“De burcht Antonia was groter dan de tempel” [1]

Ernest L. Martin zegt in zijn boek The Temples that Jerusalem Forgot dat de Haram al-Sharif deels intact is gebleven omdat hier niet de tempel, maar de Romeinse vesting Antonia heeft gestaan. De locatie van de tempel moet volgens hem meer naar het zuiden worden gezocht, in de nabijheid van de beek Gihon. Dit is een gewaagde uitspraak die door weinigen wordt nagezegd. Wat zeggen onze bronnen over de burcht Antonia?

In het Nieuwe Testament wordt de burcht Antonia niet als zodanig genoemd. Toch speelt zij hier wel een rol. Zo kunnen we in Handelingen 21 lezen dat de apostel Paulus, nadat hij betrokken is geraakt bij een opstootje in de tempel, door Romeinse soldaten eerst in hechtenis wordt genomen, om vervolgens toestemming te krijgen om het volk vanaf de trappen van de “kazerne” toe te spreken.

“Terwijl de menigte probeerde Paulus te vermoorden, ontving de tribuun (χιλίαρχος) van de in Jeruzalem gelegerde cohort (σπεῖρα) bericht dat er grote opschudding was ontstaan in de stad. Meteen verzamelde hij een groep soldaten en centurio’s (ἑκατοντάρχης) en haastte zich de trappen af naar de tempel. Toen de Joden de tribuun met zijn soldaten zagen naderen, hielden ze op Paulus te slaan. Zodra de tribuun bij hen was gekomen, arresteerde hij Paulus en gaf opdracht hem met twee kettingen te boeien. Aan de omstanders vroeg hij wie Paulus was en wat hij had gedaan. De mensen riepen echter van alles door elkaar. Omdat de tribuun door al het tumult de ware toedracht niet kon achterhalen, gaf hij bevel Paulus mee te nemen naar de kazerne (παρεμβολή). Bij de trappen begon de menigte echter zo te dringen dat de soldaten hem moesten dragen, want de mensen liepen achter hen aan en schreeuwden: ‘Weg met hem!’ Vlak voordat Paulus de kazerne binnengebracht zou worden, zei hij tegen de tribuun: ‘Mag ik u iets vragen?’ De tribuun antwoordde: ‘Spreekt u Grieks? Bent u dan niet de Egyptenaar die onlangs in opstand kwam en met vierduizend oproerkraaiers de woestijn ingetrokken is?’ Paulus zei: ‘Ik ben een Jood uit Tarsus in Cilicië, burger van een niet onbelangrijke stad. Ik zou graag willen dat u me toestemming geeft om het volk toe te spreken.’ Zodra de tribuun dit had toegestaan, maande Paulus, die boven aan de trappen stond, de mensen met een handgebaar tot stilte.” (Handelingen 21:27-40)

Ook elders in het boek Handelingen wordt de burcht Antonia steevast aangeduid als “kazerne”, ofwel legerplaats (παρεμβολή). Minder duidelijkheid is er over de vraag of Jezus door de prefect Pilatus in de burcht Antonia of in het paleis van Herodes is berecht.

De bestuurlijke situatie in die dagen was wat ingewikkeld, omdat Palestina na de dood van Herodes de Grote in 4 v.Chr. was verdeeld onder diens drie zonen: Herodes Antipas (Galilea en Perea), Herodes Filippus (Decapolis en het noordwesten) en Herodes Archelaüs (Judea, Samaria en Idumea). Omdat de laatstgenoemde al heel snel door keizer Augustus werd afgezet, zijn Judea, Samaria en Idumea onder toezicht van een prefect gekomen. Van 26-36 n.Chr. werd deze functie bekleed door Pontius Pilatus. We kunnen in alle vier de Evangeliën lezen hoe het proces tegen Jezus van Nazareth is verlopen (Matteüs 27:1-2, 11-29; Markus 15:1-15; Lukas 23:1-25; Johannes 18:28-19:16). Hieronder volgt de (ingekorte) weergave van het Markusevangelie.

