Israël als wereldmacht I

De meeste mensen denken dat Israël ten tijde van de Bijbelse geschiedenis van weinig betekenis is geweest voor de omringende landen. Persoonlijk wist ik al wel dat het land onder koning David en Salomo een ongekende bloeitijd heeft gekend, waarin de landsgrenzen werden verlegd tot aan de Eufraat en Egypte. Maar Steven M. Collins gaat nog een stap verder door te zeggen dat Israël zich in deze periode heeft ontwikkeld tot een wereldmacht. De uitspraken die hij hierover doet, zijn ronduit fascinerend en wat mij betreft… zeer plausibel. Ik wil hieronder proberen samen te vatten wat zijn argumenten zijn, maar eerst is het van belang om een korte schets te geven van de geopolitieke situatie in het Midden Oosten van rond 1000 v.Chr.

De geopolitieke situatie

Het gebied van Mesopotamië heeft diverse grote beschavingen gekend, waaronder die van de Soemeriërs, de Babyloniërs en de Assyriërs. De Soemerische beschaving is de oudste van de drie. De koningslijst die archeologen aan het begin van de twintigste eeuw hebben gevonden, gaat zelfs middels een latere toevoeging terug naar de tijd vóór de zondvloed. Deze toevoeging vertoont opmerkelijke overeenkomsten met de gegevens in het boek Genesis. Rond 1800 v.Chr. is dit Rijk overgegaan in het Babylonische rijk, dat heeft bestaan tot 539 v.Chr. In zijn geschiedenis stond het regelmatig op gespannen voet met het noordelijker gelegen Assyrische rijk dat heeft bestaan van ca. 2000 tot 609 v.Chr. In de elfde eeuw voor Christus wist het Assyrische rijk onder Tiglat Pilezer I (1116-1078 v.Chr.) zijn grondgebied uit te breiden van de Perzische Golf tot aan de Middellandse Zee. Rond 1100 waren landen als Babylonië, Armenië en Syrië allemaal onderhorig aan Assyrië en betaalden schatting. Daarna is de macht van de Mesopotamische landen snel afgenomen tot omstreeks 900 v.Chr. Volgens historici speelden zij tijdens de regeerperiode van David en Salomo geen rol van betekenis (Collins vult dit plaatje verder in).

middenoosten001

Een andere oude beschaving dat ten zuiden van Israël was gelegen, was Egypte. Historici zien de periode van 1570 tot 1070 v.Chr. algemeen als de bloeiperiode van dit land. De beroemdste farao’s zijn allemaal afkomstig uit deze periode en liggen begraven in het legendarische Dal der Koningen. Aan deze periode kwam een einde nadat het centrale gezag van binnenuit was aangetast en het Egyptische koninkrijk uiteenviel. De daarop volgende periode – die de Derde Tussenperiode wordt genoemd (1070-712 v.Chr.) – werd gekenmerkt door een snelle opeenvolging van oorlogen en heersers. Dit heeft de invloed van Egypte in de regio gedurende de regeerperiode van David en Salomo sterk beperkt.

Door de economische en politieke terugval van de bestaande grootmachten kregen anderen de gelegenheid om van zich te laten horen. Ten noorden van Israël, in het gebied dat nu van Libanon en Syrië is, lagen een aantal stadstaatjes, waarvan Tyrus en Sidon de voornaamste waren. Hun bewoners waren een zeevarend volk en zijn in de geschiedenis bekend geworden onder de naam Feniciërs. Meer naar het zuiden, in het gebied dat nu de Gazastrook wordt genoemd, bevonden zich een aantal steden waar de Filistijnen woonden. Saul, de eerste koning van de Israëlieten, sneuvelde nadat hij tegen hen ten strijde was getrokken. Zijn schoonzoon David die op dat moment al koning was over Juda, volgde hem op en werd koning over alle stammen van Israël. Hij versloeg de Filistijnen, Moabieten, Ammonieten, Edomieten en Syriërs en breidde de landsgrenzen van Israël uit tot aan de Eufraat en Egypte. Alle onderworpen volken werden schatplichtig.

Hoewel David door God werd gestraft voor de volkstelling die hij heeft gehouden, weten we hierdoor wel hoe groot het leger is geweest, dat hij op de been kon brengen.

“Joab meldde de uitkomst van de volkstelling aan David: Israël telde één miljoen honderdduizend mannen die de wapens konden hanteren en Juda vierhonderdzeventigduizend. Omdat de opdracht van de koning Joab tegen de borst stuitte, had hij de stammen Levi en Benjamin niet ingeschreven” (I Kron. 21:5-6)

Ondanks de straf die zeventigduizend doden heeft gekost, kon David beschikken over meer dan anderhalf miljoen strijdbare mannen. We mogen hieruit afleiden dat de totale bevolking destijds bestond uit zo’n vijfeneenhalf tot zes miljoen mensen.

Wat verder in deze tekst opvalt, is dat Israël en Juda als aparte entiteiten worden genoemd. Kennelijk vormden zij, ondanks het feit dat zij door één vorst werden geregeerd, geen echte eenheid en was hun samenwerking uitsluitend gebaseerd op hun loyaliteit aan David en later Salomo. Dat dit zo was, blijkt wel uit het tempo waarin het land na de dood van Salomo in twee delen uiteenviel.

Assyrië door David verslagen en verzwakt

Historici verklaren meestal dat David zijn positie te danken heeft aan het feit dat de omringende grootmachten “toevallig” een moment van zwakte hadden. Collins komt echter met een heel andere optie. Hij stelt dat juist David degene is geweest, die Assyrië heeft verslagen en verzwakt. Hoe hij dit heeft gedaan, wordt beschreven in I Kronieken 19, dat handelt over een gewapend conflict tussen David en de machten uit Mesopotamië.

“De Ammonieten beseften dat ze zich bij David onmogelijk hadden gemaakt. Daarom stuurden Chanun en de Ammonieten duizend talent zilver naar de Arameeërs van Naharaïm, Maächa en Soba om strijdwagens en wagenmenners te huren. Ze huurden tweeëndertigduizend strijdwagens en verzekerden zich van de hulp van de koning van Maächa en zijn leger.” (I Kron. 19:6-7)

De Herziene Statenvertaling spreekt hier over “Mesopotamië, Syrië-Maächa en Zoba”. Volgens Collins is de term “Mesopotamië” ruim genoeg om landen als Assyrië, Babylonië en hun vazalstaten bij in te sluiten. Dat dit zo was, ziet hij bevestigd in het enorme aantal strijdwagens dat door de Ammonieten werd ingehuurd. Tweeëndertigduizend wagens kunnen onmogelijk door één enkele vazalstaat worden aangeleverd. Wanneer we in I Koningen 11:26 lezen dat koning Salomo in zijn hoogtijdagen slechts over veertienhonderd strijdwagens beschikte, beseffen we wat een enorm aantal dit is geweest. Dit kon niet door een paar vazalstaten worden opgebracht, maar moest na autorisatie door een grootmacht vanuit een groot aantal verschillende landen worden aangeleverd. (In I Kronieken 18:4 lezen we nog dat David duizend strijdwagens heeft buitgemaakt op de koning van Soba. We mogen dus aannemen dat de voorraden van de vazalstaten behoorlijk waren uitgedund.)

Collins plaatst een belangrijke kanttekening bij de aanleiding voor deze strijd. Hij ontkent niet dat koning Chanun de gezanten van David zou hebben geschoffeerd, zoals I Kronieken 19 beschrijft, maar hij kan niet geloven dat de Ammonieten dit uit onbezonnenheid hebben gedaan, alsof zij niet beseften wie zij tegenover zich hadden. Zij wisten wat David had gedaan nadat hij Moab en Edom had verslagen.

“Ook de Moabieten versloeg hij. Hij dwong hen op de grond te gaan liggen en mat de rij af met een touw: twee derde van de rij moest worden gedood en één derde mocht in leven blijven.” (II Sam. 8:2)

“Toen Davids legeraanvoerder Joab tijdens de veldtocht tegen Edom de gesneuvelden ging begraven, had hij daar alles wat mannelijk was gedood. Zes maanden was Joab net het leger in Edom gebleven, tot hij er alles wat mannelijk was had uitgeroeid.” (I Kon. 11:15-16)

Koning David stond bekend als iemand die niet met zich liet sollen. Ook Ammon had hij reeds tot een vazalstaat van Israël gemaakt en de Ammonieten moesten hem schatting betalen. In I Kronieken 18:11 hadden zij veel goud en zilver aan hem overgedragen. Volgens Collins konden zij hierdoor de hulptroepen die zij nodig hadden, slechts met zilver betalen. Ik betwijfel of dit het geval is geweest. Collins doet hier wat minachtend over, maar duizend talenten zilver was toch echt een flink bedrag, aangezien één talent zilver gelijk stond aan ongeveer twintig jaarsalarissen. In II Kronieken 25:6 kunnen we lezen dat koning Amasja van Juda honderd talenten zilver betaalde om honderdduizend geoefende krijgers in te huren. Ik acht het daarom heel aannemelijk dat het bedrag dat de Ammonieten hadden afgezonderd, redelijk marktconform was, ofschoon we niet precies weten hoe groot hun leger van huurlingen was.

“Toen de Ammonieten zagen dat zij zich bij David in een kwade reuk hadden gebracht, stuurde Hanun met de Ammonieten duizend talent zilver om wagens en ruiters voor zich te huren uit Mesopotamië, uit Syrië-Maächa en uit Zoba.” (I Kron. 19:6 HSV)

Wanneer de Bijbel melding maak van de term “Mesopotamië”, kan dit volgens Collins betrekking hebben op alle landen in dit gebied, inclusief Assyrië en Babylonië. In de tekst wordt melding gemaakt van 32.000 strijdwagens en het leger van de koning van Maächa. Dat het om een groot aantal mensen ging, blijkt m.i. wel uit het enorme bedrag dat de Ammonieten voor hun huurlingen hebben betaald. Collins schat dat er misschien wel honderdduizenden mannen bij de strijd betrokken waren. Hij onderbouwt dit mede door Psalm 83 met deze veldslag te verbinden. Deze psalm is geschreven door Asaf, een leviet en tijdgenoot van koning David, die door hem was aangesteld als zanger in de tabernakel. Van alle samenzweringen die tegen Israël zijn beraamd, past hetgeen in I Kronieken is beschreven, het beste bij de inhoud van deze psalm.

“Zij hebben samen plannen gesmeed
en zich tegen u verenigd:
de tenten van Edom en de Ismaëlieten,
Moab en de zonen van Hagar,
Gebal en Ammon en Amalek,
Filistea en de bewoners van Tyrus.
Zelfs Assyrië heeft zich aangesloten
en de hand gereikt aan de zonen van Lot.”
(Ps. 83:6-9)

Volgens Collins wordt met de term “zonen van Lot” verwezen naar de Ammonieten. Zij zijn immers de afstammelingen van Ben-Ammi, de zoon van Lot. (Gen. 19:38). Hij suggereert dat David er met zijn expansiedrift voor heeft gezorgd dat alle landen in de regio zich door hem bedreigd voelden, wat m.i. heel goed mogelijk is. De Israëlieten waren al niet geliefd sinds zij vanuit de woestijn het land waren ingetrokken. Nu was hun macht zo ver gegroeid dat de Filistijnen, Edomieten, Moabieten en Amalekieten tot vazalstaten van Israël waren gemaakt en aan David een forse schatting moesten betalen. Dit werd hen niet in dank afgenomen. Doordat David met zijn leger helemaal tot aan de Eufraat oprukte, is het heel aannemelijk dat zelfs Assyrië de opkomst van Israël met argusogen heeft gevolgd. Israël was meer dan ooit een steen des aanstoots voor de gehele regio.

Wanneer Psalm 83 zegt dat Assyrië “de hand heeft gereikt” aan de zonen van Lot, wordt bedoeld dat dit machtige land hen zijn medewerking heeft toegezegd en hen op alle mogelijke manieren tot steun is geweest. Maar dit is niet openlijk gebeurd, zo voegt Collins eraan toe, zodat men geen gezichtsverlies zou leiden wanneer de krachtmeting onverhoopt verkeerd mocht uitpakken. Door “de hand te reiken” stel je de ander in de gelegenheid om iets te doen, maar blijf je zelf op de achtergrond. Er werd steun geboden. Veel steun. Alle inspanningen waren erop gericht om het volk Israël te verdelgen (vs 5).

Psalm 83 is vollediger in het identificeren van de tegenstander dan I Kronieken 19. Er worden maar liefst tien volken genoemd, die bij de veldslag betrokken waren: Edom, Ismaëlieten, Moab, de zonen van Hagar, Gebal, Ammon, Amalek, Filistea en Assyrië. Allen voelden zich bedreigd door de opmars van het Israëlitische leger. Zoals reeds gezegd was een deel van hen reeds aan Israël onderworpen. Toen het incident met de Ammonieten uitgroeide tot een conflict, zagen zij een kans om het juk dat Israël hen had opgelegd, van zich af te werpen. Wat opvalt, is dat de stad Gebal en inwoners van Tyrus zich bij hen hadden gevoegd. Beide waren Fenicische steden. Collins beweert dat dit slechts een minderheid van de Fenicische bevolking was en koning Hiram hier niet bij hoorde.

De strijd voltrok zich in twee fasen. De eerste fase wordt beschreven in I Kronieken 19:6-14. Het Ammonitische leger stelde zich op bij de stad Meneba, de hoofdstad van Ammon. De huurlingen legerden zich vóór Meneba in het veld. Joab, de Israëlitische veldheer, trok met zijn leger door Jericho oostwaarts en naderde Meneba vanuit het westen. Daar ontdekte hij dat hij door twee fronten in de tang werd genomen. Kennelijk was hij hierdoor verrast, want zijn woorden klonken niet erg optimistisch. Hij splitste het leger in tweeën als poging om uit deze tang te ontsnappen. Het kwam niet in hem op om nu aan een overwinning te denken.

“Als de Arameeërs sterker blijken te zijn dan ik, kom jij me te hulp, en als de Ammonieten sterker blijken dan jij, zal ik jou helpen. Wees sterk! Laten we onze krachten bundelen omwille van ons volk en de steden van onze God; de Here zal doen wat Hij het beste vindt.” (I Kronieken 19:13)

Maar God was met hem. Er wordt in de Schrift in deze fase nog niet van een overwinning gesproken. Er staat slechts dat de Arameeërs op de vlucht sloegen, waarna de Ammonieten zich terugtrokken tot binnen de muren van Meneba. De Nieuwe Bijbelvertaling drukt zich niet helemaal goed uit wanneer zij in vers 16 zegt dat de Arameeërs door Israël “verslagen” waren. Er was hen een slag toegebracht, maar we lezen nergens van een overgave. Ook maakte het Israëlitische leger geen aanstalten om de stad Meneba in te nemen. Kennelijk was er sprake van een impasse. Beide partijen hadden een time-out nodig. “Daarop ging Joab terug naar Jeruzalem,” staat er in vers 15.

Daarna volgde de tweede fase van de strijd. Collins refereert hiervoor aan I Kronieken 19:16-19. Hier wordt inderdaad duidelijk dat de Arameeërs zich nog niet gewonnen gaven. In plaats daarvan hadden zij versterking gezocht en gekregen bij de Arameeërs die aan de andere kant van de Eufraat woonden. Zij hadden een overweldigende legermacht samengesteld, die niet langer streed als een huurling van de Ammonieten, maar zich liet leiden door eergevoel. Toen David hiervan hoorde, zag hij zich genoodzaakt om “alle troepen van Israël” te verzamelen. De HSV heeft het over “heel Israël”, hetgeen erop duidt dat hij alle strijdbare mannen heeft gemobiliseerd. Uit de volkstelling waarover in hoofdstuk 21 wordt gesproken, weten we – zoals hiervoor al is aangegeven – dat dit meer dan anderhalf miljoen mannen waren. Nadat er bij de eerste veldslag 47.000 Aramese soldaten waren gesneuveld, gaven de Arameeërs zich over. Nu onderwierpen ze zich wel aan koning David, hetgeen betekende dat zij zich neerlegden bij hun status als vazalstaat. In de slotfase van de strijd rekende aanvoerder Joab af met de Ammonieten die zich nog steeds in hun hoofdstad schuilhielden. De Nieuwe Bijbelvertaling zegt dat hij hen in stukken liet zagen, maar mogelijk is hier sprake van een verschrijving en heeft hij de Ammonieten aangezet tot dwangarbeid.

“Als hij de manschap die zich in de stad bevindt naar buiten heeft gebracht, zet hij hen aan het werk met de steenzaag, met ijzeren houwelen en met bijlen.” (I Kron. 20:3 Naardense Bijbel)

Hoewel de Bijbel hierover geen informatie geeft, neemt Collins aan dat David ook een vergeldingsoorlog tegen de Assyriërs heeft gevoerd. Behalve het argument dat Davids militaristische karakter hem dit moet hebben ingegeven, meent hij uit seculiere verslagen feiten te kennen, die dit bevestigen en aantonen dat koning David een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan het verval van dit rijk.

  1. Tijdens het bewind van Tiglath- Pileser I (1116-1076 v.Chr.) was Assyrië een groot en sterk imperium, dat zich uitstrekte tot aan de Middellandse Zee. Daarna is deze macht gebroken om tijdens de regeerperioden van David en Salomo verder te verzwakken.
  2. Seculiere verslagen vermelden dat de Assyriërs tijdens het bewind van Assur-rabi II (1012-972 v.Chr.) door de Arameeërs van hun oude grens aan de Eufraat werden verdreven. De Bijbel vermeldt dat het leger van koning David in deze periode de rivier de Eufraat heeft bereikt en een groot Mesopotamisch leger heeft verslagen (ca. 990 v.Chr.). Omdat David de Arameeërs heeft overwonnen en “geknecht”, kan het niet anders dan dat deze Arameeërs in opdracht van David hebben gehandeld. Vermoedelijk hadden zij hiermee weinig moeite, aangezien Assyrië zich vóór de tweede strijd tegen de Israëlieten had teruggetrokken en hen aan hun lot had overgelaten. Collins acht het heel goed mogelijk dat hierbij zelfs Israëlieten betrokken waren. Arameeërs en Israëlieten waren nauw aan elkaar verwant (Deut. 26:1-5) en spraken nagenoeg dezelfde taal, zodat een dergelijke verwarring voor een buitenstaander niet vreemd is.
    3. Tijdens het bewind van Tiglath-Pileser II (966-935 v.Chr.) rukten de Arameeërs op tot aan de Tigris, waardoor Assyrië werd ingeperkt tot het smalste gebied ooit. Het kan geen toeval zijn dat Assyrië zwak bleef zo lang de twaalf stammen van Israël een eenheid vormden.
    4. Tijdens het bewind van Assurdan II (934-912) vochten Israël en Juda een bloedige oorlog uit, die het leven kostte aan meer dan een half miljoen Israëlieten. Dit stelde de omringende landen definitief in de gelegenheid om zich te herpakken (II Kron. 13). Het is geen toeval dat de verzwakking van Israël samenviel met een verzwakking van de Arameeërs, aangezien hun posities door de geopolitieke situatie in die dagen nauw met elkaar verweven waren.

Conclusie

Door de geopolitieke situatie in overweging te nemen, komt Collins tot een interessante en aannemelijke herwaardering van hetgeen beschreven staat in I Kronieken 19.

  • Het incident met de Ammonieten is de aanleiding van een groot politiek conflict waarbij de gehele regio is betrokken.
  • Dit conflict wordt beslecht in het voordeel van Israël, waardoor het land zich tot een wereldmacht kan ontwikkelen, dat via zijn vazalstaten zelfs Assyrië verzwakt.
  • Aan Israëls positie als wereldmacht komt een einde wanneer het land na het overlijden van koning Salomo in twee delen uiteenvalt. De Arameeërs zijn als onderhorig volk niet langer bestand tegen de invallen van Assyrie dat zich nu kan herpakken.
  • In de seculiere geschiedschrijving is de rol van Israël weggevallen ten gunste van de Arameeërs, maar de Bijbelse gegevens laten duidelijk zien dat de Arameeërs door koning David tot overgave zijn gedwongen en de rol van vazalstaat kregen opgelegd.

We zien dat Collins op basis van Bijbelse gegevens komt tot een opzienbarende herinterpretatie van de seculiere bronnen. Ik vind dit buitengewoon fascinerend, maar dit vraagt wel van ons dat we zeer nauwgezet met deze Bijbelse gegevens omgaan. Niet alles wat Collins zegt, is ondubbelzinnig te herleiden uit de Schrift. Om deze reden wil ik hier enkele vragen formuleren, die voor een verdere verdieping kunnen zorgen en de visie van Collins kunnen ondersteunen dan wel weerleggen.

  1. Collins bouwt zijn betoog op aan de hand van het verslag dat we aantreffen in I Kronieken 19. Hij verzuimt echter in te gaan op hetgeen geschreven staat in II Samuël 10. Dit hoofdstuk waarin over dezelfde slag wordt beschreven, bevat enkele significante verschillen ten opzichte van I Kronieken 19. Hoe moeten we deze verschillen verstaan en wat is de impact hiervan op de visie van Collins?
  2. Collins verbindt I Kronieken 19 met Psalm 83. In hoeverre is dit gerechtvaardigd? Psalm 83 maakt weliswaar melding van de zonen van Lot (Ammonieten), maar noemt ook volkeren die we niet tegenkomen in het verslag van I Kronieken 19.
  3. Collins stelt de Israëlieten verantwoordelijk voor het verval van Assyrië. Hoe reëel is dit? Er zitten tientallen jaren tussen de regeerperiode van Tiglat Pilezer I (1116-1078 v.Chr.) en koning David. Is het verval van Assyrië niet al begonnen lang vóór David koning werd?

banner_mjdehaan_2016

[contact-form][contact-field label=’Naam’ type=’name’ required=’1’/][contact-field label=’E-mail’ type=’email’ required=’1’/][contact-field label=’Website’ type=’url’/][contact-field label=’Reactie’ type=’textarea’ required=’1’/][/contact-form]

Aantal keren bekeken: 213

Het Beloofde Land

Steven M. Collins schrijft in zijn boek Origins and Empire of Ancient Israel, dat Amenemhat III de Farao was, die Jozef als onderkoning heeft aangesteld en Jakob het land Gosen heeft gegeven (p. 93). Hij baseert zich hiervoor op het onderzoek van David M. Rohl. Na het overlijden van Jozef zijn de nakomelingen van Jakob in Egypte blijven wonen en uitgegroeid tot een volk. Na verloop van tijd deed zich een kentering in hun situatie voor, waarover God reeds met Abraham had gesproken (Gen. 15:12-14). De Egyptenaren onderwierpen hen en zetten hen in als slaven. Rond 1450 v.Chr. werd het volk onder Farao Dudimose op wonderbaarlijke wijze door God bevrijd en uit Egypte geleid.

Met Collins ben ik van mening dat het volk niet in de Sinaï woestijn heeft verbleven, maar op wonderbaarlijke wijze de Golf van Akaba is overgestoken en bij de berg Jabal al Laws in Midian hun kampement heeft opgeslagen. Dit is de plek waar God hen zijn wet heeft gegeven. Oorspronkelijk was het niet de bedoeling dat het volk veertig jaren lang door de woestijn zou trekken. In Numeri 13 kunnen we lezen dat God aan hun leider Mozes de opdracht gaf om twaalf verkenners uit te zenden, die het land Kanaän moesten onderzoeken. Doordat het volk vol ongeloof was dat de Here hen dit land in bezit zou geven, heeft Hij besloten om deze generatie niet toe te staan het land in te trekken. Dit heeft geleid tot een veertig jaren durende omzwerving in de woestijn.

“Niemand van degenen die mijn majesteit gezien hebben en de wonderen die Ik in Egypte en in de woestijn heb verricht, en die Mij nu al tien keer op de proef gesteld hebben door Mij niet te gehoorzamen, zal het land zien dat Ik hun voorouders onder ede heb beloofd.” (Num. 14:22)

Vreemdelingen

Collins wijst zijn lezers op verschillende details in deze geschiedenis, die minder bekend zijn. Zo wordt vaak over het hoofd gezien dat er niet alleen maar Israëlieten uit Egypte zijn vertrokken. In Exodus 12:38 staat dat er “een grote groep mensen van allerlei herkomst met hen meetrok”. Kennelijk waren er ook andere slaven die hun kans schoon zagen en van de gelegenheid gebruik maakten om zich van de Egyptenaren te bevrijden. Deze niet-Israëlieten werden op dezelfde manier door God gezegend als de Israëlieten. Op basis van Exodus 12:37, waar wordt gesproken over zeshonderd duizend mannen, rekent Collins voor dat wellicht meer dan drie miljoen mensen aan de uittocht hebben deelgenomen. In Numeri 11:4 kunnen we lezen dat “het samenraapsel van vreemdelingen dat met hen meetrok” op het moment dat men voorbereidingen trof om het land Kanaän binnen te trekken, nog steeds bij hen was. Kennelijk heeft God Mozes nooit opgedragen om hen weg te zenden. Integendeel zelfs, in Leviticus 19 draagt de Here het volk juist op om de vreemdelingen die bij hen wonen, te behandelen als geboren Israëlieten.

“Heb hen lief als jezelf, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte. Ik ben de Here, jullie God.” (Lev. 19:34)

Volgens Collins impliceert dit dat er geen raciale motieven ten grondslag liggen aan de opdracht van God om bij de inname van het land Kanaän de bestaande bevolking om te brengen en geen huwelijksverbintenissen met haar aan te gaan. Deze maatregel was nodig omdat deze volken zich zo te buiten waren gegaan aan onreinheid en afgoderij, dat het gevaar groot was dat zij de Israëlieten hiermee zouden besmetten.

“Wanneer u in het land komt dat de Here, uw God, u geven zal, mag u de verfoeilijke praktijken van de volken daar niet navolgen. Er mag bij u geen plaats zijn voor mensen die hun zoon of dochter als offer verbranden, en evenmin voor waarzeggers, wolkenschouwers, wichelaars, tovenaars, bezweerders, en voor hen die geesten raadplegen of doden oproepen. Want de Here verafschuwt mensen die zulke dingen doen, en om die verfoeilijke praktijken verdrijft Hij deze volken voor u.” (Deut. 18:9-12)

Wanneer God met Abraham spreekt over deze periode van slavernij, zegt Hij dat pas de vierde generatie naar het Beloofde Land zal terugtrekken, omdat “pas dan de Amorieten zo veel misdaden hebben bedreven dat de maat vol is” (Gen. 15:16). Deze merkwaardige woorden lijken aan te geven dat God veel geduld met hen heeft gehad en hen ruim de gelegenheid heeft gegeven om zich van hun verfoeilijke praktijken te bekeren. Voor hen is de komst van de Israëlieten een oordeel.

Twee volkstellingen

Het tweede waarop Collins wijst, zijn de volkstellingen die worden gehouden aan het begin en aan het einde van de omzwervingen van Israël door de woestijn. In Numeri 1 wordt per stam het aantal mannen vermeld van 20 jaar en ouder (met uitzondering van de stam Levi). In Numeri 26 gebeurt hetzelfde. Wanneer we dit in een overzicht zetten, zien we het volgende.

volkstelling

Hoewel we bij alle stammen wel een zekere fluctuatie zien, is er één stam die een wel zeer opmerkelijk verschil laat zien: die van Simeon. Hier is het aantal mannen ouder dan 20 jaar met maar liefst 62,6 % afgenomen. Hoe is dit mogelijk? De Bijbel geeft hiervoor geen verklaring. Hoewel in Numeri 25 wordt gesproken over een plaag die 24.000 mensen het leven heeft gekost, lezen we nergens dat een dergelijke straf uitsluitend over de stam Simeon is voltrokken. Collins trekt hieruit de zeer aannemelijke conclusie dat een groot aantal leden van deze stam heeft besloten om niet langer lijdzaam af te wachten tot het moment was aangebroken dat zij het Beloofde Land konden binnengaan. Zij hebben zich afgesplitst van de rest van de Israëlieten en zijn hun eigen weg gegaan. Een mogelijke aanleiding zou de gebeurtenis kunnen zijn, waarover in Numeri 25 wordt gesproken. Daar wordt het volk door een plaag getroffen, omdat zij zich hadden ingelaten met Moabitische vrouwen en hun afgoderij. De Leviet Pinechas maakt hieraan een einde wanneer hij het hoofd van een Simeonitische familie op heterdaad betrapt en samen met de Moabitische vrouw ombrengt.

“Dankzij Pinechas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heb Ik mijn woede tegen de Israëlieten laten varen. Omdat hij bij de Israëlieten voor mij is opgekomen, heb ik hen niet allemaal in mijn afgunst om het leven gebracht.” (Num. 25:11)

Omdat deze daad was gericht tegen een vooraanstaande Simeoniet, kan dit bij de andere leden van de stam voor veel wrevel hebben gezorgd. Wellicht zelfs zo veel wrevel dat zij besloten om de groep te verlaten. Mogelijk zijn kleinere aantallen van andere stammen hen hierin gevolgd. Met name bij de stam Efraïm lijkt dit het geval te zijn. Als houder van het eerstgeboorterecht zou je mogen verwachten dat zij – net als de stam Manasse – een behoorlijke bevolkingsgroei zou hebben doorgemaakt. In plaats daarvan laat zij echter een afname zien van bijna 20%. Feitelijk laten alleen de stammen Manasse, Aser, Issachar en Benjamin een normale demografische ontwikkeling zien. Kennelijk zijn zij als geheel aan de kant van Mozes (en God) blijven staan.

De vraag blijft natuurlijk waarom de Bijbel een dergelijke uittocht niet heeft beschreven. Zou het kunnen zijn dat zij door hun gedrag letterlijk niet meer “meetelden” en daardoor ook niet meer genoemd werden? Wanneer we de afname van het aantal mannelijke leden van 20 jaar en ouder optellen, komen we uit op een aantal van meer dan 60.000 personen. Met de vrouwen en kinderen erbij moet dit een groep zijn geweest met een omvang van meer dan 200.000 personen. Dit maakt het wel begrijpelijk dat God Mozes opdraagt om juist op dit moment een nieuwe volkstelling te houden.

Het is niet met zekerheid te zeggen wat er van deze groep is geworden. In de Bijbel wordt met geen woord meer over hen gesproken. Collins overweegt drie mogelijkheden en enigszins speculatief identificeert hij hen als de Spartanen uit het oude Griekenland. Hij voert hiervoor de volgende argumenten aan.

  1. Flavius Josefus geeft in De Oude Geschiedenis van de Joden aan dat er een bloedverwantschap bestond tussen de Joden en de Spartanen: “Jonathan gaf zijn gezanten de opdracht op de terugreis vanuit Rome ook de Spartanen te bezoeken en hen te herinneren aan de vriendschaps- en verwantschapsbanden van de Joden met hen. [..] Tijdens de terugreis deden de gezanten ook Sparta aan en overhandigden ze de magistraten daar de brief die zij van Jonathan hadden meegekregen. Dit is wat er in de brief stond: ‘[..] Lange tijd geleden werd er door Demoteles een brief van uw koning Areüs over de verwantschap die er tussen ons en u bestaat naar onze hogepriester Onias gebracht. Een afschrift hiervan is toegevoegd. Deze brief hebben wij met blijdschap ontvangen en wij hebben ons uiterst welwillend tegenover Demoteles en Areüs opgesteld, hoewel wij aan zo’n bewijsstuk geen behoefte hadden omdat het allemaal al voldoende is aangetoond in onze heilige geschriften. Wij hebben het tot nu toe niet opportuun geacht over deze verwantschap te beginnen om niet de schijn te wekken dat wij ons maar al te graag de eer toe-eigenden die u ons bewees. En hoewel er een lange tijd is verstreken vanaf het moment dat wij onze verwantschap overdachten, bidden wij nog steeds tot God voor uw welzijn en militaire successen, wanneer wij op onze heilige dagen en feestdagen offers brengen.” (Boek 13, 164, 166-168)
    Deze gebeurtenis is te dateren rond 330-309 v.Chr. en geeft aan dat de Spartanen door de Joden werden gezien als afstammelingen van een Israëlitische stam. Wanneer zij heidenen waren geweest, hadden de Joden hen beslist geen bloedverwanten genoemd. Deze geschiedenis wordt ook vermeld in I Makkabeeën 12:5-23 en 14:16-23.
  2. Simeon stond bekend om zijn gewelddadigheid (Gen. 34:25-31, 49:5-7). Dit past bij het temperament van de Spartanen die zich ook door het zwaard lieten leiden.
  3. De Spartanen hadden een viering bij de nieuwe maan en de zevende dag van de maand. Dit kan zijn herkomst hebben in de Israëlitische kalender en de sabbatsviering. (Arnold H.M. Jones, Sparta, p. 13)
  4. De Spartanen maakten onderscheid tussen verschillende stammen. Dit zou te maken kunnen hebben met het feit dat leden van de andere stammen met de Simeonieten zijn vertrokken. (Arnold H.M. Jones, Sparta, p. 31-32)
  5. De Spartanen hebben in Italië een kolonie gesticht met de naam Tara. Dit zou een verwijzing kunnen zijn naar Terah, de vader van Abraham. (Arnold H.M. Jones, Sparta, p. 11, 22)
  6. De Spartanen onderhielden betrekkingen met Carthago – dat volgens Collins eveneens door Israëlieten was gesticht – terwijl de Grieken hen als hun vijand zagen. (Terrence Wise en Mark Healy, Hannibal’s War with Rome, p. 14)

Het is intrigerend dat de Spartanen worden gezien als “broeders” van de Joden en dat de bewijzen hiervoor zijn terug te vinden in de “heilige boeken”. Omdat over deze bewijzen in de aangehaalde teksten niet wordt uitgeweid, acht ik een verband met een mogelijke uittocht voorafgaande aan de volkstelling in Numeri 26 speculatief, maar niet onmogelijk. De manier waarop over “bewijzen” wordt gesproken, doet ook vermoeden dat de Spartanen over historische kennis beschikten, die niet algemeen bekend was en vanuit de Schrift slechts kon worden bevestigd. Dit past bij de gedachte van een “verzwegen” groep.

Verdeling van het land

Nadat de Israëlieten onder leiding van Jozua het land Kanaän hadden ingenomen, werd het land door loting onder de stammen verdeeld. Daarbij werd ook de belofte aan Kaleb ingelost. Kaleb was één van de verkenners die destijds waren uitgezonden om het land te inspecteren. Hij en Jozua waren de Here trouw gebleven. Zij mochten als enigen van hun generatie het Beloofde Land binnengaan. Als beloning kreeg Kaleb de stad Hebron als erfdeel toegewezen. De stammen Ruben en Gad kregen een deel van het land dat ten oosten van de Jordaan lag. Aan de overige stammen werd een stuk land ten westen van de Jordaan toegewezen. Manasse kreeg aan beide zijden van de Jordaan een stuk land.

Wat bij de verdeling van het land opvalt, is dat Efraïm één van de kleinste gebieden kreeg toegewezen, terwijl het land dat voor Manasse bestemd was, juist opviel door zijn grote omvang aan beide zijden van de Jordaan. Maar beide stammen hebben de zegen van het eerstgeboorterecht ontvangen, waarin hen een grote bevolkingsgroei werd beloofd. Toch kreeg Efraïm maar een klein stukje grond, terwijl het grondgebied van Manasse bijna even groot was als dat van acht andere stammen tezamen! Heeft God Efraïm hier tekort gedaan? Volgens Collins heeft God met de verdeling van het land rekening gehouden met het temperament van de verschillende stammen. Manasse hield zijn leden het liefst bij elkaar in een ruimtelijke omgeving, terwijl Efraïm de voorkeur gaf aan een bescheiden thuisbasis van waaruit zijn leden konden vertrekken om zich elders te vestigen. Heeft God niet gezegd dat Manasse zich tot een groot volk zou ontwikkelen, terwijl Efraïm tot een menigte van volken zou worden? (Gen. 48:19) Het kost mij moeite om hele stammen hetzelfde temperament toe te schrijven, maar ik kan geen andere reden bedenken en moet Collins hierin dus wel gelijk geven.

Ook met de stam Dan is iets merkwaardigs aan de hand. Getalsmatig was Dan de op één na grootste stam. Toch kregen de leden van deze stam maar een klein gebied toegewezen, langs de kust van de Middellandse Zee. Collins merkt op dat de Danieten zich wegens ruimtegebrek hadden opgesplitst en in Syrië een tweede gebied veroverden om zich te vestigen. Dit is niet in overeenstemming met de manier waarop de NBV Jozua 19:47 weergeeft. Daar staat: “Maar de Danieten verloren hun gebied. Ze ondernamen daarom een veldtocht naar Lesem, namen die stad in en doodden iedereen die er woonde.” Dit wordt in Rechters 1:34 bevestigd: “De stam Dan werd door de Amorieten teruggedrongen tot in het bergland en kreeg geen kans om naar de laagvlakte af te dalen.” Ook in Rechters 18:1 wordt hierover geschreven: “Er was in die tijd geen koning in Israël. De stam Dan was nog steeds op zoek naar een eigen grondgebied om zich blijvend te vestigen, want het was de enige stam van Israël waaraan nog geen grondgebied was toegevallen.” De weergave van de Herziene Statenvertaling sluit wellicht beter aan bij wat Collins zegt.

“Maar het gebied van de nakomelingen van Dan was voor hen te klein uitgevallen. Daarom trokken de nakomelingen van Dan op en streden tegen Lesem, namen het in, sloegen het met de scherpte van het zwaard, namen het in bezit en gingen er wonen. En ze noemden Lesem Dan, naar de naam van hun vader Dan.” (Joz. 19:47)

“En de Amorieten drongen de Danieten het Bergland in, want zij lieten hun niet toe af te dalen naar het dal.” (Richt. 1:34)

“In die dagen was er geen koning in Israël. En in die dagen zocht de stam van de Danieten voor zich een erfelijk bezit om er te wonen, want tot op die dag was hun onder de stammen van Israël niet voldoende erfelijk bezit toegevallen.” (Richt. 18:1)

Volgens Collins is het een onderscheidend kenmerk van deze stam dat zij meer dan iedere andere stam geografische plaatsen de naam van hun stamvader hebben gegeven. Bovendien dwong het ontbreken van grondgebied hen ertoe om op zoek te gaan naar aanvullende ruimte buiten Kanaän. De “Zeevolken” die rond 1200 v.Chr. het Middellandse Zeegebied onveilig maakten, worden door hem geassocieerd met de stam Dan. Hij voert hiervoor de volgende argumenten aan.

  • Het verschijnen van de Zeevolken valt samen met de periode die in het boek Rechters wordt beschreven.
  • De naam van één van deze volken is terug te voeren tot de stamvader van Dan: Danuna, Danaoi of Dardanieten.
  • In die tijd kende Israël nog geen centraal geleide overheid, waardoor de stam Dan zich onafhankelijk van de andere stammen kon opstellen.
  • De stam Dan was een zeevarend volk: “Dan bleef bij zijn schepen” (Rechters 5:17).
  • Er zijn aanwijzingen dat de Zeevolken op zoek waren naar een nieuw gebied waar zij zich konden vestigen. Zo kwam het voor dat zij vrouwen en kinderen bij zich hadden.
  • De Danieten waren nauw betrokken bij de oude Grieken en worden zelfs genoemd in hun mythen, waar hun stamvader Danaus de “zoon van Belus” wordt genoemd, hetgeen een vergrieksing is van de Kanaänitische god Baäl.
  • Toen de Zeevolken Egypte aanvielen, kwamen zij deels over land vanuit Noord-Kanaän.
  • Voor een deel van de Zeevolken geldt dat zij de besnijdenis praktiseerden.
  • Yair Davidy meent zelfs dat meerdere stammen van Israël hebben deelgenomen aan de acties van deze zeevolken. Hij identificeert Sakara met Issachar en Menesen met Manasse…

Dit zijn allemaal indirecte bewijzen, maar dat geldt ook voor de bewijzen die andere historici hebben aangevoerd om deze Zeevolken te identificeren.

Als laatste nog een kort woord over de Levieten. Zij kregen in tegenstelling tot de andere stammen geen eigen territorium. Aan hen werden verspreid over het land achtenveertig steden toegewezen, waaronder zes zogenaamde “vrijsteden”. Deze steden boden een veilige vluchtplaats voor hen die een ander hadden gedood. Totdat hun rechtszaak was geweest, genoten zij in deze steden bescherming. Deze wijze van organiseren, waarbij de erfelijke priesterklasse in onafhankelijke steden zijn ondergebracht, kan ons volgens Collins behulpzaam zijn bij het identificeren van Israëlitische stammen, nadat zij uit het Beloofde Land zijn verdreven.

levietenGoede en slechte jaren

Vanaf het moment dat de Israëlieten het Beloofde Land binnengingen tot aan de zalving van de eerste koning werd het land als een theocratie bestuurd door een aantal rechters. Het Bijbelboek dat deze periode beschrijft, maakt herhaaldelijk melding van het volgende: “De Israëlieten deden wat slecht was in de ogen van de Here” (Recht. 2:11, 3:7, 12, 4:1, 6:1, 10:6, 13:1). Bij velen heeft dit de indruk gewekt dat de tijd van de rechters zich kenmerkt door anarchie. Maar dit beeld behoeft enige nuancering. Weliswaar wordt deze periode gekenmerkt door een aantal terugkerende cycli waarin ongehoorzaamheid, verdrukking, gehoorzaamheid en vrede elkaar opvolgen, maar wanneer we de perioden van vrede bij elkaar optellen, blijken zij veel langer dan de perioden van oorlog en instabiliteit. De goede jaren overtreffen de slechte jaren maar liefst in een verhouding van 72% – 28%, oftewel 296 goede jaren tegenover 114 slechte jaren! De jaren van ongehoorzaamheid waren dus ver in de minderheid.

rechters

banner_mjdehaan_2015

[contact-form][contact-field label=’Naam’ type=’name’ required=’1’/][contact-field label=’E-mail’ type=’email’ required=’1’/][contact-field label=’Website’ type=’url’/][contact-field label=’Reactie’ type=’textarea’ required=’1’/][/contact-form]

Aantal keren bekeken: 296

Het verbond wordt voortgezet

Het verbond dat God met Abraham heeft gesloten, wordt voortgezet in het nageslacht dat hij met Sara heeft gekregen: zijn zoon Isaak. Steven M. Collins gaat ervan uit dat zowel Abraham als Isaak in contact hebben gestaan met hun voorouders die vóór of vlak na de Vloed hebben geleefd. Deze generatie was zo bijzonder dat het wel heel vreemd zou zijn wanneer iemand geen contact met hen zou willen. Lees verder

Aantal keren bekeken: 154

Abraham, de vriend van God

Het is alweer enige tijd geleden dat ik het boek Onbekend Israël van Steven M. Collins heb gelezen. In dit boek wordt ons een totaal andere visie op de wereldgeschiedenis voorgehouden. De schrijver rekent af met twee gangbare uitgangspunten van de geschiedschrijving, namelijk: [1] geschiedenis als evolutionair proces, en [2] geschiedenis vanuit Grieks-Romeins perspectief. Als alternatief reikt hij de lezer een nieuw historisch model aan, waarbij hij gebruik maakt van [1] Bijbelse gegevens en [2] ontdekkingen van wat ik grenswetenschappen zou noemen. Nadat ik het boek had gelezen, was mijn interesse gewekt en heb ik ook zijn andere boeken besteld. Lees verder

Aantal keren bekeken: 224

“De burcht Antonia was groter dan de tempel” [1]

Ernest L. Martin zegt in zijn boek The Temples that Jerusalem Forgot dat de Haram al-Sharif deels intact is gebleven omdat hier niet de tempel, maar de Romeinse vesting Antonia heeft gestaan. De locatie van de tempel moet volgens hem meer naar het zuiden worden gezocht, in de nabijheid van de beek Gihon. Dit is een gewaagde uitspraak die door weinigen wordt nagezegd. Wat zeggen onze bronnen over de burcht Antonia? Lees verder

Aantal keren bekeken: 221

Geen steen van de tempel blijft op de andere

In 2000 publiceerde Ernest L. Martin het boek The Temples that Jerusalem Forgot, waarin hij uitgebreid uiteenzet dat de tempel van Jeruzalem niet op de Tempelberg heeft gestaan, maar meer zuidwaarts. De muren die zich om deze plaats bevinden, zouden niet aan de tempel, maar aan de burcht Antonia hebben toebehoord, die in werkelijkheid veel groter was dan wetenschappers denken. Dit is een opmerkelijk standpunt, aangezien de Tempelberg door zowel joden, moslims als christenen wordt beschouwd als de meest heilige plek op aarde. We mogen dan ook verwachten dat hij hiervoor een gedegen onderbouwing geeft. Zijn er ook Bijbelse aanwijzingen die deze opvatting ondersteunen? Lees verder

Aantal keren bekeken: 160

“De tempel stond niet op de tempelberg”

[contact-form][contact-field label=’Naam’ type=’name’ required=’1’/][contact-field label=’E-mail’ type=’email’ required=’1’/][contact-field label=’Reactie’ type=’textarea’ required=’1’/][/contact-form] 1. 1ste zicht jeruzalem

In 2012 ben ik voor de tweede keer in Israël geweest. Ditmaal was ik samen met mijn vrouw en maakten we deel uit van een reisgezelschap. Zoals waarschijnlijk bij de meeste toeristen het geval is, stapten wij op het vliegveld in een touringcar om naar Jeruzalem, onze eerste halteplaats, te rijden. Ik had geen jas bij mij, omdat ik er geen rekening mee had gehouden dat het in februari ook in Israël erg koud kon zijn. In feite was het in Jeruzalem 10 graden kouder dan thuis in Nederland. Lees verder

Aantal keren bekeken: 124

Dinosauriërs voor kinderen

Op 25 augustus 2014 verzorgde Ken Ham een toespraak voor kinderen over Dinosauriërs. Ken Ham is oprichter en CEO van Answers in Genesis, een organisatie die uitgaat van de betrouwbaarheid van de Bijbel en zich toelegt op de verdediging van het jonge aarde model. Dit model houdt in dat men de scheppingsdagen van Genesis 1 letterlijk neemt als 6 dagen van 24 uur en de ouderdom van de aarde schat op circa 6000 jaar.

Door de dominante positie van de evolutietheorie binnen de wetenschap wordt dit model – en daarmee ook de betrouwbaarheid van de Schrift – in toenemende mate onhoudbaar geacht en belachelijk gemaakt. Ook onder christenen heeft dit model weinig aanhangers meer. Answers in Genesis en Creation Ministries International zijn twee organisaties die proberen deze ontwikkeling tegen te gaan door wetenschappelijk onderzoek te doen en onderwijs te verzorgen waaruit blijkt dat de wetenschap en de Bijbel niet met elkaar in tegenspraak zijn. Aan beide organisaties zijn gepromoveerde wetenschappers verbonden. Beide organisaties ontwikkelen studiemateriaal en brengen dit op de markt.

Naast de wetenschappelijke discussie heeft het onderwijs aan kinderen hun aandacht. In het reguliere onderwijs krijgen kinderen over het algemeen weinig mee van het scheppingsmodel, waardoor zij als vanzelf meegroeien in het gedachtegoed van de evolutietheorie. Wanneer zij na het voortgezet onderwijs gaan studeren, kunnen zij zich niet verweren tegen de evolutionistische (en veelal atheïstische) cultuur van onze universiteiten, waardoor velen hun geloof verliezen. Ten onrechte, want wetenschap en geloof hoeven niet met elkaar op gespannen voet te staan. Niet de feiten, maar de interpretatie van de feiten zorgt voor problemen.

In deze lezing, waarin Ken Ham met zijn droge humor in staat blijkt om kinderen 1:20 uur te kunnen boeien, wordt het jonge aarde model uitgelegd met behulp van dinosauriërs. Niet alleen volwassenen, maar ook kinderen worden geboeid door deze merkwaardige dieren. Het aardige is dat Ken Ham aan de hand van de dinosauriërs niet alleen het jonge aarde model uitlegt, maar ook het Evangelie. Bijzonder, maar voor hen die geen Engels verstaan, moeilijk toegankelijk. Vandaar dat Archippus deze lezing van een Nederlandse ondertiteling heeft voorzien.

De lezing is van een prima kwaliteit en kan desgewenst full screen bekeken worden. De PowerPoint presentatie is in een apart kader zichtbaar gemaakt. Het was helaas niet mogelijk om de Engelse tekst op deze sheets in het Nederlands om te zetten.


banner_mjdehaan_2014

Aantal keren bekeken: 225

Psalm 146 – Over lofprijzing

psalm146-01 psalm146-02 psalm146-03 psalm146-04 psalm146-05 psalm146-06

psalm146-07

Voordat we naar de tekst gaan kijken, wil ik u het verhaal van John vertellen. John leefde in de 18e eeuw en was de zoon van een zeeman. Zijn vader was kapitein op een groot koopvaardijschip. Ook John wist al vroeg dat hij zeeman wilde worden. Toen hij negentien jaar oud was, kwam hij bij de marine terecht.

Helaas voelde hij zich daar slecht op zijn gemak. Toen hij probeerde te deserteren, werd hij opgepakt. Een rijke reder zag wat in hem en betaalde zijn borgtocht. Daarna nam hij dienst op een slavenschip en werkte zich op tot kapitein van een eigen schip. Een slavenschip, dat wel. John was een slavenhandelaar geworden.

Hoewel zijn moeder hem als kind over God had verteld, speelde het geloof in zijn leven geen enkele rol meer. Integendeel, John was enorm grof in de mond en stak graag de draak met alles wat met God en met geloven te maken had. Totdat hij met zijn schip in een verschrikkelijke storm terechtkwam. Toen bad hij in zijn angst: “Heer, heb genade met ons!” Dat moment heeft voor een ommekeer in zijn leven gezorgd.

Zeven jaar later was John Newton predikant. Zijn leven was niet van de ene dag op de andere veranderd. Maar hoe ouder hij werd, hoe meer hij tot het besef kwam dat God een groot wonder in zijn leven had gedaan. Hij groeide uit tot een symbool in de strijd om de afschaffing van de slavernij en is de dichter van het wereldberoemde lied Amazing Grace, waarin hij aangeeft wat in zijn leven de doorslag heeft gegeven. Het was alleen door Gods genade, dat hij die het niet verdiende – hij die het leven van 20.000 mensen had verziekt – leven had gevonden. Wat wint zo’n lied aan diepgang als je het verhaal erachter kent!

psalm146-08

Psalm 146 is ook een lied. Een loflied nog wel. Een lied waarin God uitbundig eer wordt toegebracht. Zouden we ook iets kunnen achterhalen over het verhaal achter dit lied? Wat is er in het leven van deze dichter gebeurd, dat hij met zoveel woorden Gods lof bezingt?

Helaas heeft deze psalm geen opschrift, zodat we weinig kunnen zeggen over wie de dichter van deze psalm is geweest. Als we naar de inhoud van deze psalm kijken, komen we er ook niet achter wat de aanleiding is geweest voor het dichten van dit lied. Er wordt geen enkele naam of gebeurtenis vermeld, die in dit opzicht voor ons een aanknopingspunt zou kunnen zijn. We kennen ook geen andere bronnen die ons hiermee verder kunnen helpen.

Moeten we deze psalm dan maar lezen als een op zichzelf staande tekst, zonder enige samenhang of verband? Velen van ons zijn geneigd om – bij gebrek aan informatie – zó naar deze psalm – en naar de meeste psalmen – te kijken. En toch is er wel degelijk sprake van een verband, een samenhang die de moeite waard is om naar te kijken, en de boodschap die deze psalm ons wil meegeven, versterkt.

Deze psalm maakt namelijk deel uit van een bundel van 150 psalmen die niet zomaar bij elkaar zijn geveegd, maar heel zorgvuldig zijn geselecteerd en stuk voor stuk heel doelbewust een bepaalde plaats in het geheel hebben gekregen. Zo heeft emeritus-hoogleraar Labuschagne ontdekt dat de Psalmen afzonderlijk, maar ook als geheel, zijn gestructureerd op basis van symbolische getallenreeksen. Hij is van mening dat het schrijven in de Oudheid heel veel leek op wat wij vandaag de dag “componeren” zouden noemen. Ieder onderdeel van de tekst werd heel nauwkeurig samengesteld. En bij dit componeren werd er geteld. Het Hebreeuwse woord sefer – geschrift – en sofer – schrijver – zijn allebei afkomstig van het woord safar (cijfer) dat zowel tellen als vertellen kan betekenen.

Je zou de psalmen kunnen zien als de opwekkingsliederen van het volk Israël. Zoals er tijdens de laatste pinksterconferentie in Flevoland opnieuw twaalf liederen aan de bundel zijn toegevoegd, zo kwamen er ook in vroeger tijd iedere keer psalmen bij. Verschillende dichters hebben hieraan bijgedragen, waaronder koning David, koning Salomo, Asaf, de kinderen van Korach, Etan de Ezrachiet en zelfs Mozes. Van veel psalmen is ook niet bekend wie ze heeft geschreven. Maar voor allemaal geldt dat zij in de loop der tijd zorgvuldig zijn verzameld om in de eredienst te worden gebruikt.

Maar er zijn ook verschillen met onze opwekkingsliederen. Een belangrijk verschil is dat de periode waarin de psalmen zijn geschreven, veel langer is geweest. Deze liep vanaf de tijd van Mozes tot aan de tijd na de ballingschap. Alles bij elkaar ongeveer duizend jaar. Een ander belangrijk verschil is dat het Boek der Psalmen een afgeronde eenheid is geworden en als zodanig ook een boodschap uitdraagt. Als geheel. Als Bijbelboek. Hoe zou die boodschap eruit zien, denkt u?

psalm146-09

Als we door het boek heen bladeren, zien we dat het uit vijf delen bestaat. Het ene, grote boek is onderverdeeld in vijf, kleinere boeken.

Het getal “vijf” doet denken aan de Thora, de vijf boeken van Mozes. Boek 1 zou dan naast Genesis komen, Boek 2 naast Exodus, Boek 3 naast Leviticus, Boek 4 naast Numeri en Boek 5 naast Deuteronomium. Er zijn ook aanwijzingen dat men in de synagoge deze koppeling daadwerkelijk heeft toegepast. Wanneer er uit het boek Genesis werd gelezen, werden er psalmen uit Boek 1 gezongen, en ga zo maar door. De vijf boeken van de Thora, het woord van God, werden gekoppeld aan de vijf boeken van de Psalmen, het antwoord van de mensen.

Wat opvalt, is dat elk van deze vijf boeken afsluit met een lofprijzing.

psalm146-10psalm146-11psalm146-12psalm146-13psalm146-14

psalm146-15

Bij Bassie en Adriaan was het altijd Bassie die tegen Adriaan zei: “Wat er ook gebeurd, altijd blijven lachen!” Daarmee wilde hij Adriaan opbeuren en alle kleine kijkertjes een lesje leren. “Wat er ook gebeurt, altijd blijven lachen!” Het lijkt wel alsof het Boek der Psalmen ons ook zo’n lesje wil leren. In de vijf boeken krijgen we alle hoogte- en dieptepunten van het leven te zien, maar wat er ook gebeurt, je moet altijd God blijven loven!

psalm146-16

Wat ook opvalt, is het gebruik van het woordje “amen” in deze lofprijzingen. We komen dit woord in de Psalmen alleen hier tegen. Exact zeven maal. Telkens wanneer je dit woord in het Oude Testament tegenkomt, heeft dit een profetische lading: Het zij zo. Er zijn uitleggers die de vijf boeken van de Thora als symbool zien voor vijf perioden in de geschiedenis. Genesis staat dan voor het begin van het leven en Gods verkiezende genade, Exodus is de periode van de bevrijding, Leviticus van de heiliging, en Numeri van de beproeving. Na deze perioden breekt het Deuteronomiumtijdperk aan waarin God Zijn koninkrijk vestigt. Het amen, ja amen vormt dan de verbindende schakel tussen deze twee perioden om uiteindelijk over te gaan en te eindigen in een lofprijzing: Halleluja!

psalm146-17

Om dit feit nog eens te benadrukken en ons deze les stevig in te peperen zijn de laatste vijf liederen uit het Boek der Psalmen allemaal lofliederen, te beginnen bij Psalm 146. Opnieuw het getal vijf en opnieuw de parallel met de vijf Boeken van Mozes. We herkennen dit in Psalm 146, waar gerefereerd wordt aan “De HERE die hemel en aarde gemaakt heeft, de zee en al wat daarin is.” – Genesis.

psalm146-18

“Wat er ook gebeurt, je moet altijd God blijven loven.”

Dit is gemakkelijk wanneer het je voor de wind gaat. Wanneer je promotie hebt gekregen, een nieuwe baan, of een mooie kleine baby met alles erop en eraan. Maar wat moet je als je je baan bent kwijtgeraakt, je net te horen hebt gekregen dat er nieuwe uitzaaiingen in je lichaam zijn vastgesteld, of als afgelopen week het hele gezin van een geliefd familielid bij een noodlottig vliegtuigongeluk om het leven is gekomen?

psalm146-19

In de Bijbel gaat juist het Boek der Psalmen over de emoties die zich voordoen in dergelijke omstandigheden. Pijn. Verdriet. Wanhoop. Angst. Boosheid ook. We zien dat deze emoties alle ruimte krijgen. Ze mogen er zijn. Volop zelfs. Ze mogen beleefd en doorleefd worden. En toch mondt elk van de vijf boeken der Psalmen uit in een lofprijzing. Het is alsof het boek daarin tegen ons wil zeggen dat iedere negatieve emotie hierin als het ware zijn afronding zou moeten vinden. Maar hoe krijgen we dat voor elkaar?

psalm146-20

Toen stichting Opwekking startte met het uitbrengen van de opwekkingsliederen, begon men ook opnieuw na te denken over lofprijzing. In die tijd zijn er verschillende boekjes over dit onderwerp verschenen. Het kan zijn dat ik ze verkeerd heb gelezen, maar bij velen daarvan kreeg ik de indruk dat het lofprijzen hier als alternatief werd gezien voor al die moeilijke emoties. Alsof je een knop in je hoofd moest omzetten om in plaats van te treuren God groot te maken. En als je dat doet, zal Hij een keer in je leven brengen.

psalm146-21

Nu ik hierop terugkijk, zie ik een verband met een beweging die in diezelfde periode opkwam, namelijk die van de kracht van het positief denken. Als je je negatieve gedachten ombuigt in positieve gedachten, zal je leven een positieve wending krijgen. Als je hierover een christelijk sausje giet, klinkt deze zin zo: Als je in plaats van te treuren God grootmaakt, zal je leven een positieve wending krijgen. Misschien klinkt dit als vloeken in de kerk, maar ik zeg hier meteen achteraan dat ik hierin niet geloof. Het gaat er niet om of wij positief of negatief denken, maar of wij werkelijk oog hebben voor de HERE God die het waard is om geloofd te worden.

Psalm 146 roept op om God te loven. Niet als een formule. Niet omdat het moet. Maar omdat er minstens drie hele goede redenen zijn aan te geven waarom je dit zou willen.

psalm146-22

De eerste reden is dat de God van Jakob helpt. Hij is Degene geweest die het volk Israël heeft uitgeleid en begeleid tot in het Beloofde Land. Hij is Degene geweest die telkens wanneer zich problemen voordeden, voor uitkomst heeft gezorgd.

Ten opzichte van ons geldt eigenlijk precies hetzelfde, alleen is de inhoud nóg rijker. Hij is immers Degene geweest die ons door zijn Zoon heeft verlost uit ons oude leven en een nieuwe identiteit heeft gegeven. Hij is Degene die ook in ons leven bij problemen voor uitkomst wil zorgen. Misschien is het goed om onszelf eens af te vragen of wij de HERE God wel voldoende hebben toegestaan om op deze manier in ons leven te werken.

psalm146-23

De tweede reden die de dichter noemt om God te loven, is dat Hij de Schepper is. Hij is het die het universum heeft gemaakt, in zijn onmetelijke grootheid, maar ook in zijn peilloze kleinheid. Van sterrenstelsel tot nanodeeltje. Hij is van alles de Maker. Alles komt Hem toe.
Het Schepper-zijn van God staat tegenwoordig onder zware druk. De wetenschap doet het voorkomen alsof de evolutietheorie is bewezen en alles uit één grote oerknal is ontstaan. Veel christenen hebben zich hierdoor laten imponeren. Dat geldt vooral voor hen die hoogopgeleid zijn, en dat zijn er steeds meer.

In hun opleiding zijn zij besmet met het evolutievirus en dat heeft hun denken aangetast: de evolutietheorie heeft gelijk, het universum is miljarden jaren oud en het leven op aarde heeft zich gedurende miljoenen jaren vanuit een eencellig wezen ontwikkeld tot de mens. Om hun geloof in God de Schepper niet te verliezen, hebben zij het theïstische-evolutionisme bedacht. Evolutie als een door God geleid proces. Zij hebben God als het ware aan de evolutietheorie toegevoegd, maar eigenlijk doet Hij er niet toe, omdat evolutie geen sturende kracht nodig heeft.

Zij vergeten dat de evolutietheorie IN PRINCIPE is bedoeld om het ontstaan van leven ZONDER God te verklaren. Zij vergeten ook dat met deze aanpassing de hele Bijbelse theologie op losse schroeven wordt gezet. Want als ziekte en dood er al miljoenen jaren zijn, wat moeten we dan met de uitspraak van Paulus dat de dood door de zonde in de wereld is gekomen? En wat betekent het dan dat de Here Jezus de tweede Adam wordt genoemd, als de eerste Adam nooit heeft bestaan?

In de Bijbel wordt het scheppingsverslag van Genesis heel serieus genomen. Psalm 146 noemt het als één van de hoofdredenen om God te loven. Wist u dat er een heel direct verband is tussen Gods schepping en Gods heiligdom? Ik hoop u hierover de volgende keer wat meer te vertellen.

Ik denk dat het ontzettend belangrijk is om vast te blijven houden aan de waarachtigheid van Gods Woord, waarin de werkelijkheid op een hele bijzondere manier zin en betekenis krijgt.

psalm146-24

De derde reden die de Psalm noemt, is dat de HERE God als eeuwige Koning trouwe houdt tot in eeuwigheid. Hij ziet erop toe dat de verdrukte recht wordt verschaft. Hij behoedt de vreemdelingen en houdt de wees en weduwe staande. We hebben hier niet te maken met een wens, een hoop, een verwachting… Dit is zelfs geen belofte. We mogen deze woorden lezen als een profetie. Het gaat gebeuren! Ondanks alle ellende en onopgeloste problemen mogen we ons vertrouwen vestigen op de God van de Bijbel die zijn Zoon heeft gegeven om af te rekenen met de zonde en de gebrokenheid van deze wereld. Het gaat niet om onze gedachten, maar om wie Hij is.

psalm146-25

Ik heb geprobeerd om u iets te laten zien van de manier waarop de Psalmen naar de werkelijkheid kijken. We zien dan een werkelijkheid die ruimte biedt aan alle soorten emoties. Maar ook een werkelijkheid die wordt geschraagd door het besef dat God in alles Zijn plan uitwerkt en dat de komst van Zijn koninkrijk een profetische zekerheid is. Als je zo naar het leven kijkt, dan kan je niet anders dan God groot maken!

banner_mjdehaan_2014

Aantal keren bekeken: 448

Gen. 1:1-2:3 – De schepping als heiligdom

genesis1-01 genesis1-02 genesis1-03 genesis1-04 genesis1-05 genesis1-06 genesis1-07 genesis1-08 genesis1-09 genesis1-10 genesis1-11 genesis1-12 genesis1-13 genesis1-14 genesis1-15 genesis1-16

Dit eerste hoofdstuk uit het boek Genesis is waarschijnlijk het bekendste hoofdstuk uit de Bijbel. Maar het is ook het meest omstreden hoofdstuk. Waar de mensheid eeuwenlang heeft gedacht dat in de eerste hoofdstukken van de Bijbel het ontstaan van het universum en het leven werd beschreven, wordt dit nu meer en meer als achterhaald en zelfs als achterlijk beschouwd. Hoe kun je in deze tijd nog denken dat het universum in 6 dagen van 24 uur is gemaakt? Er worden allerlei vragen opgeworpen, die een historische lezing van de eerste hoofdstukken van Genesis ongeloofwaardig zouden maken. Om u hiervan een illustratie te geven, noem ik er vier.

genesis1-17

Wat moeten we verstaan onder “dag”? Er wordt gesproken over “avond” en “morgen”. Het ritme van dag en nacht. Op basis van wat wij nu weten, wordt dit ritme bepaald door de rotatie van de aarde om zijn as, waardoor een plek op aarde 12 uur door de zon wordt beschenen en 12 uur niet. Aangezien de zon pas op de vierde dag wordt geschapen, kan dag 1 toch niet dezelfde “dag” zijn als wij kennen?

genesis1-18

Wat is trouwens de herkomst van het licht waarover in vers 3 wordt gesproken?
Daar staat dat God op de eerste dag het licht schiep. Wat voor licht kan dit geweest zijn? Aangezien de zon, maan en sterren pas op de vierde dag worden geschapen, kan dit niet van enig hemellichaam afkomstig zijn geweest.

genesis1-19

Het universum is toch geen stolp? Het woord “gewelf” wekt de indruk van een grote koepel die over een (platte) aarde is uitgespannen. Daarbuiten zouden zich watermassa’s bevinden en daarbinnen zijn de hemellichamen aangebracht. Is dit niet een heel primitieve weergave van de werkelijkheid? Zo kunnen we toch niet meer naar de wereld om ons heen kijken?

genesis1-20

Spreekt de Bijbel zichzelf in Genesis 1 en 2 niet heel erg tegen?

  1. In Genesis 1 worden planten immers op dag 3 geschapen, maar in Genesis 2:5 staat dat er op de aarde nog geen enkele struik en plant was opgeschoten omdat er nog geen mens was op de aardbodem te bewerken.
  2. In Genesis 1 worden planten op dag 3 geschapen en de mens op dag 6, maar in Genesis 2:7-9 staat dat eerst de mens wordt gemaakt en pas daarna worden de bomen geschapen.
  3. In Genesis 1 worden de vogels op dag 5 geschapen en de landdieren op dag 6 – vóór de mens, maar in Genesis 2 zien we dat éérst de man wordt geschapen, daarna de vogels en de landdieren, en daarna pas de vrouw.

Wanneer ik deze opmerkingen allemaal op me laat inwerken, lijkt het wel alsof een historische lezing van Genesis 1 in deze tijd niet meer tot de mogelijkheden behoort en door de ontdekkingen van de moderne wetenschap volledig is ingehaald.

genesis1-21

Als je de literatuur erop naslaat, lijkt het wel alsof of dit helemaal geen probleem is. Professor Willem Ouweneel somt in zijn dogmatische reeks tien manieren op om het eerste hoofdstuk van Genesis uit te leggen. Hij zegt het zo niet, maar als dit een rijtje met tien valide methoden van uitleg zou zijn, dan zijn er naast de traditionele lezing – dat door hem een beetje denigrerend jonge aardelitteralisme wordt genoemd – negen bruikbare alternatieven om Genesis 1 te lezen.

Zelf voelt hij het meeste voor de negende manier: de kadertheorie, waarbij Genesis 1 wordt gelezen als een literaire compositie. Wat er staat, is dan geen geschiedenis meer, maar een vorm waarin de onderliggende boodschap wordt overgedragen dat God de Schepper van hemel en aarde is. Waar, maar niet waar gebeurd.

genesis1-22

Ik ben het in zoverre met hem eens dat het scheppingsverhaal inderdaad een prachtig patroon met een diepe boodschap laat zien. Ik heb dit patroon weergegeven in deze tabel. Het begint met een aarde die ongevormd en leeg was, en eindigt met de zevende dag waarop God rust van al Zijn werken. Daar tussenin vindt het scheppingswerk plaats dat in een prachtige symmetrie wordt weergegeven.

  • Tegenover Dag 1, waar dag en nacht worden geschapen, staat Dag 4, waar de zon wordt geschapen als lichtdrager overdag en de maan en sterren als lichtdragers in de nacht.
  • Tegenover Dag 2, waar de zee en de lucht worden geschapen, staat Dag 5, waar de vissen worden geschapen die de zee bevolken, en de vogels die in de lucht verblijven.
  • Tegenover Dag 3, waar het land en de vegetatie worden geschapen, staat Dag 6, waar de dieren en de mens worden geschapen, die het land bewonen en zich voeden met de vegetatie.

genesis1-23

Met deze symmetrie wordt de indruk gewekt dat de schepping bestaat uit drie afzonderlijke gebieden met drie beheerders die allemaal onderworpen zijn aan het gezag van één Schepper-Koning.

genesis1-24

Dit wordt versterkt doordat ieder onderdeel van dit patroon de zinsnede bevat: “En God zei”, waarna er zonder enige tegenwerping gebeurt wat er wordt gezegd. Het is God die heerst. Hij heeft alle macht. Om de symmetrie te accentueren, wordt er op Dag 3 en Dag 6 zelfs tweemaal gezegd dat God heeft gesproken. Kortom: we zien hier een prachtig patroon met een diepe boodschap waarin God wordt verheerlijkt. God lijkt hier Zijn schepping te bewonen als in een tempel.

Wat ik alleen niet begrijp, is waarom dit patroon een historische lezing van Genesis 1 zou moeten uitsluiten. Een bijzondere gebeurtenis verdient het om op een bijzondere manier verteld te worden, maar deze bijzondere manier van vertellen is dan wel bedoeld om een bijzondere gebeurtenis te onderstrepen, niet om deze weg te poetsen!

genesis1-25

De vorige keer heb ik beloofd dat ik zou terugkomen op het onderwerp lofprijzing en de schepping. Er bestaat namelijk een heel direct verband tussen Gods schepping en Zijn heiligdom. In Jesaja 66:1 zegt de HERE: “De hemel is Mijn troon en de aarde de voetbank van Mijn voeten.” Hij lijkt hiermee de tempeldienst te nuanceren, maar brengt deze tegelijkertijd in verband met de schepping die hier als heiligdom wordt voorgesteld. De schepping als plaats waar God woont en aanbeden wil worden. Deze suggestie is niet nieuw. Er zijn veel meer plaatsen in de Bijbel waar door middel van woorden, structuren en symbolen een verband wordt gelegd tussen de schepping en het heiligdom.

genesis1-26

Ik wil hiervan één voorbeeld geven en met u gaan kijken naar de instructies die Mozes krijgt voor de bouw van de tabernakel. Dit gebeurt wanneer hij zich op de berg Sinaï bevindt. We kunnen hierover lezen in Exodus 25-31. Als we goed letten op de structuur waarin deze instructies zijn gegoten, horen we hierin de echo van de scheppingsweek terug. Zes keer staat er geschreven dat de HERE tot Mozes sprak (25:2, 30:11, 17, 22, 34, 31:1). Dit loopt parallel aan de zes scheppingsdagen waarop de Here Zijn scheppende woord gesproken heeft. En de zevende keer dat dit in het verslag van Exodus gebeurt, staat er: “Verder zei de HERE tegen Mozes: U dan, spreek tot de Israëlieten en zeg: U moet zeker Mijn sabbatten in acht nemen, want dat is een teken tussen Mij en u, al uw generaties door, zodat men weet dat Ik de HERE ben, die u heiligt” (31:12-13). Dit kan geen toeval zijn. Maar er is meer.

genesis1-27

Als we naar Genesis 2:1 kijken, zien we dat het scheppingsverslag wordt afgesloten met de woorden: “Zo zijn de hemel en de aarde voltooid, en heel hun legermacht.” Deze wijze van formuleren komen we in het Oude Testament op slechts twee andere plaatsen tegen. De eerste keer is in Exodus 39:32, waar staat: “Zo werd al het werk aan de tabernakel, aan de tent van ontmoeting voltooid.” De voltooiing van de schepping en de voltooiing van de tabernakel worden op dezelfde manier verwoord om aan te geven hoe zeer zij met elkaar verbonden zijn.

De tweede keer dat we deze formulering aantreffen, is in Jozua 19:51: “Bij de ingang van de tent van ontmoeting. Zo voltooiden zij de verdeling van het land.” Hoofdstuk 18 en 19 vertellen over de oprichting van de tent der samenkomst, nadat het land is ingenomen en sluit af met deze woorden. Hiermee wordt opnieuw de schepping gekoppeld aan het heiligdom en aan de plek waar deze is gevestigd.

genesis1-28

Er zijn nog meer parallellen met het scheppingsverhaal. In Genesis staat geschreven dat “God alles zag wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed.” In Exodus staat hetzelfde geschreven over Mozes die zag “en zie, zij hadden alles gemaakt zoals de HERE geboden had, zo hadden zij het gemaakt.” Waar de Here God na afloop van de schepping de rustdag zegende, zegende Mozes het volk dat na voltooiing van de tabernakel tot rust was gekomen.

genesis1-29

Ook op detailniveau zijn er allerlei verbindingen tussen het scheppingsverhaal en het heiligdom. Ik noem er een paar.

  • De Hof van Eden had aan de oostzijde een opening. Hetzelfde was het geval bij het heiligdom. Je zou kunnen zeggen dat hetzelfde ontwerp dat God bij de schepping heeft gebruikt weer terugkomt in de tabernakel, en na de tabernakel in de tempel.
  • Na de zondeval plaatste God cherubijnen bij de ingang van de Hof. Ook hen komen we weer tegen in het ontwerp van de tabernakel.
  • De Boom des Levens kennen we van de Hof van Eden. Maar ook deze vinden we in gestileerde vorm weer terug in het heiligdom, en wel in de gedaante van de zevenarmige kandelaar.
  • We kunnen in Genesis lezen dat de mens in de Hof werd geplaatst om deze te bewerken en te onderhouden. Dezelfde Hebreeuwse woorden komen we in Exodus tegen als de taak van de priesters wordt beschreven. In onze vertaling wordt dit weergegeven met “dienst” en “wacht”.

genesis1-30

Er is nog veel meer te zeggen over het verband tussen Gods schepping en Zijn heiligdom, maar ik denk dat ik wel duidelijk heb gemaakt dat dit verband er is. De Here God heeft Zijn schepping oorspronkelijk ingericht als een heiligdom, als een plaats waar Hij kon wonen, waar Zijn heerlijkheid zichtbaar zou zijn en waar Hij gediend en geëerd zou worden. En ook al is dit ontwerp door de zondeval in verval geraakt, we zien dit steeds opnieuw terugkomen. Op een hele letterlijke manier. Eerst in het ontwerp van de tabernakel, maar later bij de tempel. De Bijbel laat ons zelfs zien dat Gods ontwerp aan het einde der tijden definitief en in alle volheid uitgewerkt zal worden. Maar voor al deze patronen en ontwerpen geldt dat zij pas betekenis krijgen wanneer zij letterlijk worden uitgewerkt.

genesis1-31

 

Wij vragen ons misschien af hoe het mogelijk is dat God op de eerste scheppingsdag zegt: “Laat er licht zijn!” en dat er vervolgens licht is, terwijl de zon, de maan en de sterren pas op de vierde dag worden geschapen. Maar denkt u nou werkelijk dat wij in dit wetenschappelijke tijdperk de eersten zijn die het opmerkelijk vinden dat eerst het licht wordt genoemd en pas drie dagen later de lichtdragers?

De Schrift maakt zich hier geen seconde zorgen over. Als we het laatste boek van de Bijbel opslaan – Openbaring – dan kunnen we in het hoofdstuk dat het Nieuwe Jeruzalem beschrijft, lezen hoe het goddelijke ontwerp uiteindelijk ten volle gerealiseerd zal worden, maar ook dat men deze details niet over het hoofd heeft gezien. Ik lees uit hoofdstuk 21 de verzen 23 en 24.

genesis1-32

Misschien denkt u: “Leuk, een lesje tempelsymboliek, maar wat heb ik eraan?” Daarom wil ik afsluiten met u heel kort een aantal stellingen voor te houden, die u kunt toetsen aan uw eigen leven.

genesis1-33

1. Godsdienst laat zich niet terugdringen tot achter de geraniums. Het is Gods verlangen dat heel de schepping zijn heiligdom is, waar Hij kan wonen en eer ontvangen. De wereld is zo ver nog niet. Maar zijn wij bereid om Hem in alle facetten van ons leven toe te laten?

 

genesis1-34

2. Onze lofprijzing en aanbidding beperkt zich niet tot het zingen van psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, maar strekt zich uit van “bewerken” en “onderhouden” tot “dienst” en “wacht”. Weet u zeker dat u in al uw doen en laten de Here eert?

 

genesis1-35

3. God openbaart Zich in Zijn schepping. Wij gaan er meestal van uit dat dit gebeurt doordat Hij alles zo prachtig heeft toebereid. Toch wordt juist deze tijd, waarin de grootheid van de schepping als nooit tevoren zichtbaar wordt, een tijd van de godsverduistering genoemd. Zou het kunnen dat God zich vooral openbaart in de symboliek die Hij in Zijn schepping heeft gelegd. In de prachtige patronen, het schitterende ontwerp en de diepere betekenis? En zijn wij christenen dit alles niet heel erg uit het oog verloren?

genesis1-36

4. Symboliek leidt vaak tot een dieper inzicht. Als het bijvoorbeeld gaat om de relatie tussen man en vrouw, zijn wij geneigd om – net als de wereld – te denken in termen van gelijkheid en macht. Zou ons denken hierover er niet heel anders uit zien als we zouden beseffen dat deze relatie de verhouding tussen God en Zijn volk weerspiegelt, en tussen Christus en Zijn gemeente?

genesis1-37

5. Alle symboliek verwijst uiteindelijk naar de Here Jezus. Ik hoop dat het u niet is ontgaan dat in het nieuwe Jeruzalem het Lam de lamp is. Het Lam is een symbool voor de Here Jezus. Kent u de Here Jezus? In het Nieuwe Testament wordt de tempelsymboliek heel persoonlijk gemaakt in de woorden van de apostel Paulus als hij zegt: “Of weet u niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is en Die u van God hebt ontvangen, en dat u niet van uzelf bent?”

genesis1-38

Bent u van de Here Jezus?

banner_mjdehaan_2014

Aantal keren bekeken: 146

Debat over schepping en evolutie

Op 4 februari 2014 heeft er een debat plaatsgevonden tussen Ken Ham en Bill Nye. Ken Ham is de directeur van Answers in Genesis, een creationistische organisatie. Bill Nye is een televisiepersoonlijkheid die populair-wetenschappelijke programma’s maakt en hartstochtelijk evolutionist is. Lees verder

Aantal keren bekeken: 459

New City Catechism. Vraag 3

Vraag: Hoeveel personen zijn er in de Godheid?


Antwoord: De ene waarachtige en levende God kent drie personen: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Zij zijn één in wezen en hebben gelijke macht en heerlijkheid.


Sleuteltekst: “De genade van de Here Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met u allen. Amen.” (2 Korinthe 13:13)

Lees verder

Aantal keren bekeken: 371

Eén ras, één bloedlijn

Hoe kunnen er verschillende rassen zijn als iedereen van Adam en Eva afstamt? Volgens evolutionisten zijn Adam en Eva daarom een mythe. De menselijke rassen zouden in miljoenen jaren zijn ontstaan. Ken Ham, directeur van Answers in Genesis verwijst deze opvatting naar het rijk der fabelen. Volgens hem is er maar één ras – het menselijk ras – en maar één huidskleur – melanine – dat ik een grote variatie aan tinten voorkomt.

Deze toespraak van Ken Ham is gehouden op 15 april 2012 in de Calvary Bible Church in Kalamazoo, Michigan, tijdens een Answers Conference. Tijdens zijn lezing verwijst Ken Ham naar Michigan als een “zeer koude omgeving”. Calvary Bible Church bewaart haar lezingen in een archief op Vimeo, uiteraard zonder ondertitels. Archippus heeft onderstaande lezing van een ondertitel voorzien.

Helaas zijn de Powerpoint sheets die hij heeft gebruikt, niet zichtbaar. Maar ook zonder deze beelden, is de toespraak goed te volgen. In het laatste deel vertoont hij een kort filmpje dat zijn lezing samenvat en speciaal voor jongeren is ontwikkeld. Dit filmpje wordt wel zichtbaar gemaakt, maar voor de volledigheid is de link naar dit filmpje hieronder toegevoegd, vooralsnog zonder ondertitel.

Ken Ham besteedt veel aandacht aan het rassenvraagstuk dat voor de Nederlandse cultuur waarschijnlijk minder actueel is dan voor de Amerikaanse, maar dat maakt zijn visie hierop niet minder interessant. Zijn standpunt is duidelijk: er is maar één ras en wij zijn allemaal familie van elkaar, omdat wij allen afstammen van Adam en Eva. Hij gaat in op allerlei kritische vragen die zijn gesteld bij de Bijbelse geschiedschrijving en komt uiteindelijk tot de conclusie: Wat de Bijbel schrijft is waar.

  • Waar heeft Kaïn zijn vrouw vandaan?
  • Hoe zit het met de verschillende huidskleuren?
  • Wat is de vloek van Cham?
  • Als Israëlieten niet met vreemde volkeren mochten huwen, waarom komt Rachab dan voor in het geslachtsregister van Jezus?

Wil je antwoord op één van deze vragen. Kijk dan naar de video en deel hem met vrienden.

[vimeo 63918322 w=560]

[youtube=http://www.youtube.com/watch?v=zMBLYlgWQoA&w=560]

Kijk ook eens op de website van Answers in Genesis.

Archippus - Banner 2012

Aantal keren bekeken: 539

De doortocht door de Rode Zee

Heeft de doortocht van het volk Israël door de Rode Zee werkelijk plaatsgevonden of is dit slechts een mythe? Was het water waar het volk doorheen trok, slechts een halve meter diep, zodat niet de doortocht, maar de verdrinkingsdood van talrijke Egyptische soldaten als een Goddelijk ingrijpen gezien moet worden?

Lees verder

Aantal keren bekeken: 1366