden blijkt dan dat zo’n houding toch niet het gewenste resultaat oplevert.  Was hun geloof niet groot genoeg of hebben zij de verkeerde verwachting gehad?

Hulp

‘Onze hulp is in de naam des Heren die hemel en aarde gemaakt heeft’, schrijft David in Psalm 124:8. In veel kerken wordt deze tekst iedere week aan het begin van de kerkdienst uitgesproken. Daarmee geeft men uitdrukking aan het belang van deze woorden: door de herhaling worden ze als het ware in de ziel van de gelovigen gegrift. Opdat wij ze niet zullen vergeten. Maar wat betekenen deze woorden? Wat mogen wij verwachten als wij onze hulp bij de Here zoeken?

Christenen zijn geen probleemloze mensen. Net als ieder ander worstelen zij met beperkingen op lichamelijk, psychisch of geestelijk gebied. Soms is die worsteling zo hevig dat zij er op eigen kracht niet meer uitkomen. Dan hebben zij hulp nodig. En die is er meestal ook. Veelal kunnen zij kiezen uit een heel scala aan hulpverleners, variërend van een goed gesprek met een vriend of vriendin tot het professionele corps van artsen, fysiotherapeuten, psychologen, en predikanten. Maar voor een christen is dit niet genoeg. ‘God is mijn Hulp’, heeft hij geleerd, en zo is het ook. Dit doet hem vaak uitzien naar specifiek christelijke hulpverlening. En omdat hij er van overtuigd is dat bij Hem alle macht is, verwacht hij daar – soms bewust, maar veelal onbewust – als door een wonder van zijn problemen verlost te worden. Maar zo is het meestal niet.

Christelijke hulpverlening

Voordat wij hierop nader ingaan, moeten wij onszelf eerst de vraag stellen wat wij verstaan onder christelijke hulpverlening. Er zijn talloze organisaties die het woord ‘christelijk’ in hun naam voeren, maar daar in de praktijk geen concrete invulling aan geven. Dan is de conclusie eenvoudig: zoiets kun je geen christelijke hulpverlening noemen. Er zijn echter ook organisaties die zich ‘christelijk’ noemen en dat wel degelijk serieus nemen. Zij hechten er waarde aan om hulpverleners in dienst te hebben die christen zijn, en geven hen de ruimte om hun christelijke achtergrond als specifieke deskundigheid in het hulpverleningsproces in te brengen. Want – zo redeneren zij – christen-hulpverleners kunnen zich beter inleven in de achtergrond van christen-cliënten en zijn daardoor beter in staat om hun problematiek te begrijpen en hen daarbij te begeleiden. Uiteraard valt het christelijke karakter van de hulpverlening hier niet ontkennen, maar toch blijft het zeer de vraag of je hier kunt spreken van christelijke hulpverlening.

Bij Archippus zijn wij geneigd om te zeggen dat hulpverlening pas echt christelijke hulpverlening is, wanneer de levende Heer waarin wij geloven een centrale plaats krijgt in het hulpverleningsgesprek. Het hulpverleningsgesprek kent dan in feite niet twee, maar drie deelnemers: de hulpverlener, de cliënt en de sprekende God. Naast vakbekwaamheid is de hulpverlener zich terdege bewust van het feit dat hij een intermediaire rol vervult in het spreken van God tot en met de ander.  Hij  waakt er voor dat zijn leven wordt gevoed vanuit een levende relatie met Christus en dat zijn spreken overeenstemt met het Woord van God, de Bijbel. Het raadplegen van de Schrift en het bidden met de cliënt vormen beiden een wezenlijk onderdeel van zijn methodiek. Christelijke hulpverlening houdt rekening met de werkzaamheid van een levende God. Maar daarmee is nog steeds de vraag niet beantwoord of succes dan ook verzekerd is.

Succes verzekerd?

In ons werk komen wij in aanraking met mensen die om de meest uiteenlopende redenen hulp zoeken. De ene keer zijn dat vrouwen (en kinderen) in de knel, de andere keer vrouwen met een prostitutieachtergrond, of mensen met problemen op het gebied van hun seksuele identiteit. Wat kunnen wij met Gods hulp voor hen betekenen?

  • ‘Mijn relatie is een puinhoop. Ik weet niet meer hoe ik verder moet.’
  • ‘Ik ben door hoge schulden in de prostitutie beland, maar walg van dit leven. Toch kan ik er niet van loskomen.’
  • ‘Ik heb homoseksuele gevoelens en daarom haat ik mijzelf.’
  • ‘Iedere avond bezoek ik pornosites op internet. Ik weet dat het niet goed is, maar ik ben er door geobsedeerd geraakt.’

In de politiek en de media wil men ons doen geloven dat de moderne gezondheidszorg functioneert als een winkel waar de klant koning is. ‘U vraagt en wij draaien.’ Op televisie worden ‘make-over’ programma’s getoond waarin mensen door chirurgische ingrepen worden omgebouwd tot volmaakte wezens. Geen zee lijkt te hoog. Alles is mogelijk.

De praktijk is echter vele malen anders. Voor velen is de zorg onbetaalbaar geworden. Door bureaucratisering en tijdgebrek dreigt de hulpverlening te verschralen tot symptoombestrijding in plaats van dat problemen in de kern worden aangepakt en opgelost. Vraaggerichte zorg blijkt dan ineens een wel heel erg relatief begrip te zijn.

Christelijke hulpverlening heeft om een heel andere reden moeite met vraaggerichte zorg. Uiteraard willen wij in onze hulpverlening inzetten bij het verzoek waarmee de cliënt ons benadert. Graag zelfs! Ook Jezus benaderde de mens met de vraag: ‘Wat wilt gij dat ik u doen zal?’ (Luc. 18:41). Maar uiteindelijk gaat het ons ten diepste niet om de vraag ´Wat wil de cliënt?’, maar om de vraag ‘Wat wil God?’. En in de praktijk blijken deze twee invalshoeken heel vaak niet met elkaar samen te vallen. Aan de hulpverlener is dan de schone taak om vanuit de vraag van de cliënt op een zeker moment uit te komen bij wat God van ons vraagt: ‘Ben jij bereid om datgene wat jou zo bezighoudt in Mijn Hand te leggen en Mijn wil te doen?’ Voor christelijke hulpverlening ligt het uiteindelijke succes daarom niet in het voorzien in de hulpvraag, maar in het vinden van vrede met God. En of succes dan verzekerd is, hangt niet af van God, maar van ons…

Wat God wil

De Bijbel laat er geen twijfel over bestaan dat God ons liefheeft en het beste met ons voor heeft. ‘En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene’ (Rom 12:2). Het lastige is dat wij vaak een andere definitie hebben van wat goed, welgevallig en volkomen is. Maar wie zou beter weten wat goed voor ons is dan Hij die ons gemaakt heeft?

Het klinkt misschien raar, maar toen God ons het leven gaf, heeft Hij ons niet helemaal ‘af’ geschapen. Wij komen als kleine baby’s ter wereld en zijn volledig afhankelijk van de zorg van onze moeder. In de loop der jaren groeien wij uit tot volwassen mensen die hun specifieke gaven en talenten mogen inzetten voor Hem en voor elkaar. Althans, zo heeft Hij het bedoeld. Helaas komt hiervan door zonde en gebrokenheid veelal weinig terecht. Velen lopen onderweg vast in hun groeiproces, raken verwond en ontwikkelen dan een gedragspatroon dat hen (en anderen) in problemen brengt, die soms zo groot zijn dat zij er op eigen kracht niet meer uit komen. Christelijke hulpverlening is er dan op gericht om deze blokkades in het groeiproces op te sporen en met Gods hulp op te ruimen. Daarna stimuleert de hulpverlener de cliënt om zijn ontwikkeling weer op te pakken, maar dan in de juiste groeirichting (‘Leven naar Gods plan’ ). In wezen is dit een proces dat ons hele leven doorgaat en door de Bijbel ‘heiliging’ wordt genoemd. Het is daarom een illusie te denken dat wij op enig punt het einddoel hebben bereikt. Heiliging is een levensdoel, waarbij wij steeds in Zijn kracht meer van de oude mens afleggen, steeds meer van de nieuwe mens aandoen om zo meer en meer te gaan lijken op de mens die God in gedachten had toen Hij ons het leven gaf. Wanneer dit proces te zwaar wordt, mag de christelijke hulpverlening haar steentje bijdragen, maar haar rol is niet groter dan die van de ‘technieker’ die de wielrenner helpt bij de reparatie van zijn fiets en hem vervolgens weer in de race brengt door hem aan te duwen. Dat is een bescheiden taak, maar dat ontslaat hem niet van de opdracht om de wielrenner optimaal in staat te stellen om zijn parcours te vervolgen.

Archippus - Banner 2010

Aantal keren bekeken: 1865

Groeien en snoeien – op het werk

“Elke rank aan Mij, die geen vrucht draagt, neemt Hij weg, en elke die wel vrucht draagt, snoeit Hij, opdat zij meer vrucht drage.” (Joh. 15:2)

Wij zijn als mensen van deze tijd heel erg gericht op groei. Velen bezien zichzelf en anderen in de context van een ontwikkeling, waarin de blikrichting is gevestigd op ‘meer’ en ‘beter’. Sommigen plannen een carrière met een steeds betere functie en een hoger salaris. Anderen hoppen van het ene naar het andere huis, dat steeds mooier en luxer is. En uiteindelijk willen wij allemaal ook zelf helemaal ‘tot ontplooiing komen’. Omdat ik zie hoe zeer dit ons allen raakt, ben ik mij gaan afvragen wat de Bijbel ons hierover te zeggen heeft. Daarbij was ik vooral benieuwd naar de uitwerking op een heel specifiek terrein dat ons voor allemaal vertrouwd is: ons dagelijks werk.

Groeien is menselijk

Onlangs hoorde ik een arts zeggen dat een pasgeboren baby er eigenlijk nog helemaal niet aan toe is om geboren te worden. Een paard dat wordt geboren, loopt dezelfde dag nog. Een baby daarentegen gedraagt zich de eerste maanden als een foetus en doet er veel langer over om op eigen benen te staan. Het lijkt wel alsof de Schepper de mens ‘op de groei’ heeft gemaakt. Wij ontwikkelen ons van de wieg tot het graf.

Jim Wilder heeft deze ontwikkeling prachtig beschreven in het boek ‘Living with Men’. [1] In dit boek wordt het leven van een mens uitgewerkt aan de hand van een vijftal fasen (het zogenaamde Life Model): baby, kind, jongvolwassene, ouder en oudere. Iedere fase vooronderstelt dat de voorafgaande fasegoed is doorlopen. Ieder fase heeft zijn eigen doelstellingen en uitdagingen. Uiteindelijk gaat het er om de mens te worden die God bedoeld heeft toen hij hem het leven gaf.

Groei blijkt zo belangrijk te zijn dat de mens het vermogen heeft meegekregen om te herstellen van schade die hij in zijn ontwikkeling heeft opgelopen.

Groeien is Bijbels

Ook de Bijbel beschrijft de mens als een wezen dat zich ontwikkelt. Henry Cloud en John Townsend hebben hier een uitgebreide studie over geschreven. [2] Zij menen dat de Schrift verschillende manieren aangeeft om als kind van God tot ontplooiing te komen, te weten: heiliging (bij voortduring apart gezet worden voor de dienst aan God, Rom. 6:19), transformatie (van binnenuit veranderd worden, Rom. 12:2) en groei (geestelijk volwassen worden, I Petr. 2:2). In beginsel komt het er volgens hen op neer dat we in toenemende mate worden zoals we oorspronkelijk bedoeld zijn. [3]

Veel discussie wordt gevoerd over de relatie tussen de Bijbel en de psychologie. Sommigen menen dat zij over verschillende gebieden van het leven handelen (geestelijk tegenover emotioneel). Met Cloud en Townsend ben ik echter van mening dat de Bijbel zich niet beperkt tot het geestelijk leven alleen, maar het gehele leven op het oog heeft. Psychologie en de Bijbel zijn geen twee gelijkwaardige disciplines die zouden moeten samenvloeien. Uiteindelijk moet de psychologie altijd buigen voor de Bijbel. [4]

Groeien is delen van leven

De manier waarop de Bijbel over deze ontwikkeling spreekt, is heel bijzonder. Het wekt soms meer de indruk van een ‘afslankprogramma’ dan van een groeiproces. De mens wordt namelijk opgeroepen om zijn oude leven af te leggen en een nieuw leven ‘in Christus’ aan te doen. ‘Niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij’, roept Paulus uit in Gal. 2:20. Groeien lijkt dan haaks te staan op het ‘meer’ en ‘beter’ worden waarop wij ons veelal geneigd zijn te richten. Het is afzien van jezelf en Christus volgen.

Dit aspect komt ook naar voren in de gelijkenis van de ware wijnstok. De landman blijkt hier namelijk helemaal niet geïnteresseerd te zijn in de groei van de ranken (ook al ontvangen zij hun voeding van de wijnstok!). Het is Hem vooral te doen om de vrucht die zij dragen. Indien deze ontbreekt of achterblijft, gaat subiet het snoeimes in de plant. Hij is niet gebaat bij een grote rank; Hij wil vrucht zien!

Maar wat moeten wij ons daarbij dan voorstellen? Hoe vertalen wij dit beeld naar het echte leven? Sommigen refereren hierbij aan de vrucht van de Geest, maar als wij menen dat de Bijbel een boodschap heeft voor geest, ziel en lichaam, dan kunnen wij de vrucht hier ook verstaan als datgene waarin iemand zijn (van God gegeven energie) in heeft gelegd ten einde zijn leven te kunnen uitdelen. Jim Wilder doet dit ook en spreekt in dit verband van een aanstekelijke joy, levensvreugde. Volwassen worden betekent bij hem: je ontwikkelen van iemand die leven ontvangt tot iemand die leven geeft.

Wanneer er gesnoeid wordt

De gelijkenis van de ware wijnstok is heel bekend. Het wordt nogal eens gebruikt om mensen die tegenslagen in hun leven ervaren te bemoedigen. ‘Er wordt in je leven gesnoeid, opdat de vrucht toeneme.’ Ik denk dat dit zo is en ken dat ook in mijn eigen leven. Toch weerhoudt dit veel christenen er niet van om dergelijke gebeurtenissen als een slachtoffer te ondergaan. De versregel ‘Neem mij, breek mij, vul mij, zend mij’ wordt dan tot een klacht: ‘Ik voel me genomen, ik ben gebroken, ik voel me leeg, ben tot niets meer in staat.’ Zou een rank die is verbonden aan de wijnstok niet meer vertrouwen moeten hebben in de Landman en belijden dat wat Hij doet goed is? Mensen kunnen zich heel volwassen voordoen, maar of zij echt volwassen zijn komt aan het licht als de Landman snoeit.

Als er één plek is, waar van ons wordt verwacht dat wij vrucht dragen, dan is dat wel op ons werk. In de prestatiegerichte samenleving waarvan wij deel uitmaken, doet het er niet meer toe hoe druk iemand is. Daar valt uiteraard veel over te zeggen, want een werkgever of leidinggevende mag zijn medewerkers niet óvervragen, maar er is niets op tegen dat er om resultaat wordt gevraagd. Het gaat er immers om dat inspanningen ergens toe leiden. De toewijding, motivatie en energie van een medewerker moeten bijdragen aan de doelstelling van het bedrijf. En als dat niet zo is, of onvoldoende, dan wordt er gesnoeid. Soms wordt een medewerker ziek, soms wordt hij in een andere functie geplaatst, soms wordt hij ontslagen. Dit zijn pijnlijke gebeurtenissen.Wanneer ons dit overkomt, zijn wij veelal geschokt en voelen ons in onze waardigheid aangetast. ‘Het is niet eerlijk!’, roepen wij dan uit. Zo’n reactie is heel begrijpelijk, maar veel mensen blijven op dit punt steken. Ik realiseer mij dat sommigen dit ongepast zullen vinden, maar wil hier toch de vraag stellen of dit nu de manier is waarop wij als christenen hiermee moeten omgaan? Als wij weten dat ons leven geborgen is in Zijn Hand, waarom vinden wij het dan zo moeilijk om eerlijk naar onszelf te kijken en te erkennen dat onze vrucht problematisch is? Hebben wij er vertrouwen in dat God voor ons zorgt en aan het einde van een doodlopende weg een nieuwe weg voor ons zal banen?

Ideaal

Ik ben een idealist. Ik vind dat werkgevers en leidinggevenden alle mogelijke moeite moeten doen om de groei van hun medewerkers te bevorderen. Daarvoor is het vooral nodig dat zij de ander de ruimte geven om zichzelf te ontplooien. Zelfs als zij daarbij fouten maken. Zelfs als er barrières moeten worden opgeruimd.

Maar ik vind ook dat wij ons allemaal zouden moeten richten op de vruchten in ons leven. Hebben wij echt het belang van de ander voor ogen of stellen wij onze eigen zekerheden veilig? Bevinden wij ons aan de kant van het ‘nemen’, of zijn wij in staat om te ‘geven’? Het antwoord op deze vraag kan een moeilijke verandering in uw leven teweeg brengen. Maar wat veel belangrijker is: het bepaalt ons bij onze afhankelijk van de Heer die wij dienen.

Noten

  1. E. James Wilder III, The Complete Guide to Living with Men, Shepherd’s House, 2004 Pasadena. Een Nederlandse vertaling is in voorbereiding bij ArchippusBoeken.
  2. Henry Cloud en John Townsend, Hoe mensen groeien naar volwassenheid, Koinonia, 2002 Hoogblokland.
  3. p. 201.
  4. p. 208.

Archippus - Banner 2010

 

Aantal keren bekeken: 2187

Professionalisering leidt tot secularisering. Of niet…?

Laat zien dat je christen bent: word lid van de EO.’ ‘Wij geloven… in jou.’ ‘Durf te geloven… in je eigen weg.’ Drie bekende reclameleuzen die door organisaties worden gebruikt om zichzelf te profileren en aan te geven dat zij over christelijke wortels beschikken. Ik kan er niets aan doen, maar als ik ze hoor of lees, krijg ik kromme tenen. In al deze uitspraken wordt het geloof dat zich hoort te richten op onze hemelse Vader ‘afgeplat’ en gericht op zichzelf, de ander, of een of ander ethisch kernthema. In mijn ogen zijn deze organisaties daarmee (zoals de Bijbel het noemt) ‘wereldgelijkvormig’ geworden. ‘Zou het dan toch waar zijn?’, denk ik dan, ‘leidt professionalisering altijd tot secularisering?’

Professionalisering bij een oude organisatie als Tot Heil des Volks

Er is in de achterliggende jaren veel bij Tot Heil des Volks veranderd. Heel veel zelfs. De organisatiestructuur is veranderd. In plaats van een vereniging die al het werk omvat, is iedere werksoort in een afzonderlijke stichting ondergebracht. Het Centraal Bureau is omgevormd tot een facilitair bedrijf dat de werksoorten ondersteunt op het gebied van onder meer administratie, personeelszaken en fondswerving.

Per werksoort heeft er een visieontwikkeling plaatsgevonden die nu met behulp van beleidsplannen wordt uitgewerkt. Het werk zelf is methodischer van opzet en alle medewerkers voldoen aan strenge opleidingscriteria. Kortom, Tot Heil des Volks is druk bezig met een professionaliseringsproces. ‘Zou bij ons hetzelfde kunnen gebeuren?’, vraag ik mij bezorgd af. Moeten wij dan niet stoppen met professionaliseren?

Bekwaamheden

Als ik het stapeltje functie-eisen die aan onze medewerkers worden gesteld, doorneem dan zie ik dat er nogal wat van hen wordt gevraagd: zij moeten deskundig zijn, zelfstandig, flexibel, resultaatgericht en verantwoordelijk. Ik draai de velletjes om en om en vraag mij af of God in de Bijbel ook zo met zijn dienstknechten omgaat.

Onwillekeurig moet ik denken aan Mozes die door God wordt geroepen om Zijn volk uit het land Egypte te leiden (Ex. 4:10-17). God zoekt hem op als hij een 80-jarige man is en al 40 jaar een eenzaam bestaan leidt als schaapherder en draagt hem op om de leider van het volk Israël te worden. Hij heeft geen affiniteit met de doelgroep, beschikt niet over relevante werkervaring, heeft een strafblad, is niet representatief en veel te oud.

Ik zou een sollicitant met zo’n CV niet eens voor een gesprek hebben uitgenodigd. Toch werd híj door God uitgekozen om een zeer belangrijke taak uit te voeren. Het lijkt wel of bekwaamheden er voor God niet toe doen.

Middelen

Als ik kijk naar de manier waarop wij ons werk opzetten, dan wordt het heel belangrijk gevonden dat er voldoende middelen beschikbaar zijn: er moet voldoende geld zijn, voldoende faciliteiten, voldoende medewerkers en voldoende tijd. Wanneer één van deze zaken in gebreke blijft, dreigt ons werk vast te lopen. Zijn deze randvoorwaarden in de Bijbel ook zo belangrijk?

Mijn gedachten gaan uit naar Gideon die door de Engel des Heren wordt geroepen om het leger van de Midianieten te verdrijven. Dit leger bestaat maar liefst uit 135.000 manschappen. Gideon weet echter niet meer dan 32.000 man op de been te brengen. Een weldenkend mens zal het niet in zijn hoofd halen om met zo’n minderheid de aanval in te zetten. Toch vindt God dit aantal veel te hoog. ‘Er is te veel krijgsvolk bij u dan dat Ik Midjan in hun macht zou geven; anders zou Israël zich tegen Mij kunnen beroemen, zeggende: mijn eigen hand heeft mij verlost’ (Richt. 7:2) Zelfs als Gideon zijn leger terugbrengt tot 10.000 man, is God niet tevreden. Uiteindelijk blijven er slechts 300 man over. Met dit groepje bindt Gideon de strijd aan en… wint. Uit deze geschiedenis komt duidelijk naar voren dat God onze middelen ziet als een bedreiging om ons werk in eigen kracht te doen en de eer voor onszelf op te eisen. Om deze reden verkiest Hij het kleine en geringe.

Methodisch werken

Sinds enige tijd staat het methodisch werken bij ons hoog op de agenda. De hulpverlening moet methodisch worden opgezet: planmatig en modulair. Dit betekent dat de zorgverlening goed gedocumenteerd moet worden. Hulpverleners moeten daarmee te allen tijde hun handelswijze kunnen verantwoorden. Uiteindelijk hebben wij voor ogen dat alles is ingebed in een totaalsysteem van kwaliteitszorg.

Wij proberen deze nieuwe werkwijze in te voeren zonder verlies van het persoonlijke aspect van de zorg. Onze cliënten, gasten, bezoekers en bewoners zijn geen nummers of euro’s, maar mensen die gevoelig zijn voor vriendelijkheid, warmte en hartelijkheid. En dat willen wij niet uit het oog verliezen. Maar toch, zo vraag je je soms af; is deze operatie eigenlijk wel nodig?

Wanneer Jozua in de buurt van Jericho zijn tenten opslaat weet hij dat hij voor een heel moeilijke opdracht staat (Joz. 5:13-6:7). Hij moet de ommuurde stad innemen, maar hij heeft geen plan. Dan ontmoet hij de vorst van het heer des Heren, die hem een volstrekt onbegrijpelijk opdracht geeft: hij moet met het volk zes dagen lang zwijgend een rondgang om de stad heen maken. Wat een zinloze onderneming! Hij roept vervolgens iedereen bij elkaar en doen wat hen is opgedragen. Wat opvalt is dat hij aan niemand uitlegt waarom het nodig is om rondom de stad te lopen. Toch doet iedereen wat hen is opgedragen. Zes dagen lang worden zij vanaf de muren van de stad bespot en beschimpt. En wanneer zij dan op de zevende dag onder luide klanken zeven maal rondom de stad lopen, storten de muren in en is de stad van hen. God vraagt niet om een plan. Hij vraagt gehoorzaamheid, zelfs wanneer dat betekent dat wij moeten handelen zonder begrip.

Goede voorzieningen

In de afgelopen periode zijn enkele van de panden van Tot Heil des Volks ingrijpend gerenoveerd. Wij vinden het belangrijk om over goede voorzieningen te beschikken om ons werk te doen. De inrichting hoeft niet overdadig, maar mag wel representatief zijn. Wij willen het werk graag een eigentijdse uitstraling geven. Men heeft ons te lang voor een oubollige versleten. Maar als je het goed beschouwd is het eigenlijk helemaal niet nodig dat alles glad en strak is afgewerkt en qua inrichting van alle gemakken is voorzien. Nee toch?

Ik voel mij dan ook een beetje als de rijke jongeling die bij Jezus komt. Voor hem is zijn bezit een verworvenheid die hem belet om de Heer te dienen. Hoe anders is dan de opstelling van Elisa als hij door de profeet Elia geroepen wordt (I Kon. 19:19-27). Je zou hem de rijke jongeling van het Oude Testament kunnen noemen. Hij is met twaalf span runderen bezig om een stuk grond te bewerken. Dat is geen klein stukje land geweest. Elisa behoort tot een welgestelde familie en heeft aan niets gebrek. Omdat hij zo druk bezig is, heeft hij niet in de gaten dat er een man op hem komt aanlopen. Deze heeft zijn jas uitgetrokken en wanneer hij hem genaderd is, werpt hij hem de mantel toe. Verbouwereerd vangt Elisa de mantel op in zijn armen. Onmiddellijk ziet hij dat dit geen gewone mantel is, maar een profetenmantel. Hij begrijpt wat de bedoeling is: hij moet de profeet dienen. Hoewel er best gelegenheid is om afscheid van zijn familie te nemen, gunt hij zich hiervoor geen tijd. Zonder te aarzelen geeft Hij alles op wat hij heeft en volgt Elia. Zonder status en bezit dient hij de oude man. Pas later wordt het hem vergund om de mantel van Elia om de schouders te hangen en ontvangt hij een dubbel deel van zijn geest.

De meerwaarde van het Evangelie

In al deze dingen lijkt de Bijbel haaks te staan op onze werkwijze van professionalisering. Terwijl ik dit overdenk realiseer ik mij dat Gods Woord ons iets anders aanreikt dat ver boven onze bekwaamheden, middelen, methodiek en voorzieningen uitstijgt, namelijk: Zijn onmetelijke kracht.

Wanneer Petrus en Johannes de tempel naderen, wordt hun aandacht getrokken door een verlamde man. Op dat moment kijkt Petrus hem aan en zegt: ‘Zilver en goud heb ik niet, maar wat ik heb geef ik u; in de naam van Jezus Christus, de Nazoreeër: Wandel!’(Hand. 3:6) Hij pakt de man beet en trekt hem overeind. Op hetzelfde moment worden zijn benen sterk. Hij is genezen! Wat hier gebeurt is dat Petrus zo door de Geest van God wordt geleid dat Zijn kracht zich kan openbaren. Wow, wat geweldig! Maar wat zou ik doen als Hij mij zo zou leiden? Tot mijn schande moet ik bekennen dat het heel goed mogelijk is dat ik niets zou hebben gedaan, uit angst dat er niets met de man zou gebeuren. Toch is het een feit dat hij Zijn kracht openbaart wanneer wij daarin gehoorzaam zijn. En deze kracht kan door geen enkele vorm van professionaliteit worden geëvenaard.

Einde van de professionalisering?

Op het eerste gezicht lijkt het er op dat de Bijbel veel argumenten geeft om met de professionalisering te stoppen. Toch denk ik niet dat dit de strekking van al deze leerzame geschiedenissen kan zijn. En wel om de volgende redenen.

Als God Abraham op de proef stelt door hem te vragen om met zijn zoon op reis te gaan en hem op een berg tot een brandoffer te offeren (Gen. 22:1-3) kunnen wij lezen dat hij de Here gehoorzaam is. Hij zadelt zijn ezel, verzamelt hout voor het offer, neemt twee van zijn knechten met zich mee, en gaat met zijn zoon op weg. Bij de berg aangekomen, zien we dat hij zich daadwerkelijk opmaakt om zijn zoon ten offer te brengen. Pas wanneer hij zijn mes opheft om zijn zoon te doden, grijpt God in.

Niemand zal op basis van dit verhaal de conclusie trekken dat dit hetgeen is wat God van óns verwacht. Het gaat hier om een specifieke opdracht in een specifieke situatie aan een specifieke persoon. God wilde Abraham op de proef stellen. Hij is er niet op uit dat vaders hun kinderen ombrengen. Hij wil dat zij hen opvoeden in de vreze des Heren (Ef. 6:4).

Maar Hij vraagt wel van ons dat wij er dezelfde prioriteitsstelling op nahouden als Abraham. Gods omgang met Abraham is een voorbeeld voor ons die verwijst naar het onderliggende principe van gehoorzaamheid.

Professionalisering in de Bijbel

De bijbel kent het begrip ‘professionalisering’ uiteraard niet. Maar datgene waarvoor professionalisering staat vinden we wel op vele plaatsen in de Bijbel terug.

Zo is Gods schepping een briljant ontwerp, dat orde en regelmaat kent, met mogelijkheden voor groei en herstel.

De heilsgeschiedenis laat een duidelijke strategie zien, waarin doelmatig en methodisch Gods verlossingsplan ten uitvoer wordt gebracht.

Ook de wetgeving en wijze waarop de eredienst worden ingericht getuigt van visie. De tabernakel en tempel bevatten veel facetten die een symbolische betekenis in zich bergen. Hierover is duidelijk nagedacht.

De eisen die God stelt aan het offer dat Hem wordt gebracht, de priester die de dienst aan Hem vervult, en de leider van de nieuwtestamentische gemeente laten zien dat voor God alleen het beste goed genoeg is. Zouden wij Hem dan ook niet het beste willen geven?

Conclusie

Ik weet dat de geschiedenis laat zien dat professionalisering leidt tot secularisering. En toch ben ik er van overtuigd dat ze bij elkaar horen. Zij vormen twee kanten van één en dezelfde medaille. En die medaille staat voor de ere aan onze Here. Laten Hem het beste van onszelf geven, in het besef dat wij het van Hem hebben gekregen en dat wij het in afhankelijkheid van Hem mogen gebruiken.

Archippus - Banner 2010

Aantal keren bekeken: 4982