“Na Jezus geboeid te hebben, brachten ze hem weg en leverden hem over aan Pilatus. Pilatus vroeg hem: ‘Bent u de koning van de Joden?’ [..] Pilatus had de gewoonte om op elk pesachfeest één gevangene vrij te laten op verzoek van het volk. Op dat moment zat er een zekere Barabbas gevangen, samen met de andere opstandelingen die tijdens het oproer hadden gemoord. Een grote groep mensen trok (ἀναβαίνω) naar Pilatus en begon hem te vragen om ook nu te doen wat zijn gewoonte was. [..] Omdat Pilatus de menigte tevreden wilde stellen, liet hij Barabbas vrij. Jezus leverde hij uit om gekruisigd te worden, nadat hij hem eerst nog had laten geselen.” (Markus 15:1-15)

Letterlijk staat er in dit fragment dat een grote menigte ἀναβὰς, ‘opging’. Dit suggereert dat Pilatus zich op dat moment op een hoger gelegen plaats bevond. Er zijn uitleggers die het niet erg aannemelijk vinden dat Romeinse soldaten zouden hebben toegestaan dat een opgewonden menigte de trappen van de burcht Antonia zou beklimmen tot aan het bordes waarop Pilatus stond, Zij nemen daarom aan dat deze niet in Antonia, maar ergens in de bovenstad verblijf hield, vermoedelijk in het paleis van Herodes. Hiervoor pleit ook dat dit bouwwerk over buitensporig veel luxe beschikte, zoals Josephus beschrijft. Men acht het zeer onwaarschijnlijk dat Pilatus hiervan geen gebruik zou hebben gemaakt, wanneer hij jaarlijks rond het Pesachfeest vanuit Caesarea aan Zee naar Jeruzalem kwam. Voor de prefect is toch alleen het beste goed genoeg?

“Elke beschrijving schiet hier tekort. Het deed met zijn luxe en aankleding voor niets ter wereld onder. Het was geheel omsloten door een ommuring van dertig el hoog, die op regelmatige afstand was voorzien van torens. Van binnen was het paleis verdeeld in enorme ontvangstzalen en gastenverblijven met honderd bedden. Het interieur, de gevarieerdheid van de steensoorten, het is niet te beschrijven. Steensoorten die bijna nergens voorkomen, waren hier in rijke hoeveelheid bij elkaar gebracht. De plafonds waren wonderbaarlijk mooi – geweldig lange balken en een schitterend uitgevoerde decoratie. Een enorm aantal kamers, allemaal anders van vorm, en alle kamers compleet ingericht, meestal met voorwerpen uitgevoerd in zilver en goud. Rondom tal van zuilengangen die in elkaar overliepen, elke zuilengang met zuilen van een andere stijl. De binnenplaatsen onder de openlucht waren allemaal voorzien van groen. Er waren allerlei bosschages met uitgestrekte wandelpaden erdoorheen. Daar omheen diepe kanalen en vijvers, waarin zich overal bronzen beelden bevonden waar het water uitstroomde, en langs het water tal van duiventillen voor tamme duiven.” (De Joodse Oorlog, V: 176-181)

Het Johannesevangelie geeft nog enige aanvullende informatie. Hier wordt vermeldt dat Jezus naar het pretorium, het gerechtsgebouw, werd gebracht om door Pilatus berecht te worden.

“Jezus werd van Kajafas naar het pretorium (πραιτώριον) gebracht. Het was nog vroeg in de morgen. Zelf gingen ze niet naar binnen, om zich niet te verontreinigen voor het pesachmaal. Daarom kwam Pilatus naar buiten en vroeg: ‘Waarvan beschuldigt u deze man?’” (Johannes 18:28)

Markus voegt hier nog een ander woord aan toe: “paleis”. Dit woord is een vertaling van het Griekse “αὐλή” (aula), dat ook “binnenplaats” kan betekenen. Josephus gebruikt dit woord om het paleis van Herodes aan te duiden.

“De soldaten leidden hem weg, het paleis (αὐλή) (dat wil zeggen het pretorium) in, en riepen de hele cohort (σπεῖρα) bijeen.” (Markus 15:16)

Van Bruggen vindt de vertaling met “binnenplaats” ook hier van toepassing en stelt de volgende weergave voor: “De soldaten voerden Jezus naar binnen, naar de binnenplaats, dat is het pretorium.”

“Het lijkt wat vreemd dat de binnenplaats wordt aangeduid als de residentie van de stadhouder. [..] De historische situatie maakt de uitdrukkingswijze echter wel begrijpelijk, al blijft zij wat stotend. Wanneer Jezus naar het binnenplein wordt geleid, komt Hij niet uit één van de zalen van het pretorium, maar Hij komt van de straatzijde. De Joden willen op deze dag het gebouw niet betreden: de onderhandelingen vinden buiten plaats. Wanneer Jezus naar de binnenplaats wordt gebracht, wordt Hij daarmee ook het pretorium binnengeleid.” (Marcus, het Evangelie volgens Petrus, p. 372)

Matteüs gebruikt dit woord om het “paleis” van de hogepriester aan te duiden. Lukas daarentegen spreekt over het “huis” van de hogepriester en gebruikt het woord “aula” om de “binnenplaats” van dit huis aan te duiden. In Johannes 10:16 ten slotte wordt het woord gebruikt om de verblijfplaats van schapen aan te duiden, eveneens in de zin van een omheinde open ruimte.

Ernest L. Martin gaat ervan uit dat de rechtszaak tegen Jezus in de burcht Antonia heeft plaatsgevonden. Hij geeft hiervoor de volgende argumenten (Secrets of Golgotha, p 123-125).

  1. De burcht Antonia is strategisch gezien de beste plek voor een Romeinse bevelhebber om toezicht te houden op de vele duizenden Joden die in de tempel samenkomen om het Pascha te vieren.
  2. De vrouw van Pilatus stuurde een boodschapper naar Pilatus om hem te berichten over een droom die zij had gehad (Matteüs 27:19). Dit was niet nodig geweest wanneer zij samen in het paleis van Herodes de nacht hadden doorgebracht.
  3. De Joden weigerden het pretorium binnen te gaan, omdat zij niet het risico zo wilden lopen zich zó te verontreinigen dat zij het Pascha niet konden vieren. Volgens Numeri 9:6-12 was dit alleen het geval wanneer iemand in aanraking kwam met een dode. In alle andere gevallen waarin sprake was van een verontreiniging, zouden zij zich nog op tijd hebben kunnen reinigen. De kans dat zij in aanraking kwamen met een dode, was in een kazerne groter, omdat zich daar ook gewonde soldaten bevonden.
  4. Het verhoor van Jezus door het Sanhedrin vond plaats in één van de bijgebouwen van de tempel. De afstand van hier naar de burcht Antonia was veel kleiner dan naar het paleis van Herodes, hetgeen beter past bij de beschrijving in de Evangeliën.
  5. Net als in Caesarea waren er in Jeruzalem twee pretoria met een verschillend gezag. Het hoogste gezag was toegekend aan het pretorium in de burcht Antonia, dat diende als keizerlijk hoofdkwartier.

In dit boek gaat Martin overigens nog uit van de traditionele opvatting omtrent het Tempelplein. In zijn latere boek The Temples that Jerusalem Forgot is hij ervan overtuigd dat de burcht Antonia het grootste en belangrijkste Romeinse bouwwerk in Jeruzalem was en de gehele Tempelberg omvatte. Hij beroept zich hiervoor op Josephus die aangeeft dat de tempel over de stad waakte en de burcht Antonia over de tempel. Het paleis van Herodes vervulde slechts een beschermende rol voor een deel van de stad en was daarom ondergeschikt aan Antonia.

“Zoals namelijk de stad werd beheerst door de Tempel, zo werd de Tempel beheerst door Antonia. Wie Antonia in handen had, had daarmee alles in handen. De bovenstad had haar eigen citadel: dat was het paleis van Herodes.” (De Joodse Oorlog, V, 245)

Op basis van deze beschrijving komt Martin tot de conclusie dat Antonia veel groter is geweest dan onderzoekers ons willen doen geloven. Hij meent andere uitspraken bij Josephus aan te treffen, die dit lijken te bevestigen. Zo vermeldt Josephus volgens hem dat de burcht langs de gehele noordzijde van de tempel lag. In de vertaling van Meijer en Wes komt dit echter niet goed tot uitdrukking. Zij hebben de Griekse tekst duidelijk omgebogen naar de gangbare opvatting over de ligging van de burcht Antonia. Ik geef hieronder eerst hun versie en daarna mijn correctie.

“Aan de noordzijde bevond zich op een hoek een goed ommuurde en bijzonder sterke burcht.” (De Oude Geschiedenis van de Joden, XV, 403)

“Langs de noordzijde was een rechthoekige, goed ommuurde en voortreffelijke burcht verder versterkt en uitgebreid.” (mijn vertaling)

Ik denk dat mijn vertaling meer recht doet aan de context, waarin wordt gesproken over de oorspronkelijke burcht Baris die door Herodes verder is versterkt en vernoemd naar de Romeinse legerbevelhebber Marcus Antonius. Een soortgelijke aanduiding treffen we ook aan in Boek I van De Joodse oorlog. Wat hierin opvalt, is dat de naamgeving van de burcht wordt vergeleken met de naamgeving van een stad, hetgeen eveneens duidt op een bouwwerk van aanzienlijke omvang (Josephus vergelijk Antonia ook met een stad).

“Dit was een burcht die grensde aan de noordkant van de Tempel en, zoals ik al eerder heb verteld, vroeger Baris heette. De nieuwe naam kwam in gebruik toen Antonius veel macht had, zoals Augustus en Agrippa hun namen gaven aan de steden Sebaste en Agrippias.” (I, 118)

Een omschrijving die hiertegen in lijkt te gaan, komen we tegen in Boek V. Meijer en Wes stellen hiervoor de volgende vertaling voor.

“De burcht Antonia lag op de hoek van twee zuilengangen – de westelijke en de noordelijke – van de eerste binnenplaats.” (V, 238)

Ernest L. Martin maakt hiervan het volgende.

“De ingang van de burcht Antonia lag op de hoek van twee zuilengangen – de westelijke en de noordelijke – van de eerste binnenplaats.” (V, 238)

Mijn vertaling ziet er zo uit.

“Antonia was gelegen langs een hoek van twee zuilengangen op het eerste tempelplein, de westelijke en de noordelijke.” (V, 238)

De aanvulling die Martin geeft, is als zodanig in de Griekse tekst niet terug te vinden, maar vanuit de context is deze wat mij betreft wel te rechtvaardigen. In paragraaf 243 wordt hieraan namelijk het volgende toegevoegd.

“Waar hij [Antonia] aansloot bij de twee zuilengangen van de Tempel, liepen naar beide kanten trappen waarlangs de bewakers naar beneden konden.” (V, 243)

In de beschrijving van de burcht wordt de volle nadruk wordt gelegd op haar grootsheid, samengevat in de zin: “Door al deze voorzieningen leek het wel een stad op zichzelf, en door alle luxe leek het wel een paleis.” Voor de volledigheid geef ik hieronder het hele fragment weer.

“De burcht Antonia lag op de hoek van twee zuilengangen – de westelijke en de noordelijke – van de eerste binnenplaats. Hij was gebouwd bovenop een rots van vijftig el hoog, die rondom steil naar beneden liep. Hij was het werk van koning Herodes en het meest opvallende bewijs van diens aangeboren gevoel voor grandeur. De rots was namelijk om te beginnen helemaal van beneden af bedekt met gladde stenen platen. Dat was niet alleen gedaan om esthetische redenen, maar ook om er voor te zorgen dat iedereen die naar boven of naar beneden probeerde te komen, eraf zou glijden. Voorts bevond zich vóór de eigenlijke burcht een muur van drie el hoog. Binnen deze muur rees de hele constructie op tot een hoogte van veertig el. De ruimte binnen was zo groot en zo ingericht dat het een paleis leek. Ze was namelijk verdeeld in allerlei soorten vertrekken voor allerlei doeleinden, complete met zuilengangen en badkamers, en voorzien van ruime binnenplaatsen waar soldaten hun tenten konden opslaan. Door al deze voorzieningen leek het wel een stad op zichzelf, en door al de luxe leek het wel een paleis. Het geheel zag eruit als een toren met op de hoeken weer vier andere torens. Drie van deze vier torens waren vijftig el hoog, die op de zuidoosthoek was zeventig el hoog, zodat men vandaaruit het hele terrein van de Tempel kon overzien. Waar hij aansloot bij de twee zuilengangen van de Tempel, liepen naar beide kanten trappen waarlangs de bewakers naar beneden konden. Er was namelijk permanent een Romeinse troepeneenheid in de burcht gelegerd. Op feestdagen stelden de soldaten zich altijd in volle wapenrusting overal in de zuilengang verspreid op en bewaakten ze het volk, om te voorkomen dat het in opstand zou komen. Zoals namelijk de stad werd beheerst door de Tempel, zo werd de Tempel beheerst door Antonia. Wie Antonia in handen had, had daarmee alles in handen.” (V, 238-245)

Resumerend moet ik zeggen, dat Ernest L. Martin wel degelijk een punt als hij stelt dat de burcht Antonia op basis van de beschrijving die Josephus geeft, groter moet zijn geweest dan over het algemeen wordt aangenomen (Leen Ritmeyer gaat uit van een breedte van 65 meter en een diepte van 25 meter). Dat de burcht zich letterlijk uitstrekte over de gehele breedte van het tempelplein is niet uit de aangehaalde teksten te halen. Echter, de beschrijving van het bouwwerk en de hoogte van de steile rots waarop het zich bevond (50 el, d.i. 25 meter), doen wel vermoeden dat er sprake is geweest van een behoorlijke breedte. Maar hoe breed dan? De afmetingen van het huidige, trapeziumvormige Tempelplein zijn als volgt: noordzijde: 313 meter, oostzijde: 470 meter, zuidzijde: 280 meter, en westzijde: 485 meter. Om werkelijk hard te kunnen maken dat deze hele ruimte door de burcht Antonia is benut, zijn sterkere argumenten nodig. Wat heeft Ernest L. Martin ons hierover nog meer te zeggen?

banner_mjdehaan_2015

Aantal keren bekeken: 221

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *