Abraham, de vriend van God

Het is alweer enige tijd geleden dat ik het boek Onbekend Israël van Steven M. Collins heb gelezen. In dit boek wordt ons een totaal andere visie op de wereldgeschiedenis voorgehouden. De schrijver rekent af met twee gangbare uitgangspunten van de geschiedschrijving, namelijk: [1] geschiedenis als evolutionair proces, en [2] geschiedenis vanuit Grieks-Romeins perspectief. Als alternatief reikt hij de lezer een nieuw historisch model aan, waarbij hij gebruik maakt van [1] Bijbelse gegevens en [2] ontdekkingen van wat ik grenswetenschappen zou noemen. Nadat ik het boek had gelezen, was mijn interesse gewekt en heb ik ook zijn andere boeken besteld.

De rode draad in zijn model is het gegeven dat God een verbond is aangegaan met Abraham, dat via Izaäk en Jakob niet alleen wordt uitgewerkt in de Joden die uit de Babylonische ballingschap naar hun Beloofde Land zijn teruggekeerd, maar in alle stammen van Israël, die Jakob heeft voortgebracht. Ook de tien stammen die naar Assyrië zijn weggevoerd en niet meer zijn teruggekeerd. Deze stammen zijn niet verdwenen, maar hebben elders een nieuwe plek gevonden. Deze gedachte sluit nauw aan op de visie die in de wandelgangen Brits Israël wordt genoemd, ofschoon Collins zelf zich hiermee beslist niet wil vereenzelvigen.

Wat mij zo aanspreekt aan de benadering van Collins, is dat hij de Bijbelse verhalen niet ziet als een verzameling mythen en legenden, maar als geschiedenis. Wanneer je de gebeurtenissen in hun historische context plaatst, komen ze in een ander daglicht te staan. Zo merkt hij op dat het gezin van Noach na de zondvloed een wel heel bijzondere positie moet hebben gehad. Als enige overlevenden uit de pre-zondvloed periode beschikten zij over de technologische kennis van een verloren cultuur, en bereikten zij een leeftijd die op mensen uit de post-zondvloed periode een bijna goddelijke indruk moet hebben gemaakt. Volgens Collins is dit de directe aanleiding geweest voor het ontstaan van een heidens pantheon met feilbare en wispelturige goden. Ik ben dit met hem eens en heb deze opvatting ook aangetroffen in andere boeken, zoals De wereldwijde vloed van Tjarko Evenboer.

Tijdlijn

Abram behoorde tot de tiende generatie na Noach. Al zijn voorouders vanaf Noach waren nog in leven toen hij werd geboren.[1] Noach stierf toen Abram ongeveer zestig jaar oud was, waardoor het niet onmogelijk is, dat Abram de verhalen over de wereld van vóór de zondvloed nog uit zijn mond heeft gehoord (en misschien wel in geschreven vorm heeft meegekregen). Er waren in die tijd weinig mensen die net als Noach en Sem verlangden naar een persoonlijke relatie met God. Abram was in dit opzicht een uitzondering. We lezen in Genesis 12:1 hoe hij voor de eerste keer door God wordt opgezocht en geroepen.

“De Here zei tegen Abram: ‘Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat ik je zal wijzen. Ik zal je tot een groot volk maken, ik zal je zegenen, ik zal je aanzien geven, een bron van zegen zul je zijn. Ik zal zegenen wie jou zegenen, wie jou bespot, zal ik vervloeken. Alle volken op aarde zullen mensen gezegend te worden als jij.’” (Gen. 12:1)

Deze woorden hebben betrekking op iets wat uiteindelijk is uitgegroeid tot wat men het Abrahamitische verbond noemt. We kunnen in deze verzen hiervan de volgende aspecten onderscheiden.

  • Ik zal je tot een groot volk maken;
  • Ik zal je zegenen en aanzien geven;
  • Ik zal zegenen wie jou zegenen en vervloeken wie jou vervloeken;
  • In jou zullen alle mensen op aarde gezegend worden.

Wat mij opvalt, is dat Collins in deze verzen reeds moeiteloos “volkeren” leest, hoewel dit er niet staat (The Origins and Empire of Ancient Israel, p. 8). Het Hebreeuws spreekt hier over “goj”, hetgeen “volk” of “natie” betekent. Enkelvoud. Hij loopt hiermee duidelijk op de zaak vooruit en probeert zijn eigen aannames in de tekst te leggen.

Wanneer we verder lezen, zien we dat Abram gehoor geeft aan Gods oproep en met zijn vrouw Saraï en zijn neef Lot vertrekt naar het “land dat God hem wijzen zal”. Veelal gaat men ervan uit dat Abram vanuit Ur is vertrokken, maar dit is niet helemaal correct. In Genesis 11:31 staat dat niet Abraham maar zijn vader Terah uit Ur is vertrokken om naar Kanaän te gaan. Hij en zijn gevolg zijn toen echter niet verder gekomen dan Haran (Noord Mesopotamië) waar zij zich hebben gevestigd. Vervolgens is Terah overleden en is God aan Abram verschenen.

In de beeldvorming gaat men er meestal vanuit dat er slechts een klein groepje reizigers is vertrokken. Terecht merkt Collins op dat dit niet het geval is geweest. Hij schat in dat het gezelschap waarmee Abram wegtrok, uit ongeveer 1000-2000 personen heeft bestaan en dat zij heel veel vee en bezittingen bij zich hadden. Zeker voor die tijd, waarin de bevolkingsdichtheid nog niet zo groot was, was Abram een welvarend man en genoot hij veel aanzien. We vinden hiervoor in de Bijbel de volgende aanwijzingen:

  • Abram nam al zijn bezittingen mee, alsmede de mensen die zij in Haran verkregen hadden (Gen. 12:5);
  • Abram was zeer rijk aan vee, aan zilver en aan goud (Gen. 13:2);
  • Abram en Lot hadden zo veel vee dat zij uiteen moesten gaan om alle dieren te kunnen voeden (Gen. 13:6);
  • Toen Lot in de problemen was geraakt, wist Abram in zijn huis moeiteloos 318 getrainde mannen te vinden om hem te hulp te schieten. Het is aannemelijk dat deze mannen een gezin hadden, wellicht met kinderen (Gen. 14:14).

Nadat Abram in het land Kanaän is aangekomen, verschijnt God voor de tweede maal aan hem en geeft hem een aanvullende belofte. Abram is dan ouder dan 75 jaar en heeft geen kinderen.

“Maar de Here verscheen aan Abram en zei: ‘Ik zal dit land aan jouw nakomelingen geven.’” (Gen. 12:7)

We kunnen hier kennis nemen van de volgende aanvullende aspecten:

  • Ik zal jou nakomelingen geven;
  • dit land zal van jouw nakomelingen zijn.

We zien in Gods omgang met Abram telkens dat Hij voortborduurt op zijn eerdere belofte en deze steeds sterker aanzet en van aanvullende informatie voorziet. In de dynamiek van deze ontmoetingen zien we ook dat de spanning tussen de belofte en het niet hebben van nakomelingen steeds verder oploopt. Nadat Abram en zijn neef Lot hebben gemerkt dat het land voor hen beiden te klein was, en besloten uit elkaar te gaan, waarna Lot voor zichzelf het vruchtbaarste land uitkiest, spreekt God opnieuw – voor de derde keer – tot Abram.

“Nadat Lot was weggegaan, zei de Here tegen Abram: ‘Kijk eens goed om je heen, kijk vanaf de plaats waar je nu staat naar het noorden, het zuiden, het oosten en het westen. Al het land dat je ziet, geef ik aan jou en je nakomelingen, voor altijd. En ik zal je zo veel nakomelingen geven als er stof op de aarde is: ze zullen even ontelbaar zijn als alle stofdeeltjes op de aarde. Kom, doorkruis het land in zijn volle lengte en breedte, want aan jou zal Ik het geven” (Gen. 13:14-16)

De woorden van God gaan over dezelfde zaken, maar worden hier op een meer overvloedige wijze aan Abram voorgehouden. Het gaat hier om:

  • Al het land dat hij ziet en meer nog dan dat, zal voor altijd van hem zijn;
  • Hij zal ontelbaar veel nakomelingen krijgen, als stofdeeltjes op de aarde.

Na deze woorden vindt de veldtocht plaats, die Abram heeft gemaakt omdat zijn neef Lot in de problemen was geraakt en bevrijd moest worden. In deze periode valt ook de wonderlijke ontmoeting met de koning-priester Melchizedek, die door Collins wordt gezien als ofwel een christofanie, ofwel een bijzondere aanduiding van Sem.

“Gezegend zij Abram door God, de Allerhoogste, schepper van hemel en aarde. Gezegend zij God, de Allerhoogste: uw vijanden leverde Hij aan u uit.” (Gen. 14:19-20)

Abram wordt door Melchizedek gezegend, waarna hij hem een tiende geeft van alles wat hij in de strijd had buitgemaakt (Hebr. 7:4). Tegelijkertijd weigert hij van de koning van Sodom ook maar iets in ontvangst te nemen. Hij wil absoluut niet de indruk wekken, dat iemand anders hem rijk heeft gemaakt. Na dit alles verschijnt God voor de vierde keer aan hem. Nu benadert hij Abram in een visioen.

“Enige tijd later richtte de Here zich tot Abram in een visioen: ‘Wees niet bang, Abram: ikzelf zal jou als een schild beschermen. Je loon zal vorstelijk zijn. (..) Niet je dienaar zal jouw bezittingen erven, maar een kind dat jijzelf zult verwekken.’ Daarop leidde Hij Abram naar buiten. ‘Kijk eens naar de hemel,’ zei Hij, ‘en tel de sterren als je dat kunt.’ En Hij verzekerde hem: ‘Zo zal het ook zijn met jouw nakomelingen.” (Gen. 15:1-5)

Ditmaal beklaagt Abram zich tegenover God over het feit dat hij als oude man nog steeds kinderloos is.

“’Here, mijn God,’ antwoordde Abram, ‘wat voor zin heeft het mij te belonen? Ik zal kinderloos sterven, en alles wat ik bezit zal eigendom worden van Eliëzer uit Damascus. U hebt mij immers geen nakomelingen gegeven; daarom zal een van mijn dienaren mijn erfgenaam worden.’” (Gen. 15:2-3)

Met de woorden waarmee God hem antwoordt, wordt de belofte nóg verder toegespitst,

  • Zijn erfgenaam is een kind dat hij zelf zal verwekken;
  • Het aantal nakomelingen wordt nu niet vergeleken met het stof der aarde, maar met de sterren aan de hemel.

“Ook zei de Here tegen hem: ‘Ik ben de Here, die jou heeft weggeleid uit Ur, uit het land van de Chaldeeën om je dit land in bezit te geven.’ ’Here, mijn God,’ antwoordde Abram, ‘hoe kan ik er zeker van zijn dat ik het in bezit zal krijgen?’” (Gen. 15:8)

Aansluitend aan deze woorden voltrekt zich dan het ritueel van de verbondssluiting, compleet met bloed en offers. In tegenstelling tot wat in die tijd gebruikelijk was, gaat God alleen tussen de offerstukken door. Hiermee wil Hij aangeven dat Hij met Abram een eenzijdig verbond aangaat. Hij is de initiatiefnemer en stelt geen eisen vooraf. Op dat moment wordt ook duidelijk dat Gods belofte niet alleen maar van kracht zal zijn in tijden van rozengeur en maneschijn. Hij belooft dat Hij ook in tijden van nood – die zeker zouden aanbreken – voor een ommekeer zal zorgen.

“Toen zei de Here: ‘Wees ervan doordrongen dat je nakomelingen als vreemdeling zullen wonen in een land dat niet van hen is en dat ze daar slaaf zullen zijn en onderdrukt zullen worden, vierhonderd jaar lang. Maar Ik zal hun onderdrukkers ter verantwoording roepen, en dan zullen ze wegtrekken, met grote rijkdommen. (..) Pas de vierde generatie zal hierheen terugkeren, want pas dan hebben de Amorieten zo veel misdaden bedreven dat de maat vol is.’” (Gen. 15:13-16)

Dat dit verbond door God eenzijdig aan Abram wordt aangeboden, zien we ook terug in het gegeven dat deze zich door zijn vrouw Saraï laat overtuigen om bij haar slavin Hagar nageslacht te verwekken. Abram is 85 jaar oud en kiest ondanks het verbond dat God met hem heeft gesloten, voor Plan B, dat zijn vrouw heeft bedacht. Toch zien we dat God hem dit niet aanrekent. Weliswaar duurt het veertien jaar voordat Hij voor de vijfde keer aan Abraham verschijnt, maar dan bevestigt Hij alles wat Hij al eerder tegen hem heeft gezegd. Sterker nog: Hij bevestigt niet alleen, maar versterkt ook!

“Toen Abram negenennegentig jaar was, verscheen de Here aan hem en zei: ‘Ik ben God, de Ontzagwekkende. Leef in verbondenheid met mij, leid een onberispelijk leven. Ik wil met jou een verbond aangaan en ik zal je veel, heel veel nakomelingen geven. (..) Ik doe jou deze belofte: je zult de stamvader worden van een menigte volken. Je zult voortaan niet meer Abram heten maar Abraham, want Ik maak je de vader van vele volken. Ik zal je bijzonder vruchtbaar maken. Er zullen veel volken uit je voortkomen en onder je nazaten zullen koningen zijn. Ik sluit een verbond met jou en je nakomelingen, met alle komende generaties, een eeuwigdurend verbond: Ik zal jouw God zijn en die van je nakomelingen. Heel Kanaän, het land waar je nu als vreemdeling woont, zal Ik jou en je nakomelingen voor altijd in bezit geven, en Ik zal hun God zijn.’” (Gen. 17:1-8)

Opnieuw spreekt God met hem over veel nakomelingen en het hele land Kanaän. Maar in plaats van over één volk te spreken, gaat het nu over vele volken. Deze verandering is zo significant dat Abram een andere naam krijgt. Voortaan zal zijn naam Abraham zijn. Onder zijn nazaten zullen zich koningen bevinden. Ik versta dit breder dan alleen personen en lees dit als koningshuizen. Wat ook nieuw is in deze openbaring, is dat God van Abraham een antwoord verwacht. Gods verbond wordt weliswaar eenzijdig aangeboden, maar heeft wel een instemmend antwoord nodig om uitgewerkt te kunnen worden.

“Ook zei God tegen Abraham: ‘Jij moet je houden aan dit verbond met mij, evenals je nakomelingen, generatie na generatie. Dit is de verplichting die jullie op je moeten nemen: alle mannen en jongens moeten worden besneden.’” (Gen. 17:9-10vv)

Het nageslacht van Abraham wordt nadrukkelijk gekoppeld aan zijn vrouw Saraï. Hiermee neemt God openlijk afstand van Abrahams Plan B. Alleen met het kind dat Saraï zal baren, zal Hij zijn verbond voortzetten. Ook Saraï krijgt een nieuwe naam. Voortaan zal zij Sara heten.

“Verder zei God tegen Abraham: ‘Wat je vrouw Saraï betreft, voortaan moet je haar niet Saraï noemen, maar Sara. Ik zal haar zegenen en jou bij haar een zoon geven. Ik zal haar zo rijk zegenen dat er volken uit haar zullen voortkomen en er koningen van haar zullen afstammen.” (Gen. 17:15-16)

Er is geen twijfel mogelijk. Gods beloften aan Abraham en zijn nageslacht lopen via Sara. Zij is degene die volken en koningen zal voortbrengen. Zij is degene in wie God zijn verbond zal uitwerken. Ten slotte wordt God heel concreet over het moment waarop zij haar zoon zal baren: volgend jaar omstreeks deze tijd (vs. 21).

“Nadat God zo met hem gesproken had, ging Hij bij Abraham vandaan.” (Gen. 17:22)

Ditmaal duurt het niet lang voordat God voor de zesde maal aan Abraham verschijnt. Tijdens deze ontmoeting wordt het ook voor Sara duidelijk dat zij een zoon zal baren. Verder gaat het in deze ontmoeting vooral om de situatie in Sodom en Gomorra. God deelt zijn gedachten hierover met Abraham omdat Hij hem als zijn vriend beschouwt (Jak. 2:23). Wat opvalt, is dat in de tekst wordt gesproken over een volk [goj] in plaats van over een menigte volken. Ik denk dat we dit niet moeten zien als een correctie van Gods eerdere beloften, maar meer als een kernachtige formulering hiervan. Bovendien gaat het hier om gedachten en niet om uitspraken die zeggingskracht hebben.

“De Here dacht: Waarom zou ik voor Abraham geheimhouden wat Ik van plan ben? Uit Abraham zal immers een groot en machtig volk voortkomen, en alle volken op aarde zullen wensen zo gezegend te worden als hij. Want Ik heb hem uitgekozen, hij moet zijn zonen en zijn verdere nakomelingen voorhouden de weg te volgen die ik wijs, door rechtvaardig en goed te handelen. Alleen dan zal Ik verwezenlijken wat Ik Abraham heb toegezegd.” (Gen. 18:17-19)

Tot twee keer toe zegt God tegen Abraham: “Ik kom over precies een jaar bij u terug en dan zal uw vrouw Sara een zoon hebben.” (Gen. 18:10) Deze uitdrukking kan betekenen dat God letterlijk over een jaar zal terugkeren, maar dit hoeft niet zo te zijn. Hiermee kan ook worden bedoeld dat Hij zal doen wat Hij zegt (vgl. Zach. 1:3). Dat het laatste het geval is, wordt duidelijk in 21:1, waar staat dat “de Here omzag naar Sara zoals Hij had beloofd.” In de NBG-vertaling staat het nog duidelijker omschreven: “De Here bezocht Sara, zoals Hij gezegd had.” Hij deed wat Hij had beloofd: “Sara baarde Abraham op zijn oude dag een zoon, op de vastgestelde tijd die God hem had genoemd.” (vs. 2)

Wanneer de speentijd van Abrahams zoon aanbreekt, bezoekt God hem voor de zevende keer. Er doen zich op dat moment grote spanningen voor tussen Sara en haar slavin Hagar. Sara is van mening dat Hagars zoon Ismaël niet kan delen in de erfenis en God geeft haar gelijk. Op niet mis te verstane wijze maakt Hij duidelijk dat Hij weliswaar goed voor Ismaël zal zorgen, maar dat het eeuwigdurend verbond dat Hij met Abraham heeft gesloten, niet via hem, maar via haar zoon Isaäk zal worden voortgezet.

“Alles wat Sara je vraagt moet je doen, want alleen de nakomelingen van Isaäk zullen gelden als jouw nageslacht. Maar ook uit de zoon van je slavin zal Ik een volk doen voortkomen, omdat ook hij een kind van je is.” (Gen. 21:12-13)

God heeft al eerder gezegd dat Ismaël twaalf koningen zal voortbrengen. Inderdaad is dit ook zo gebeurd. Ismaël krijgt twaalf zonen die ieder de stamvader zijn geworden van een eigen volk. Hiermee loopt hij een generatie voor op de lijn van Izaäk. Samen vormen zij het volk der Arabieren.

“Roep je zoon, je enige, van wie je zoveel houdt, Isaak, en ga met hem naar het gebied waarin de Moria ligt. Daar moet je hem offeren op een berg die Ik je wijzen zal.” (Gen. 21:2)

Tijdens de achtste ontmoeting stelt God Abraham op de proef. Hij krijgt van God de opdracht om zijn zoon te offeren. Zijn langverwachte zoon. Zijn zoon van de belofte. Zijn zoon van de vele nakomelingen. Zijn zoon van een menigte volken. Wat hier opvalt, is dat God het heeft over Isaak, “je enige zoon”. Alsof Ismaël niet bestaat. Wij zouden hierin misschien lezen: “je enige wettige zoon.” Hij is degene met wie God zijn verbond zal voortzetten. Wanneer Abraham hieraan vasthoudt, moet hij weten dat het goed komt. Abraham is gehoorzaam en geeft God daarmee het enige juiste antwoord op de verbondsbelofte.

“Raak de jongen niet aan, doe hem niets! Want nu weet Ik dat je ontzag voor God hebt: je hebt mij je zoon, je enige, niet willen onthouden.” (Gen. 22:12)
“Ik zal je rijkelijk zegenen en je zo veel nakomelingen geven als er sterren aan de hemel zijn en zandkorrels op het strand langs de zee, en je nakomelingen zullen de steden van hun vijanden in bezit krijgen. En alle volken op aarde zullen wensen zo gezegend te worden als jouw nakomelingen. Want jij hebt naar mij geluisterd.” (Gen. 22:17-18)

De overdrijving zien we hier terug in het feit dat zowel melding wordt gemaakt van de sterren aan de hemel als de zandkorrels op het strand. Het geheim van het beërven van de belofte is: doen wat God van je vraagt. Zelfs wanneer dit de vervulling van de belofte in de weg lijkt te staan. Het nageslacht van Abraham zal dit nog vele malen ervaren.

Vader van een menigte volken

Tot slot wil ik nog een kort moment stilstaan bij de betekenis van “een menigte volken”. Sommigen menen dat men in dit verband aan proselieten moet denken, in de zin van Genesis 12:3: “Alle volken op aarde zullen wensen gezegend te worden als jij.” Anderen denken aan de nakomelingen van Abraham bij Hagar of (later) bij Ketura. Weer anderen houden het op de stammen van Israël. In het Nieuwe Testament kunnen we lezen dat de apostel Paulus een geestelijke dimensie aan deze belofte toevoegt. Hij stelt ons Abraham voor als de vader van allen die geloven, zowel Joden als niet-Joden (vgl. Rom. 4:17).

Ik denk dat uit het voorgaande duidelijk is gebleken dat het verbond met Abraham wordt voortgezet via het kind dat door Sara wordt voortgebracht. Daarmee zijn de kinderen van Hagar en Ketura uitgesloten. De verbreding van het verbond, die door Paulus wordt gezien, is een verbreding “in Christus”, die eveneens tot het nageslacht van Abraham behoort. De eerste betekenis is echter een natuurlijke afstamming. Wanneer het over een menigte volken gaat, moeten we deze dus echt onder de Israëlieten zoeken.

Noot

[1] Dit geldt niet voor het geslachtsregister van de Septuagint, omdat deze in enkele gevallen afwijkt van de Masoretische tekst.

banner_mjdehaan_2015

[contact-form][contact-field label=’Naam’ type=’name’ required=’1’/][contact-field label=’E-mail’ type=’email’ required=’1’/][contact-field label=’Website’ type=’url’/][contact-field label=’Reactie’ type=’textarea’ required=’1’/][/contact-form]

Aantal keren bekeken: 224

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *